Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4123

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
05/820045-16
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:5138, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gedurende meer dan een halve minuut niet op het verkeer letten dient aangemerkt te worden als zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam in de zin van artikel 6 WVW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/820045-16

Datum uitspraak : 28 september 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] .

Raadsman: mr. O.N.J. Maatje, advocaat te Zaltbommel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 september 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 11 april 2016 te Vuren in de gemeente Lingewaal als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger), komende uit de richting verkeersknooppunt Deil en/of gaande in de richting Gorinchem, daarmede rijdende over de rechter rijstrook van de uit twee rijstroken bestaande weg, de Rijksweg A15 (links), zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl voor hem, verdachte uit op die weg, (de Rijksweg A15) zich een file, bestaande uit langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen bevond en/of terwijl in verband met die ontstane file, van diverse voor hem, verdachte uit op die weg (Rijksweg A15) zich bevindende andere motorrijtuigen de alarm/waarschuwingslichten waren ontstoken niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg, de Rijksweg A15 en/of in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) op zodanige wijze heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg, de Rijksweg A15 kon overzien en waarover deze vrij was en/of met een snelheid van ongeveer 84 kilometer per uur, althans met nagenoeg die snelheid, de voor hem, verdachte zich op die weg, de Rijksweg A50 bevindende file is ingereden en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met één of meer van die langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen en/of waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing/aanrijding met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) een aantal van die andere motorrijtuigen met elkaar in botsing en/of aanrijding is gekomen en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes schuld te wijten verkeersongeval/len heeft/hebben plaatsgevonden, waardoor een ander ( [slachtoffer] )werd gedood;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 11 april 2016 te Vuren in de gemeente Lingewaal als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger), komende uit de richting verkeersknooppunt Deil en/of gaande in de richting Gorinchem, daarmede heeft gereden over de rechter rijstrook van de uit twee rijstroken bestaande weg, de Rijksweg A15 (links)en terwijl voor hem, verdachte uit op die weg, (de Rijksweg A15) zich een file, bestaande uit langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen bevond en/of terwijl in verband met die ontstane file, van diverse voor hem, verdachte uit op die weg (Rijksweg A15) zich bevindende andere motorrijtuigen de alarm/waarschuwingslichten waren ontstoken met een snelheid van ongeveer 84 kilometer per uur, althans met nagenoeg die snelheid, de voor hem, verdachte zich op die weg, de Rijksweg A50 bevindende file is ingereden en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met één of meer van die langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen en/of waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing/aanrijding met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) een aantal van die andere motorrijtuigen met elkaar in botsing en/of aanrijding is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 11 april 2016 heeft in Vuren in de gemeente Lingewaal een verkeersongeval plaatsgevonden op de Rijksweg A15 (links) waarbij verdachte is betrokken. Verdachte reed op dat moment als bestuurder van een motorrijtuig zijnde een (rode) vrachtwagen met kenteken [kenteken 1] (bedrijfsauto, trekker met oplegger), komende uit de richting van verkeersknooppunt Deil en gaande in de richting Gorinchem, op de rechter rijstrook van de uit twee rijstroken bestaande weg en is op een file ingereden. Verdachte is eerst gebotst tegen een voor hem rijdende personenauto, te weten een Peugeot, welke vlak daarvoor naar rechts richting de vluchtstrook was uitgeweken. Vervolgens is verdachte tegen een personenauto, te weten een Kia Picanto, gebotst. Door de kracht en de inwerking van die botsing, is de Kia in botsing gekomen met de voor de Kia rijdende vrachtwagen (merk Daf) en tussen het voertuig van verdachte en de vrachtwagen (Daf) klem komen te zitten. De bestuurder van de Kia Picanto, mevrouw [slachtoffer] , is bij de botsing om het leven gekomen. Zij is vermoedelijk overleden door hoog energetisch trauma.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit. Zij stelt zich op het standpunt dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld doordat hij met volle vaart achter op een file is gereden omdat hij gedurende een langere periode onoplettend was en hij niet geanticipeerd en gereageerd heeft op het veranderende wegbeeld, de filevorming, terwijl hij dit wel had moeten doen. De officier van justitie is van mening dat van verdachte méér voorzichtigheid/oplettendheid in het verkeer verwacht mag worden dan van een gemiddelde weggebruiker omdat hij beroepschauffeur is en met zijn zware vrachtwagencombinatie een langere remweg heeft dan een personenauto. Er is geen sprake van omstandigheden die het rijgedrag van verdachte verontschuldigen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak ten aanzien van het primair tenlastegelegde bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Gelet op alle omstandigheden is bij verdachte sprake van één moment van onoplettendheid nu ook enkele andere bestuurders hebben verklaard de Kia niet of zeer laat te hebben opgemerkt. Volgens vaste jurisprudentie is dat onvoldoende voor schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde is geen bewijsverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Bewijsmiddelen

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij beroepschauffeur is en met zijn vrachtwagen(combinatie) gemiddeld 120.000 tot 130.000 kilometer per jaar rijdt. Hij reed op het moment van het ongeval 84 kilometer per uur op de cruise control in een vrachtwagencombinatie van ongeveer 17 ton. Het laatste wat hij zich actief kan herinneren is dat hij afslag Vuren, naar zijn schatting ongeveer één kilometer vόόr de plaats van het ongeval, voorbij reed. Verder kan hij zich niets meer herinneren. Verdachte heeft geen alarmlichten of remlichten gezien. Ook heeft hij geen personenauto’s waargenomen tussen hem en de vrachtwagen (Daf) voor hem.3 Het volgende moment dat verdachte weet is dat hij in de cabine lag met van alles over hem heen en van alles dat om zijn oren vloog.4

Bij bovenstaand ongeval op de A15 zijn in totaal drie vrachtwagens (c.q. vrachtwagencombinaties) betrokken, waaronder de vrachtwagen van verdachte. Uit de digitale tachograafbestanden van de drie betrokken vrachtwagens blijkt dat de voorste vrachtwagen met kenteken [kenteken 2] reed met een snelheid van 82 kilometer per uur toen de vertraging werd ingezet. Gedurende 37 seconden werd er vertraagd door middel van normaal remmen en gas loslaten.

De middelste vrachtwagen met kenteken [kenteken 3] reed met een snelheid van 83 kilometer per uur toen de vertraging werd ingezet. Gedurende 38 seconden werd er vertraagd door middel van normaal remmen en gas loslaten. Bij een snelheid van 3 kilometer per uur werd er een botsregistratie waargenomen.

De achterste vrachtwagen met kenteken [kenteken 1] , het voertuig van verdachte, reed met een snelheid van 84 km per uur. Vervolgens werd er gedurende 0,5 seconde vertraagd voordat er een botsregistratie werd waargenomen. Er zijn in totaal 3 botsregistraties zichtbaar. De eerste botsregistratie werd gedaan bij een snelheid van 80 kilometer per uur. De tweede botsregistratie werd gedaan bij een snelheid van 69 kilometer per uur en de derde bij een snelheid van 27 kilometer per uur.5

Getuige [getuige 1] reed direct voor verdachte op de rechter weghelft in een Peugeot. Zij zag dat er voor haar en op de linker weghelft alarmlichten begonnen te knipperen. Zij zag dat zij een file naderde en minderde vaart tot 30 à 40 km per uur. Zij deed ook zelf de alarmlichten aan. Zij zag vervolgens in de achteruitkijkspiegel dat er een rode vrachtwagen [naar de rechtbank begrijpt: de vrachtwagen van verdachte] met hoge snelheid naderde en zij kreeg de indruk dat deze vrachtwagen niet meer op tijd kon stoppen. Zij stuurde haar auto daarom naar rechts, de vluchtstrook op, en op dat moment voelde zij een harde klap tegen haar auto. De rode vrachtwagen raakte haar auto tegen de linkerachterzijde/flank. Zij zag dat de rode vrachtwagen naar links uitweek en tegen de achterkant van een witte vrachtwagen voor hem aanreed.6

Getuige [getuige 2] reed direct achter verdachte. Hij verklaarde dat hij links van hem diverse voertuigen zag rijden met alarmlichten aan. Hij reed op dat moment 60 km/u omdat hij zag dat het verkeer om hem heen vaart minderde. Getuige heeft langs de rij voertuigen voor hem gekeken en zag dat alle voertuigen vaart minderden, behalve de rode vrachtwagen direct voor hem [naar de rechtbank begrijpt: de vrachtwagen van verdachte]. Deze vrachtwagen remde niet of nauwelijks, deed geen alarmlichten aan en liep uit op de auto van getuige, totdat alles stil stond.7

Ook de bestuurders van de andere twee bovenstaande vrachtwagens, [getuige 3] en [getuige 4] , die vόόr verdachten op de rechter rijstrook reden, hebben verklaard dat zij een file zagen, dat het verkeer vόόr hen remde en dat zij vaart minderden. Ook heeft [getuige 3] verklaard dat hij hierop zijn alarmlichten heeft aangedaan en zijn snelheid van 81 kilometer per uur heeft terugbracht tot stapvoets rijden, waarbij hij bewust een ruimte van 10 meter openliet tussen hem en het verkeer voor hem.8

Bewijsoverwegingen

Verdachte is beroepschauffeur en reed in een zware vrachtwagencombinatie. Het is een feit van algemene bekendheid dat zo’n vrachtwagencombinatie een langere remweg heeft dan lichtere voertuigen, zoals personenauto’s. Ingevolge artikel 19 RVV 1990 moet een bestuurder in staat zijn diens voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte geen vaart heeft geminderd, terwijl het verkeer om hem heen dit wel deed. Vervolgens is verdachte met 80 kilometer per uur op een file ingereden, ten gevolge waarvan mevrouw [slachtoffer] om het leven is gekomen.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Hiervoor is vereist dat het gedrag van de verdachte aanmerkelijk of zeer onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam is geweest. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in bovenstaande zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en voorts naar de overige omstandigheden van het geval. Voorts is van belang dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in bovenstaande zin.

Uit bovenstaande getuigenverklaringen, waaronder die van [getuige 1] , die direct voor verdachte in een personenauto reed, blijkt dat de voertuigen voor verdachte, op zowel de rechter rijbaan als de linker rijbaan, alarmlichten aan hadden en vaart minderden in verband met filevorming. Verdachte reed achter [getuige 1] en zat in zijn vrachtwagen bovendien hoger waardoor hij een beter zicht op de weg had. Ook de getuige in het voertuig direct achter verdachte, [getuige 2] , verklaart dat hij voor zich, zowel op de linker rijbaan als op de rechter rijbaan, alarmlichten zag en dat het verkeer om hem heen vaart minderde. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat verdachte goed zicht moet hebben gehad op de alarmlichten en remlichten en aldus op de filevorming voor hem, maar dat hij deze blijkbaar niet heeft opgemerkt.

Uit de tachograafbestanden van de betrokken vrachtwagens blijkt dat de voorste en middelste vrachtwagen gedurende 37 en 38 seconden vaart hebben geminderd door middel van normaal remmen tot gas loslaten. De voorste en middelste vrachtwagen hebben niet krachtig geremd of een noodstop gemaakt. Tussen de middelste vrachtwagen en de vrachtwagen van verdachte reden twee personenauto’s, te weten die van slachtoffer [slachtoffer] en [getuige 1] .

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat verdachte niet heeft gezien dat het wegbeeld om hem heen veranderde en er een file kort voor hem ontstond. Gelet op de gemeten remtijd van de twee vrachtauto’s voor verdachte, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte zijn aandacht gedurende meer dan 30 seconden niet dan wel onvoldoende op het verkeer voor hem heeft gericht. Vervolgens is hij zonder te remmen met volle vaart op de file ingereden en is hij achtereenvolgens tegen de Peugeot van [getuige 1] en de Kia Picanto van [slachtoffer] gebotst. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat niet slechts sprake is van een enkel moment van onoplettendheid zoals de raadsman heeft bepleit, maar van langdurige onoplettendheid. Verdachte is een ervaren chauffeur en wist dat hij in een 17 ton zware vrachtauto reed met een lange(re) remweg. Enkele seconden van onoplettendheid kunnen al fatale gevolgen hebben. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat een dusdanig lange periode van onoplettendheid, onder deze specifieke omstandigheden, aangemerkt dient te worden als zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam. Het ongeval, en daarmee het overlijden van [slachtoffer] , is dan ook aan de schuld van verdachte te wijten, in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Daarbij neemt de rechtbank mee dat er geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die een verontschuldigbare onmacht in de vorm van een ‘black out’ aannemelijk maken of waardoor het feit niet aan verdachte kan worden verweten.

De rechtbank acht het primaire feit daarom wettig en overtuigend bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primaire tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Primair

hij op of omstreeks 11 april 2016 te Vuren in de gemeente Lingewaal als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger), komende uit de richting verkeersknooppunt Deil en/of gaande in de richting Gorinchem, daarmede rijdende over de rechter rijstrook van de uit twee rijstroken bestaande weg, de Rijksweg A15 (links), zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl voor hem, verdachte uit op die weg, (de Rijksweg A15) zich een file, bestaande uit langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen bevond en/of terwijl in verband met die ontstane file, van diverse voor hem, verdachte uit op die weg (Rijksweg A15) zich bevindende andere motorrijtuigen de alarm/waarschuwingslichten waren ontstoken niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg, de Rijksweg A15 en/of in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) op zodanige wijze heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg, de Rijksweg A15 kon overzien en waarover deze vrij was en/of met een snelheid van ongeveer 84 kilometer per uur, althans met nagenoeg die snelheid, de voor hem, verdachte zich op die weg, de Rijksweg A15 bevindende file is ingereden en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met één of meer van die langzamer rijdende en/of stilstaande andere motorrijtuigen en/of waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing/aanrijding met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) een aantal van die andere motorrijtuigen met elkaar in botsing en/of aanrijding is zijn gekomen en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes schuld te wijten verkeersongeval/len heeft/hebben plaatsgevonden, waardoor een ander ( [slachtoffer] ) werd gedood.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primaire tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uur, te vervangen door 90 dagen hechtenis, en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest in het kader van onderhavige procedure.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een geheel voorwaardelijke rijontzegging omdat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk als beroepschauffeur.

Beoordeling door de rechtbank

Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 beschermt het belang van het menselijk leven, de lichamelijke gezondheid en integriteit alsook de verkeersveiligheid. Verdachte heeft door zijn handelen een zeer ernstig verkeersongeval veroorzaakt waardoor [slachtoffer] om het leven is gekomen. Dit heeft bij de nabestaanden van [slachtoffer] voor veel verdriet gezorgd, wat ook blijkt uit het feit dat zij niet naar de zitting zijn gekomen omdat het hen nog teveel pijn doet. Het ongeval, en dus ook de dood van [slachtoffer] , was vermijdbaar en de rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij gedurende een lange periode niet op het verkeer heeft gelet terwijl hij als beroepschauffeur op een vrachtwagen een grote verantwoordelijkheid heeft.

De rechtbank beseft dat verdachte niet met opzet het verkeersongeval en de dood van [slachtoffer] heeft veroorzaakt. Verdachte is in zekere zin ook een verliezer nu hij zal moeten leven met de wetenschap dat het slachtoffer is overleden door zijn schuld.

De LOVS oriëntatiepunten voor straftoemeting vermelden bij een ernstige mate van schuld bij overtreding van artikel 6 Wegenverkeersweg 1994 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaar. De rechtbank neemt deze oriëntatiepunten als uitgangspunt maar weegt ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de concrete feiten en omstandigheden van deze zaak mee. Verdachte heeft geen strafblad en er is inmiddels meer dan twee jaar verstreken sinds de datum van het ongeval. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernstige ziekte van verdachte in de periode na het ongeval, waarvan hij inmiddels is hersteld. Gelet op bovenstaande omstandigheden acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval niet passend.

De ernst en de gevolgen van de gedraging van verdachte rechtvaardigen echter wel een forse straf. Omdat de rechtbank de gedraging van verdachte aanmerkt als zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam, en niet als ‘aanmerkelijk’ zoals de officier van justitie, legt de rechtbank een hogere straf op dan is gevorderd door de officier van justitie.

De rechtbank legt aan verdachte op een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast legt de rechtbank de maximale taakstraf van 240 uur op. Verder legt de rechtbank aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met aftrek van de periode dat het rijbewijs reeds was ingevorderd (ongeveer drie maanden). Een langere periode van ontzegging van de rijbevoegdheid zou een onevenredig hoge straf opleveren nu verdachte voor zijn inkomen afhankelijk is van zijn rijbewijs.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 6, 175 en 179 Wegenverkeerswet 1994,

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op 2 (twee) jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

 ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van deze bijkomende straf groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 bepaalt, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Hamaker (voorzitter), mr. G.W.B. Heijmans en mr. B.F.M. Klappe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Jansen en mr. H.J.M. Fransen, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 september 2018.

Mr. B.F.M. Klappe en beide griffiers zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016177289-1, gesloten op 12-05-2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse p. 82, 83, 84, 90, 91 en 92, gelezen in onderlinge samenhang met het proces-verbaal aanrijding misdrijf p. 2 en 3.

3 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

4 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 28

5 Proces-verbaal van Tachograafdata onderzoek p. 104, 107, 110, 112, 114 en 115.

6 Proces-verbaal van getuigenverhoor p. 38 en 39.

7 Proces-verbaal van getuigenverhoor p. 70 en 71.

8 Proces-verbaal van getuigenverhoor p. 44 en 48.