Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4086

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
24-09-2018
Zaaknummer
05/780064-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van poging oplichting. Werkstraf van 90 uur waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Schadevergoeding benadeelde partij toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/780064-16

Datum uitspraak : 20 september 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

raadsman: mr. E.J. Moll, advocaat te Doetinchem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 14 juli 2016 en 6 september 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 30 mei 2013 tot en met 22 oktober 2013 in Gaanderen, gemeente Doetinchem, en/of in Doetinchem, en/of Assen en/of Groenlo althans (elders) in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Verzekeringmaatschappij Univé Verzekeringen (N.V. Univé Schade) te bewegen tot afgifte van een hoeveelheid geld en/of uitkering van enig schadebedrag, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk, -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

-op 12 juni 2013 telefonisch aan genoemde verzekeringmaatschappij gemeld dat een paard genaamd [naam 1] was overleden en/of

-een schadeformulier ingevuld of laten invullen en/of ondertekend of laten ondertekenen en/of (laten) voorzien van (een) handtekening en/of (vervolgens) doen toekomen of laten toekomen en/of verzonden of laten verzenden, in elk geval ingediend aan/bij Verzekeringsmaatschappij Univé Verzekeringen en/of

-in dit schadeformulier aangegeven en/of laten aangeven dat een paard genaamd [naam 1] was overleden en/of

-op 24 juni 2013 telefonisch aan genoemde verzekeringmaatschappij gemeld dat een paard genaamd [naam 1] was overleden en/of

-op 22 juli 2013 en/of 4 september 2013 in interviews, uitgevoerd door EMN Forensic B.V. in opdracht van Verzekeringmaatschappij Univé Verzekeringen, medegedeeld dat een paard genaamd [naam 1] was overleden en/of

-aan EMN Forensic B.V., die handelde in opdracht van voornoemde verzekeringsmaatschappij, een factuur van firma Rendac doen toekomen en/of overlegd ten bewijs dat het kadaver van [naam 1] door Rendac is opgehaald terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 30 mei 2013 heeft verdachte bij N.V. Univé Schade, gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: Univé) een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren afgesloten.2 Op 12 juni 2013 heeft verdachte telefonisch bij Univé melding gemaakt van een door hem veroorzaakte schade op 10 juni 2013 waarbij een paard van (toen genaamd) [medeverdachte] was overleden op het bedrijf van die [medeverdachte] in Gaanderen. Verdachte zou een ladder op het hoofd van het paard hebben laten vallen. Univé heeft daarop een schadeformulier toegestuurd dat door verdachte is ingevuld en ondertekend. De schade zou € 30.000,- bedragen.3

Univé heeft op 24 juni 2013 telefonisch contact opgenomen met [medeverdachte] . Deze heeft het verhaal van verdachte bevestigd en heeft verklaard dat het overleden paard [naam 1] betrof, afstammeling van [paard A] en [paard B] .4 In interviews op 22 juli 2013 met EMN Forensic B.V., die handelde in opdracht van Univé, hebben verdachte en [medeverdachte] hun verhalen nogmaals bevestigd.5 Als bewijs heeft [medeverdachte] Univé onder meer een factuur van de firma Rendac toegestuurd, waarin kosten in rekening worden gebracht voor het ophalen van een kadaver in de periode van 01-04-2013 t/m 30-06-2013.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich samen met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan een poging tot oplichting van Univé door een uitkering te claimen voor een paard dat was overleden door toedoen van verdachte, terwijl het ongeval in werkelijkheid niet is gebeurd en er helemaal geen paard is overleden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak. De verdediging voert daartoe aan dat in ieder geval een paard is overleden door toedoen van verdachte en dat de mededelingen aan de verzekeraar dat het [naam 1] betrof door [medeverdachte] zijn gedaan, niet door verdachte. Verdachte had geen opzet op de poging tot oplichting en er is ook geen sprake van medeplegen.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier dat het paard [naam 1] dat als zijnde overleden werd gemeld bij Univé, op die datum niet is overleden. Dat blijkt uit de volgende bewijsmiddelen.

- Uit gegevens van Rendac blijkt dat in 2013 slechts één keer een kadaver is opgehaald bij verdachte. Dit was op 10 mei 2013, dus vóór het vermeende incident, en betrof een veulen.7 Op de datum van het gestelde overlijden van [naam 1] is dus helemaal geen kadaver bij verdachte afgehaald door Rendac, zo concludeert de rechtbank.

- [naam 1] , afstammeling van [paard A] , heeft na 10 juni 2013, de aan Univé gemelde overlijdensdatum, aan verschillende nationale en internationale wedstrijden meegedaan, met als ruiter [naam 2] : onder meer tussen 11 en 13 april 2014 bij de [naam 3]8, tussen 6 en 8 juni 2014 bij [naam 4]9 en op 9 februari 2014 bij [naam 5] .10

- [naam 2] is op 6 augustus 2014 geïnterviewd door Confid Assistance Agency, die namens Univé de zaak onderzocht. [naam 2] heeft toen, op 6 augustus 2014, verklaard dat hij nog steeds (al vier jaar lang) samen met [medeverdachte] eigenaar is van [naam 1] .11 Bij de rechter-commissaris heeft [naam 2] verklaard dat wat hij toen heeft verklaard, de waarheid is.12 In de uitslaglijst van het eerdergenoemde concours [naam 3] staat [naam 1] vermeld als eigendom van “ [medeverdachte] & [naam 2] .13

Dat verdachte samen met [medeverdachte] heeft geprobeerd de verzekering op te lichten, vindt verder steun in de volgende WhatsApp-gesprekken die de politie op [medeverdachte] telefoon heeft aangetroffen:

( [verdachte] = [verdachte] en [medeverdachte] = [medeverdachte] ):

30-5-2013: [verdachte] : Tmm ik loop nu na unive en ik bel zo voor ticket naar duitsland

[medeverdachte] : Goed broer dankjewel

[verdachte] : Bro ben nu verzekerd ik heb voorwaarders op papier laat me wetrn als je kla ben

[medeverdachte] : Ok broer super gedaan wat koste dat14

4-6-2013: [verdachte] : Bro papieren van unive is ook binne15

Uit bovenstaande WhatsApp-gesprekken volgt dat verdachte in overleg met [medeverdachte] de aansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten.

9-6-2013 [verdachte] : Laat ma weten wanneer ik langs moet komen

[medeverdachte] : Aan komende week doen we verzekering broer16

10-6-2013 [verdachte] : Bro hoe is het

[medeverdachte] : Broer gaat lekker en met jou

[verdachte] : Ja goed ben je druk?

[medeverdachte] : Heb ff paard weg gebracht naar babberich broer

[verdachte] : Bro heb je zin in terrasje te pakken of friol?

[medeverdachte] : Broer ik ben net pas klaar met werk laten we dat morgen samen doen na het werk

[verdachte] : Oke bro tot morgen

[medeverdachte] : Goed broer ik hou van je

[verdachte] : Ik ook van jou tot morgen bro

[medeverdachte] : Tot morgen broer17

Dit laatste gesprek heeft plaatsgevonden op de dag van het vermeende ongeluk, tussen 14.00 uur en 19.39. Er wordt met geen woord gerept over een ladder of over een (dood) paard.

Ook in het eerste gesprek hierna, vier dagen later, valt het woord paard niet één keer.

19-6-2013: [verdachte] : ik moet ook ff trap zien bij jou18

25-6-2013: [medeverdachte] : Hey broer expert heeft ook nog gebeld

[medeverdachte] : Komt allemaal goed19

21-7-2013 [verdachte] : Bro morgen is de dag he

(…)

[medeverdachte] : Tuurlijk broer ik hou altijd vol

[medeverdachte] : Ja goed je best doen morgen broer

[verdachte] : Hoelaat kom je

[medeverdachte] : Rond half 11 ben ik terug broer

[verdachte] : Vandaag of morgen?

[medeverdachte] : Vandaag broer

[verdachte] : Oke

[verdachte] : Moet ik nog wat toevoegen voor morgen

[medeverdachte] : Nee zeggen dat je perongeluk de trap liet vallen dat je hem niet meer houden kon

[medeverdachte] : Bruin paard

[medeverdachte] : Bloed uit mond en oren

[verdachte] : Oke

[medeverdachte] : Paard ging helemaal rare bewegingen maken

[verdachte] : Oke

[medeverdachte] : en je zag hem dood gaan

[verdachte] : Tmm

[medeverdachte] : Ik ben een kennis van een vriend van jou

[verdachte] : Oke20

Zoals reeds eerder vastgesteld, zijn verdachte en [medeverdachte] de dag na het laatste gesprek door onderzoekers namens Univé geïnterviewd.

[medeverdachte] heeft verklaard dat het laatste gesprek inhield dat verdachte gewoon zijn verhaal moest vertellen, omdat de vragen van de onderzoekers hem druk gaven. Verdachte heeft hier ter terechtzitting over verklaard dat hij weinig ervaring had met verzekeringen en dat [medeverdachte] hem daarom nog een keer uitlegde wat hij moest vertellen. De rechtbank acht die verklaring niet geloofwaardig. Verdachte zou immers als veroorzaker van het ongeval gewoon kunnen vertellen wat hij had gezien en zou niet hoeven te worden ingelicht over de toedracht van het ongeval en zelfs de kleur van het betrokken paard.

Er is dan ook geen andere conclusie mogelijk dan dat [medeverdachte] verdachte instrueert om zijn verhaal in overeenstemming te brengen met het verhaal dat verdachte zou gaan vertellen, temeer daar zelfs wordt afgestemd wat hun relatie tot elkaar is, kennelijk om niet de indruk te wekken dat verdachte en [medeverdachte] een hechte familierelatie hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat verdachte en [medeverdachte] tezamen en in vereniging hebben geprobeerd Univé op te lichten. De oplichting vond plaats in nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] , zo blijkt uit de WhatsApp-gesprekken. En verdachte had daarin een wezenlijk aandeel. Hij sloot de verzekering af, claimde de schade en vertelde (meermaals) het verzonnen verhaal aan de verzekeraar. Dat hij niet wist om welk paard het ging, doet niet terzake, nu de rechtbank er vanuit gaat dat er helemaal geen paard is overleden door toedoen van verdachte op 10 juni 2013.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 30 mei 2013 tot en met 22 oktober 2013 in Gaanderen, gemeente Doetinchem, en/of in Doetinchem, en/of Assen en/of Groenlo, athans (elders) in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Verzekeringmaatschappij Univé Verzekeringen (N.V. Univé Schade) te bewegen tot afgifte van een hoeveelheid geld en/of uitkering van enig schadebedrag, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk, -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

-op 12 juni 2013 telefonisch aan voornoemde verzekeringmaatschappij gemeld dat een paard genaamd [naam 1] was overleden en/of

-een schadeformulier ingevuld of laten invullen en/of ondertekend of laten ondertekenen en/of (laten) voorzien van (een) handtekening en/of (vervolgens) doen toekomen of laten toekomen en/of verzonden of laten verzenden, in elk geval ingediend aan/bij Verzekeringsmaatschappij Univé Verzekeringen en/of

-in dit schadeformulier aangegeven en/of laten aangeven dat een paard genaamd [naam 1] was overleden en/of

-op 24 juni 2013 telefonisch aan voornoemde verzekeringmaatschappij gemeld dat een paard genaamd [naam 1] was overleden en/of

-op 22 juli 2013 en/of op 4 september 2013 in interviews, uitgevoerd door EMN Forensic B.V. in opdracht van voornoemde verzekeringmaatschappij, medegedeeld dat een paard genaamd [naam 1] was overleden en/of

-aan EMN Forensic B.V., die handelde in opdracht van voornoemde verzekeringmaatschappij, een factuur van firma Rendac doen toekomen en/of overlegd ten bewijs dat het kadaver van [naam 1] door Rendac is opgehaald terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van poging tot oplichting

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 100 uren werkstraf, te vervangen door 50 dagen hechtenis, waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis voorwaardelijk.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht in geval van bewezenverklaring geen onvoorwaardelijke straf op te leggen, vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft ook gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 31 juli 2018.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot oplichting van een verzekeringsmaatschappij. Dit is een kwalijk feit, dat voor de betrokken verzekeringsmaatschappij veel werk heeft veroorzaakt. Verzekeringsfraude heeft tot gevolg dat verzekeringspremies uiteindelijk hoger worden, omdat verzekeringsmaatschappijen hun risico’s financieel zullen willen afdekken. In die zin heeft verdachte met zijn gedrag de samenleving in zijn geheel benadeeld. Naar het oordeel van de rechtbank past bij een dergelijk feit geen voorwaardelijke straf. De rechtbank acht de eis van de officier van justitie dan ook op zijn plaats. De rechtbank zal op het onvoorwaardelijke deel 10 uren in mindering brengen in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij N.V. Univé Schade heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.201,66 voor gemaakte onderzoekskosten in verband met de door verdachte ingediende claim.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 42 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de vordering af te wijzen. Volgens de verdediging is de schade geen rechtstreeks gevolg van de poging tot oplichting en zijn de kosten van het onderzoek niet door verdachte veroorzaakt.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is er wel degelijk causaal verband tussen de schade en het gepleegde feit. Wanneer verdachte en zijn medeverdachte geen valse claim hadden ingediend, had Univé immers geen onderzoek hoeven te doen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de schade voldoende onderbouwd, zodat de vordering zal worden toegewezen. De rechtbank zal deze vordering hoofdelijk toewijzen, omdat verdachte de schade samen met medeverdachte [medeverdachte] heeft veroorzaakt. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 7 december 2013, de datum waarop de factuur aan EMN uiterlijk door Univé betaald moest zijn.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 47 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een werkstraf gedurende 90 (negentig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 (vijfenveertig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de werkstraf groot 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij N.V. Univé Schade

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 4 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij N.V. Univé Schade van een bedrag van € 3.201,66 (drieduizendtweehonderdeen euro en zesenzestig cent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij N.V. Univé Schade een bedrag te betalen van € 3.201,66 (drieduizendtweehonderdeen euro en zesenzestig cent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 42 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Keijzer (voorzitter), mr. J.M. Klep en mr. J.H. Steverink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen en mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 september 2018.

mr. C.T.P.M. van Aarssen is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam 6] van de politie Oost Nederland, Team Financieel-economische Criminaliteit, opgemaakte proces-verbaal, Onderzoek ONRBB15001 Keyboard, zaak 3 [naam 1] , AH0638, gesloten op 8 februari 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Aanvraag aansprakelijkheidsverzekering (A03.01-003), p. 26-28.

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 13 (A03.01); formulier schademelding, p. 30 (A03.01-005).

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 13 (A03.01).

5 Onderzoek EMN inhoudende interview [medeverdachte] , p. 44-47.

6 Proces-verbaal van aangifte, p. 14 (A03.01) en factuur Rendac aan [medeverdachte] , p. 69.0.

7 Aanvullend proces-verbaal van bevindingen 2 december 2016 (AH085), p. 2 en de bijlagen bij dat proces-verbaal; de print-screen van Rendac Son B.V., de factuur van Rendac Son B.V. d.d. 12 juli 2013 en het ophaaloverzicht van Rendac Son B.V. (met afdrukdatum 13 september 2016).

8 Uitdraai uitslagenlijst FEI, p. 108, 109 en 110.

9 Uitdraai internetpagina’s, p. 96, 97, 98 en 118.

10 Uitdraai resultaten, p. 102.

11 Rapport toedrachtonderzoek Confid Assistance Agency d.d. 14 oktober 2014 (A03.01-012), p. 128.

12 Proces-verbaal verhoor [naam 2] bij de rechter-commissaris.

13 Uitdraai uitslagenlijst, p. 108, 109 en 110.

14 Uitdraai WhatsApp-berichten gsm [medeverdachte] (B02.01.003) p. 197.

15 Uitdraai WhatsApp-berichten gsm [medeverdachte] (B02.01.003) p. 198.

16 Uitdraai WhatsApp-berichten gsm [medeverdachte] (B02.01.003) p. 198.

17 Uitdraai WhatsApp-berichten gsm [medeverdachte] (B02.01.003) p. 199.

18 Uitdraai WhatsApp-berichten gsm [medeverdachte] (B02.01.003) p. 200.

19 Uitdraai WhatsApp-berichten gsm [medeverdachte] (B02.01.003) p. 200.

20 Uitdraai WhatsApp-berichten gsm [medeverdachte] (B02.01.003) p. 202