Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4063

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
05/820009-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 38-jarige man uit Arnhem veroordeeld voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval en het rijden onder invloed van een te hoge hoeveelheid alcohol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/820009-17

Datum uitspraak : 21 september 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Raadsman: mr. G. Altena, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 september 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 25 januari 2017 te Arnhem in de gemeente Arnhem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Arnhem en/of gaande in de richting van Duiven, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A12,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

onder invloed van alcohol, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke

hoeveelheid alcoholhoudende drank,

aldaar heeft gereden met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur, althans een snelheid gelegen tussen de 122 en 173 km/u, in elk geval met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte maximum toegestane snelheid van 100 kilometer per uur en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand die

hij, verdachte die weg (de Rijksweg A12) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Rijksweg A12) en/of

met dat motorrijtuig (personenauto) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor hem, verdachte uit op die weg (de Rijksweg A12) langzamer rijdend ander motorrijtuig (personenauto)

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ( [slachtoffer] )werd gedood en/of

terwijl verdachte verkeerde in een toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt, doordat hij, verdachte een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

Subsidiair

hij op of omstreeks 25 januari 2017 te Arnhem in de gemeente Arnhem, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Arnhem en/of gaande in de richting van Duiven, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A12, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur, althans een snelheid gelegen tussen de 122 en 173 km/u, in elk geval met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte maximum toegestane snelheid van 100 kilometer per uur en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Rijksweg A12) en/of

met dat motorrijtuig (personenauto) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor hem, verdachte uit op die weg (de Rijksweg A12) langzamer rijdend ander motorrijtuig (personenauto),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 25 januari 2017 te Arnhem in de gemeente Arnhem als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,85 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

2a. Bewijsuitsluiting 1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de resultaten uit het bloedonderzoek niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Daartoe is aangevoerd dat het bij verdachte afgenomen bloedonderzoek niet kan worden aangemerkt als een onderzoek in de zin van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Volgens de verdediging heeft de politie niet gehandeld conform de wettelijke voorschriften, nu er geen SIN-sticker op het proces-verbaal is geplakt. Bovendien bestaat over de gang van zaken te veel onduidelijkheid, omdat het aanvraagformulier voor het bloedonderzoek is ondertekend door een andere verbalisant dan degene die heeft verklaard de identificatiesticker op het proces-verbaal te hebben geplakt. Tot slot stelt de verdediging dat in het dossier ook geen bescheid is aangetroffen waarin staat dat de resultaten van het onderzoek aan verdachte zijn medegedeeld, zoals vereist in artikel 20 van de Regeling urine- en bloedonderzoek 2005 (hierna: RBUo 2005).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat geen sprake is van een onrechtmatigheid in de procedure van het bloedonderzoek. Daartoe is aangevoerd dat op het aanvraagformulier SIN-stickers zijn geplakt met daarop de naam van verdachte. Diezelfde SIN-stickers zitten ook op het NFI-rapport waarin de uitslag van het bloedonderzoek vermeld staat. Verder maakt het feit dat de ene verbalisant verklaart de stickers te hebben geplakt, terwijl de ander dat heeft gedaan niet het hele bloedonderzoek ondeugdelijk. Tot slot stelt de officier van justitie dat de resultaten van het bloedonderzoek aan verdachte zijn medegedeeld in zijn verhoor van 14 juni 2017.

Beoordeling door de rechtbank

Proces-verbaal rijden onder invloed

Uit het proces-verbaal van rijden onder invloed blijkt dat verdachte op 25 januari 2017 om 00.36 uur heeft meegewerkt aan een voorlopig ademonderzoek. Het ademtestapparaat gaf een alcoholindicatie aan van F (570 µg/l of meer). Er werd verdachte niet bevolen zijn medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Immers kon hij niet blazen wegens gekneusde ribben. Verdachte verleende daarop zijn toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW. Op 25 januari 2017 om 03.00 uur heeft een arts bloed van verdachte afgenomen. Dit bloedmonster is, volgens het proces-verbaal, door verbalisant [verbalisant 1] overeenkomstig het bepaalde in de Regeling bloed- en urineonderzoek (hierna: RBUo 2005), gewaarmerkt, direct verpakt en verzegeld, alsmede is het bloed afnameformulier voorzien van een genummerde en op naam gestelde analysesticker met het nummer TAAO6468NL. Eveneens zou hij de corresponderende analysesticker op voormeld proces-verbaal hebben aangebracht. [verbalisant 1] heeft zich er vervolgens van vergewist, dat het bloedmonster overeenkomstig het bepaalde in de Regeling bloed- en urineonderzoek verzonden is naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in Den Haag.

Verder wordt in het proces-verbaal opgemerkt dat [verbalisant 1] niet ter plaatse is geweest op de plaats van het ongeval. Verbalisant [verbalisant 2] is wel aanwezig geweest en hij is onder andere doende geweest met het vorderen van een legitimatiebewijs en het vorderen van medewerking aan het blazen in een alcohol-indicatieapparaat. Tot slot wordt in corrigerende zin in het proces-verbaal vermeld dat de SIN-sticker abusievelijk niet op het proces-verbaal is geplakt.

Rechtmatigheid bloedonderzoek

Vooropgesteld dient te worden dat het onderzoek naar het bloedalcoholgehalte door de wetgever is omringd met een aantal strikte waarborgen. De maatregelen die erop toezien dat het bloed dat wordt onderzocht ook het bloed van verdachte is, behoren tot die waarborgen. Indien dergelijke maatregelen niet strikt worden nageleefd, levert dat de kans op – hoe klein ook – dat de identiteit van de verdachte en het opgestuurde bloed minder vaststaan dan wanneer de maatregel wel strikt wordt nageleefd. Indien een dergelijk geval zich voordoet kan niet meer gezegd worden dat er sprake is geweest van een onderzoek in de zin van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b WVW.

Voornoemde waarborgen zijn onder meer neergelegd in de op 25 januari 2017 geldende RBUo 2005. Tot die waarborgen behoort onder meer naleving van het in artikel 6 van voormelde regeling neergelegde vereiste dat de opsporingsambtenaar een identiteitszegel op het tegen de verdachte opgemaakt proces-verbaal en op het aanvraagformulier ten behoeve van toxicologisch onderzoek van bloed dient aan te brengen dat correspondeert met een genummerd en op naam gesteld identiteitszegel waarvan de van de verdachte verzamelde bloedmonsters zijn voorzien. De rechtbank ziet zich in onderhavige zaak voor de vraag gesteld of voornoemde bepaling is geschonden en, zo ja, welke consequenties dit moet hebben voor de zorgvuldigheid en betrouwbaarheid van het betreffende bloedonderzoek.

Nu reeds uit het proces-verbaal van rijden onder invloed kan worden vastgesteld dat de SIN-sticker daarop ontbreekt, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een onrechtmatigheid in het bloedonderzoek en dus ook van een onherstelbaar vormverzuim. De rechtbank gaat verderop nader in op de consequenties van dit vormverzuim.

Verder is de rechtbank, met de verdediging, van oordeel dat door de verbalisanten ongelukkig is geverbaliseerd in voormeld proces-verbaal van rijden onder invloed. Dit neemt echter niet weg dat voor de rechtbank voldoende duidelijk is wat er is gebeurd vanaf het moment dat bloed is afgenomen tot het rapport van het NFI en welke handelingen uiteindelijk door de verschillende verbalisanten in het tussenliggende traject zijn verricht, zodat de rechtbank hier geen nadere gevolgen aan zal verbinden. Tot slot verwijst de verdediging naar artikel 20 RBUo 2005, waarin zou staan dat de resultaten na het bloedonderzoek aan verdachte moeten worden medegedeeld. Nog daargelaten dat een artikel met dit nummer in voormelde regeling niet bestaat - de onderhavige regeling kent slechts 17 artikelen - , stelt de rechtbank vast dat de resultaten van het bloedonderzoek nadat deze bekend waren wel degelijk aan verdachte zijn medegedeeld, zoals blijkt uit zijn verhoor van 14 juni 2017, zodat dit verweer gepasseerd wordt.

Gevolg van het geconstateerde verzuim

Door de verdediging is aangegeven dat verdachte door het geconstateerde verzuim onvoldoende kan vertrouwen op het feit dat daadwerkelijk zijn bloed is onderzocht door het NFI. Dit is een belang dat door artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt beschermd. De rechtbank ziet zich aldus voor de vraag gesteld of en zo ja, welk rechtsgevolg aan dit verzuim verbonden moet worden en overweegt als volgt. In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van rijden onder invloed, waarop de SIN-sticker geplakt had moeten worden, wordt het nummer dat op de SIN-sticker op het aanvraagformulier staat (TAAO6468NL) wel genoemd. Dit SIN-nummer komt overeen met het nummer op de SIN-stickers op het aanvraagformulier dat naar het NFI is gezonden en komt wederom terug in het rapport van het NFI waarin de resultaten van het bloedonderzoek worden weergegeven. Tot slot worden in het proces-verbaal van 25 januari 2017, op het aanvraagformulier en in het rapport van het NFI telkens de juiste naam en geboortedatum van verdachte bij het SIN-nummer genoemd. Daarmee bestaat bij de rechtbank geen twijfel over de relatie tussen enerzijds de identiteit van verdachte en anderzijds het bij verdachte afgenomen en het door het NFI onderzochte bloed. De rechtbank is, gelet daarop, van oordeeldat verdachte er geen enkel nadeel heeft ondervonden van de omstandigheid dat op het proces-verbaal van 25 januari 2017 geen SIN-sticker is geplakt, zodat zij hier geen rechtsgevolgen aan zal verbinden. De resultaten van het bloedonderzoek zullen derhalve meewegen voor het bewijs.

2b. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 25 januari 2017 reed verdachte, als bestuurder van een personenauto, over de Rijksweg A12, komende vanuit Arnhem, gaande in de richting van Duiven .2 Ter hoogte van Arnhem (hm-paal 133,7) is verdachte omstreeks 00.05 uur tegen een andere personenauto aan gereden.3 De bestuurder van deze personenauto, [slachtoffer] , is na dit ongeval met ernstig hersenletsel naar het Rijnstate Ziekenhuis vervoerd en – op 26 januari 2017 – overleden.4 De maximaal toegestane snelheid op de Rijksweg A12 bedraagt 100 km/u.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 tenlastegelegde.

Daarnaast heeft de officier van justitie gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1, primair tenlastegelegde. De officier van justitie is daarbij van mening dat verdachte zeer onvoorzichtig en onachtzaam heeft gereden.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 2 stelt de verdediging dat verdachte moet worden vrijgesproken, nu het bloedonderzoek onrechtmatig heeft plaatsgevonden en aldus niet kan worden vastgesteld dat verdachte met een te hoog alcoholpromillage zijn voertuig heeft bestuurd.

De verdediging stelt zich ten aanzien van feit 1 primair op het standpunt dat de zaak moet worden aangehouden, zodat de oorzaak van het dodelijk hersenletsel van [slachtoffer] nader kan worden onderzocht. Daartoe bestaat volgens de verdediging aanleiding omdat volgens verdachte [slachtoffer] ineens naar links uitweek en hij volgens zijn raadsman mogelijk slechts 35 km per uur reed, hetgeen de verdediging ontleent aan de grafische weergave van de snelheidsbepaling door het NFI (de puntenwolk). Op grond hiervan kan volgens de verdediging niet worden uitgesloten dat [slachtoffer] door een natuurlijke hersenaandoening op de snelweg bewusteloos is geraakt en wellicht daardoor ook erg langzaam heeft gereden en is uitgeweken. Indien dat het geval is, is het ongeval aan geen enkele vorm van schuld van verdachte te wijten.

Subsidiair stelt de verdediging dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval in de zin van artikel 6 (primair), dan wel artikel 5 (subsidiair) WVW heeft veroorzaakt. Uitgangspunt is opnieuw dat [slachtoffer] plotseling met een veel lagere snelheid naar de linker rijbaan kwam, alwaar verdachte hem aan het inhalen was. Op het moment van deze manoeuvre kon verdachte zijn voertuig logischerwijs niet meer op tijd tot stilstand brengen en reed hij tegen het voertuig van [slachtoffer] aan. Daarbij is ook niet uit te sluiten dat het linker achterlicht van de auto van [slachtoffer] niet brandde, waardoor hij dus ook niet goed zichtbaar was voor verdachte. Verder heeft het bloedonderzoek onrechtmatig plaatsgevonden, zodat niet kan worden vastgesteld dat verdachte met te veel alcohol op in zijn auto heeft gereden. Tot slot staat niet vast dat verdachte de maximaal toegestane snelheid in ernstige mate heeft overschreden. Hij verklaart zelf met een snelheid van maximaal 100 km/u te hebben gereden. In het VOA rapport wordt van een snelheid van 122 km/u uitgegaan, hetgeen slechts een zeer geringe overschrijding is van de maximaal toegestane snelheid.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 2: rijden onder invloed

De rechtbank is reeds ingegaan op de rechtmatigheid van het bloedonderzoek en heeft geoordeeld dat zij de resultaten van dit onderzoek zal meewegen voor het bewijs.

Vaststaat dat verdachte op 25 januari 2017 omstreeks 00.05 uur als bestuurder van een personenauto ter hoogte van Arnhem op de Rijksweg A12 heeft gereden.

Omstreeks 00.36 op 25 januari 2017 heeft verdachte bij een voorlopig ademonderzoek een F geblazen, te weten 570 µg/l of meer. Omstreeks 03.00 uur is bij verdachte een bloedmonster afgenomen (TAAO6468NL).6 In het bloed van verdachte is een ethanolconcentratie gemeten van 0,85 mg/ml.7 De rechtbank concludeert dat dit meer is dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol van 0,5 mg/ml.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan rijden onder invloed van alcohol in de zin van artikel 8 WVW.

Ten aanzien van feit 1: het veroorzaken van een verkeersongeval

Schuld in de zin van artikel 6 WVW

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822). Dat brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van genoemde bepaling. Voorts kan niet reeds uit de aard van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

De plek van het ongeval

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 25 januari 2017 omstreeks 00.00 uur op de A12 ter hoogte van Arnhem op zo’n 500 á 600 meter achter twee voertuigen reed. Hij zag dat deze twee voertuigen op de rechterrijstrook reden, en dat het achterste voertuig het voorste voertuig ramde.8 De rechtbank stelt vast dat [getuige] het ongeval heeft gezien dat tussen verdachte en [slachtoffer] heeft plaatsgevonden, nu er geen aanwijzingen zijn voor een ander verkeersongeval op exact dezelfde datum, tijd en plaats.

Er is verder onderzoek gedaan naar alle sporen op de plaats van het verkeersongeval tussen verdachte en [slachtoffer] . Daaruit bleek dat op de rechterrijstrook een bandenspoor is aangetroffen dat zeer waarschijnlijk afkomstig was van het linker achterwiel van de [merk auto 1] (de auto van [slachtoffer] ), dat ingeklemd werd door de aanrijding. Het krasspoor ongeveer in het midden van de rechterrijstrook, was waarschijnlijk afkomstig van de gedeformeerde onderzijde van de [merk auto 1] .9 Daarnaast is het zogenoemde splinterveld, afkomstig van de glassplinters van de gesprongen ruiten van de [merk auto 1] , uitsluitend op de rechterrijstrook te vinden en niet op de linkerrijstrook, waar volgens verdachte de aanrijding zou hebben plaatsgevonden, terwijl de slipsporen van de beide auto’s eveneens uitsluitend vanaf de rechterrijstrook richting berm te traceren zijn10.

De rechtbank is van oordeel dat de getuigenverklaring van [getuige] en het sporenbeeld uitsluiten dat het ongeval op de linkerrijstrook heeft plaatsgevonden en concludeert aldus dat het ongeval zich op de rechterrijstrook heeft afgespeeld.

Het linker achterlicht van [slachtoffer]

Met de verdediging stelt de rechtbank vast dat de verlichtingsschakelaar van de [merk auto 1] in de stand ‘uitgeschakeld dimlicht’ werd aangetroffen. De gloeidraad van het achterlicht in de lamp van de rechter achterlichtunit, vertoonde echter sporen (uitgerekte gloeidraad), waaruit bleek dat deze vrijwel zeker licht uitstraalde op het moment van de aanrijding. De gloeidraad van het achterlicht in de lamp van de linker achterlichtunit was weg.11

Nu vrijwel zeker is dat het rechter achterlicht brandde op het moment van de aanrijding, ziet de rechtbank, ondanks de uitgeschakelde verlichtingsschakelaar en het feit dat de gehele linker achterlichtunit weg was, geen reden om eraan te twijfelen dat ook het linker achterlicht brandde, nu de achterlichten niet afzonderlijk kunnen worden geregeld. De rechtbank concludeert dan ook dat beide achterlichten van de personenauto van [slachtoffer] brandden op het moment van de aanrijding en dat de zichtbaarheid van [slachtoffer] geen oorzaak was van het ongeval.

Snelheden verdachte en [slachtoffer]

Vaststaat dat de maximaal toegestane snelheid op de Rijksweg A12 100 km/u is.

Ter terechtzitting van 7 september 2018 heeft verdachte verklaard dat hij met een snelheid van ongeveer 100 km/u reed.

Uit het rapport Snelheidsbepaling van het NFI van 21 augustus 2017 leidt de rechtbank af dat de snelheid van de auto van verdachte kort voor de botsing heeft gelegen tussen minimaal 122 km/u en maximaal 173 km/u.12 De rechtbank concludeert op grond hiervan dat verdachte de maximaal toegestane snelheid van 100 km/u in elk geval met (tenminste) 22 km/u heeft overschreden en acht de verklaring van verdachte dat hij 100 km/u heeft gereden dan ook niet aannemelijk.

Eveneens leidt de rechtbank uit dit rapport van het NFI af dat de snelheid van de auto van [slachtoffer] kort voor de botsing heeft gelegen tussen minimaal 35 km/u en maximaal 98 km/u.13 De beperkte uitleg namens verdachte dat bij de snelheid van 130 km/u die verdachte blijkens de tenlastelegging wordt verweten (welke snelheid verdachte zelf overigens ontkent) [slachtoffer] dus 35 km/u heeft gereden wordt verworpen. Immers, blijkens die grafische weergave zou [slachtoffer] in het geval dat verdachte 130 km/u heeft gereden ook een snelheid van ongeveer 75 km/u kunnen hebben gereden. De in de puntenwolk over de horizontale as weergegeven mogelijke snelheden van [slachtoffer] corresponderen immers met een snelheid gelegen tussen de 35 en ongeveer 75 m/u, uitgaande van de op de verticale as weergegeven snelheid van verdachte (van 130 km/u). Uit de puntenwolk in het NFI-rapport leidt de rechtbank af dat een hogere snelheid van [slachtoffer] dan 35 km/u waarschijnlijk is, gelet op de vastgestelde minimale snelheid van verdachte.14 Dit geldt te meer nu verdachte zelf heeft verklaard zich niets van de snelheid van [slachtoffer] te kunnen herinneren.15 Nu verdachte [slachtoffer] naar eigen zeggen met een snelheid van 100 km/u aan het inhalen was, zou hem immers op zijn minst moeten zijn opgevallen dat [slachtoffer] erg langzaam reed. Tot slot heeft getuige [getuige] ook niets verklaard over een zeer langzaam rijdend voertuig dat vervolgens betrokken was bij het ongeval.16

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat het niet aannemelijk is dat [slachtoffer] 35 km/u heeft gereden, zoals de verdediging stelt. Daarentegen staat het wel vast dat verdachte met minstens 22 km/u de maximaal toegestane snelheid heeft overschreden, terwijl op grond van de in de puntenwolk weergegeven snelheden van beide voertuigen in relatie tot het schadebeeld van de beide voertuigen een veel te hoge snelheid aan de kant van verdachte (tot 173 km/u) en een snelheid rond de maximaal toegestane snelheid aan de kant van [slachtoffer] (tot circa 100 km/u) niet onaannemelijk voorkomt. De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een aanmerkelijk grotere snelheid heeft gereden dan de geldende maximumsnelheid van 100 km/u.

Alcohol

Zoals de rechtbank reeds wettig en overtuigend heeft bewezen reed verdachte ten tijde van het verkeersongeval onder invloed van een meer dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol in zijn personenauto op de Rijksweg A12.

Alternatief scenario

De verdediging heeft als alternatief scenario aangevoerd dat verdachte op de linkerrijstrook [slachtoffer] aan het inhalen was en dat [slachtoffer] op dat moment – terwijl hij zeer langzaam reed – een plotselinge manoeuvre maakte naar de linkerrijstrook. Verdachte kon door deze manoeuvre volgens hem logischerwijs niet meer tijdig remmen, zodat hem geen enkel verwijt is te maken. De rechtbank is gelet op al het voorgaande en in het bijzonder gelet op de vaststelling dat het ongeval heeft plaatsgevonden op de rechterrijstrook en de conclusie dat [slachtoffer] niet (veel) te langzaam heeft gereden, van oordeel dat het aangevoerde alternatieve scenario wordt uitgesloten door de voormelde bewijsmiddelen. Nu het alternatief scenario voor het overige ook geen steun vindt in het dossier en verder niet is onderbouwd, acht de rechtbank dit niet aannemelijk.. De rechtbank verwerpt daarom het verweer. In dit oordeel licht besloten de verwerping van het betoog dat het schade-inpassing-beeld van beide auto’s geen 50 procent zou moeten bedragen17, maar 100 procent wanneer verdachte recht achterop de auto van [slachtoffer] zou zijn gereden. Daartoe is redengevend de bevinding van de verkeersongevallenanalyse dat naast de overlap van 50 procent de richting van de voertuigbeweging van de [merk auto 2] (verdachte) meer naar links was ten opzichte van de richting van de voertuigbeweging van de [merk auto 1] ( [slachtoffer] ). De meest voor de hand liggende verklaring is dat de bestuurder van de [merk auto 2] naar links stuurde (om uit te wijken).18 Deze toelichting correspondeert met de voor de rechtbank aannemelijke uitleg dat verdachte, bij een te hoge concentratie alcohol en een (veel) te hoge snelheid, het voertuig van [slachtoffer] te laat opmerkte en niet meer op tijd kon uitwijken.

Doodsoorzaak van [slachtoffer]

De verdediging houdt rekening met de mogelijkheid dat geen sprake is van een niet-natuurlijke doodsoorzaak, uitgaande van een onverwachte manoeuvre van [slachtoffer] naar links en een veel te lage snelheid van [slachtoffer] . Volgens de verdediging is tegen die achtergrond onvoldoende onderzoek gedaan naar deze mogelijkheid, zodat zij vraagt om aanhouding van de zaak met verwijzing naar de rechter-commissaris om dit nader te laten onderzoeken. Zoals reeds vastgesteld acht de rechtbank het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario niet aannemelijk. Met deze vaststelling is er voor de rechtbank ook geen reden om te veronderstellen dat [slachtoffer] wellicht een natuurlijke vorm van enig hersenletsel heeft opgelopen terwijl hij op de snelweg reed, zodat geen reden bestaat te twijfelen aan de bevindingen van de schouwarts dat sprake is van een niet-natuurlijke doodsoorzaak.19 De rechtbank wijst hiermee ook het aanhoudingsverzoek van de verdediging af.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] ten gevolge van het ongeval met verdachte is komen te overlijden.

Zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam

Ter terechtzitting van 7 september 2018 heeft verdachte verklaard dat de weg helemaal vrij was voor hem. Het enige dat hij nog weet is dat de auto van [slachtoffer] ineens voor hem kwam en dat hij een harde knal hoorde. Nu de auto van [slachtoffer] recht voor de auto van verdachte reed en niet is gebleken van omstandigheden waardoor het zicht verminderd was – in tegendeel, getuige [getuige] verklaarde dat hij 500 á 600 meter vooruit kon kijken, terwijl de rechtbank aannemelijk acht dat beide achterlichten van het voertuig van [slachtoffer] brandden –, acht de rechtbank bewezen dat verdachte niet goed heeft opgelet, althans niet is blijven opletten op het overige verkeer. Nu verdachte tevens heeft gereden na het gebruik van een te grote hoeveelheid alcohol en hij daarbij harder heeft gereden dan de toegestane maximumsnelheid van 100 km/u, is de rechtbank van oordeel dat verdachte daarmee zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam heeft gereden. Het ongeval is dan ook aan de schuld van verdachte te wijten. Hij is in zeer grote mate tekort geschoten in de zorgvuldigheid die van hem als bestuurder mocht worden verwacht.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde feit heeft begaan.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 (primair) en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 25 januari 2017 te Arnhem in de gemeente Arnhem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Arnhem en/of gaande in de richting van Duiven, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A12,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

onder invloed van alcohol, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke

hoeveelheid alcoholhoudende drank,

aldaar heeft gereden met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur, althans een snelheid gelegen tussen de 122 en 173 km/u, in elk geval met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte maximum toegestane snelheid van 100 kilometer per uur en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand die hij, verdachte die weg (de Rijksweg A12) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Rijksweg A12) en/of

met dat motorrijtuig (personenauto) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor hem, verdachte uit op die weg (de Rijksweg A12) langzamer rijdend ander motorrijtuig (personenauto)

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ( [slachtoffer] )werd gedood en/of

terwijl verdachte verkeerde in een toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt, doordat hij, verdachte een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

2.

hij op of omstreeks 25 januari 2017 te Arnhem in de gemeente Arnhem als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,85 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid onderdeel b en de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 primair en het onder feit 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis moet worden gematigd tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf. Daartoe is aangevoerd dat verdachte (nog steeds) erg aangeslagen is van de aanrijding, het heeft meer dan anderhalf jaar geduurd voordat de zaak ter terechtzitting kon worden behandeld, verdachte heeft een gezin en hij lijdt aan een depressie. Dit maakt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de persoon van verdachte niet veel goed zal doen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 19 juli 2018;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 8 augustus 2018.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval veroorzaakt als gevolg waarvan het slachtoffer, [slachtoffer] , is komen te overlijden. [slachtoffer] was een van de kinderen uit een groot gezin waarin hij blijvend een leegte zal achterlaten en hij was als een vader voor zijn nichtje. Bovendien was hij de tweede broer die het gezin is verloren aan een verkeersongeval. Zijn familie en vrienden zullen, zoals blijkt uit de indrukwekkende slachtofferverklaring van zijn zus, zijn aandacht, toewijding en zorg voor altijd missen. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij een motorrijtuig is gaan besturen nadat hij te veel alcohol had gedronken en daarbij ook nog eens de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden. Op verkeersdeelnemers rust te allen tijde een grote zorgplicht jegens overige verkeersdeelnemers. Verdachte is hierin vergaand tekort geschoten. Verdachte heeft daarmee zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de veiligheid van zijn medeweggebruikers onvoldoende in acht genomen.

De rechtbank houdt in het nadeel van verdachte rekening met zijn strafblad waaruit blijkt dat hij eerder in aanraking is gekomen wegens het rijden onder invloed (ofschoon de onherroepelijke veroordeling van de politierechter Roermond d.d. 5 juli 2006 geen recente relevante recidive oplevert) en het overschrijden van de maximumsnelheid, recentelijk in november 2017. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat deze eerdere contacten hem er niet van hebben weerhouden opnieuw onder invloed van alcohol en met overschrijding van de maximumsnelheid deel te nemen aan het verkeer.

Ondanks het feit dat verdachte ongetwijfeld zelf ook last heeft gehad van het verkeersongeval en het anderhalf jaar heeft geduurd voordat de zaak ter terechtzitting behandeld kon worden, kan naar het oordeel van de rechtbank – mede in het licht van de conclusies van het reclasseringsrapport van 8 augustus 2018 – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank zal aan verdachte dan ook een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden opleggen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren passend en geboden is.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 6, 8, 175, 176, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 wijst af het aanhoudingsverzoek dat door de verdediging ter terechtzitting is gedaan;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren;

 bepaalt, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. H.C. Leemreize en

mr. Y. van Wezel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 september 2018.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 2017038306, gesloten op 29 juni 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 100 en het proces-verbaal van onderzoek plaats delict, p. 39.

3 Het proces-verbaal van onderzoek plaats delict p.39 en de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 7 september 2018.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 25. en het schriftelijk bescheid, zijnde een verslag van de gemeentelijke lijkschouwer van 27 januari 2017, .

5 Het proces-verbaal onderzoek plaats delict, p. 39.

6 Het proces-verbaal van rijden onder invloed, p. 19 en 20.

7 Het schriftelijk bescheid, zijnde een rapport alcohol in het verkeer, p. 35.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 29 en 30.

9 Het proces-verbaal van onderzoek plaats delict, p. 43.

10 Het proces-verbaal van onderzoek plaats delict p.45 t/m 49.

11 Het proces-verbaal van voertuigonderzoek, p. 88.

12 Het NFI-rapport tot snelheidsbepaling, p. 9 van 12.

13 Het NFI-rapport totsnelheidsbepaling, p. 9 van 12.

14 Het NFI-rapport tot snelheidsbepaling, p. 10 van 12.

15 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 7 september 2018.

16 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 30.

17 Het proces-verbaal voertuigonderzoek p.61 en p.90 t/m 95.

18 Het proces-verbaal voertuigonderzoek p.61.

19 Het schriftelijk bescheid, zijnde een verslag van de gemeentelijk lijkschouwer,