Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4061

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
05/881803-16 + 05/740310-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeelt verdachte ter zake van oa afpersing, verduistering in dienstbetrekking, het doen van valse aangifte, mishandeling, diefstal, bedreiging met zware mishandeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van 240 uren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/881803-16 + 05/740310-17 (gev. ttz.)

Datum uitspraak : 21 september 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .

Raadsvrouw: mr. A.H.J. Raaijmakers, advocaat te Oisterwijk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 oktober 2017, 15 december 2017, 9 februari 2018, 2 maart 2018 en 7 september 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is onder parketnummer 05/881803-16 ten laste gelegd dat:

1.

A.

hij, op of omstreeks 7 oktober 2016 te Culemborg, gemeente Culemborg, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee en/of een hoeveelheid geld (van in totaal ongeveer 200 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een (keuken)mes, althans een scherp puntig voorwerp, heeft getoond aan die [slachtoffer 1] en/of voornoemd mes (dreigend) op die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of (vervolgens) tegen die [slachtoffer 1] heeft geroepen: 'Portemonnee! Portemonnee!' en/of 'Waar is die portemonnee?', althans woorden van soortgelijke (dreigende)

aard en/of strekking

en/of

B.

hij, op of omstreeks 7 oktober 2016 te Culemborg, gemeente Culemborg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee en/of een hoeveelheid geld (van in totaal ongeveer 200 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een (keuken)mes, althans een scherp puntig voorwerp, heeft getoond aan die [slachtoffer 1] en/of voornoemd mes (dreigend) op die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of

(vervolgens) tegen die [slachtoffer 1] heeft geroepen: 'Portemonnee! Portemonnee!' en/of 'Waar is die portemonnee?';

2.

hij, op of omstreeks 20 oktober 2016 te Culemborg, gemeente Culemborg, opzettelijk een hoeveelheid geld (van in totaal ongeveer 300 euro) en/of diverse etenswaren, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als bezorger/medewerker bij [slachtoffer 2] , in elk geval

anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

hij, op of omstreeks 20 oktober 2016 te Culemborg, gemeente Culemborg, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar ten overstaan van [naam 1] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, opzettelijk en in strijd met de waarheid een verklaring afgelegd inhoudende dat hij, verdachte, op 20 oktober 2016 te Culemborg, door twee onbekend gebleven personen met een mes is bedreigd en/of onder bedreiging van voornoemd mes is gedwongen een portemonnee

(met een inhoud van ongeveer 300 euro) en/of diverse etenswaren af te geven aan voornoemde personen en/of (aldus) slachtoffer was geworden van diefstal met geweld en/of afpersing, gepleegd door één of meerdere personen.

Aan verdachte is onder parketnummer 05/740310-17 ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 juni 2017 te Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte:

- zich naar [slachtoffer 5] heeft begeven en vervolgens deze snackbar is binnengaan en/of - (vervolgens) aan [slachtoffer 3] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft getoond en/of

- ( vervolgens) een tas en/of vuilniszak naar die [slachtoffer 3] heeft gegooid en heeft geroepen: 'vul met het geld', althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- ( vervolgens) achter [slachtoffer 3] aan is gerend in de richting van de keuken en/of

- ( vervolgens) stekende en/of snijdende en/of prikkende bewegingen heeft gemaakt met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 21 maart 2017 te Nijmegen, althans in Nederland, een persoon, te weten [slachtoffer 6] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 6] één of meermalen een kopstoot te geven tegen/op/in het gezicht, althans het hoofd en/of door hem één of meermalen te slaan en/of te stompen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd;

3.

hij op of omstreeks 23 maart 2017 te Nijmegen, gemeente Nijmegen, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen in/uit een kamerwoning (in het pand aan [adres 2] ), een hoeveelheid geld (ongeveer 20 euro) en/of één of meerdere horloge(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4.

hij op of omstreeks 23 maart 2017 te Nijmegen, gemeente Nijmegen, althans in Nederland, [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk (dreigend) een mes en/of een scherp en/of puntig voorwerp op de keel van [slachtoffer 6] gezet en/of (dreigend) een mes en/of een scherp en/of puntig voorwerp getoond en/of heeft hij (daarbij) opzettelijk voornoemde [slachtoffer 6] dreigend de woorden toegevoegd: "je vertelt nu waar het geld ligt, anders lig je in het ziekenhuis vanavond', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 05/881803-16 1

Bekennende verdachte

Ten aanzien van de volgende feiten is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt wat betreft die feiten volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1: de diefstal met geweld en/of afpersing

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , namens [slachtoffer 2] , p. 53 en 54;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 februari 2018.

Ten aanzien van feiten 2 en 3: verduistering in dienstbetrekking en het doen van valse aangifte

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] , namens [slachtoffer 2] , p. 9 t/m 11;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 25 en 26;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 februari 2018.

Ten aanzien van parketnummer 05/740310-17 2

Bekennende verdachte feit 1: de poging tot afpersing

Ten aanzien van feit 1 is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt wat betreft die feiten volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 10 t/m 12;

- het proces-verbaal van verhoor getuige, [slachtoffer 4] , p. 13 en 14;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 februari 2018.

Ten aanzien van feit 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 21 maart 2017 heeft verdachte in Nijmegen [slachtoffer 6] een kopstoot gegeven.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een mishandeling.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 9 februari 2018 verklaard dat hij [slachtoffer 6] niet echt heeft geslagen, maar dat hij [slachtoffer 6] een harde duw met zijn vuist in zijn gezicht heeft gegeven.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) hem twee kopstoten gaf, waarvan één tegen zijn voorhoofd en één tegen zijn neus. Verder heeft verdachte hem twee keer met gebalde vuist tegen de linkerkant van zijn gezicht geslagen.4

Deze verklaring van aangever vindt steun in het volgende.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte begon met slaan en het geven van kopstoten tegen [slachtoffer 6] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 6] ). De kopstoten kwamen op het hoofd van [slachtoffer 6] terecht.5 Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte [slachtoffer 6] drie kopstoten gaf die tegen het voorhoofd van [slachtoffer 6] aan kwamen.6

Gelet daarop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 6] heeft mishandeld door hem meermalen met gebalde vuist in zijn gezicht te slaan en door [slachtoffer 6] meerdere kopstoten te geven.

Bekennende verdachte feit 3: de diefstal

Ten aanzien van feit 3 is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt wat betreft dat feit volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] , p. 45;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 februari 2018.

Bekennende verdachte feit 4: de bedreiging

Ten aanzien van feit 4 is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt wat betreft dat feit volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] , p. 45;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 februari 2018.

3 Bewezenverklaring

De rechtbank acht ten aanzien van verdachte bewezen dat:

ten aanzien van parketnummer 05/881803-16:

1.

A.

hij, op of omstreeks 7 oktober 2016 te Culemborg, gemeente Culemborg, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee en/of een hoeveelheid geld (van in totaal ongeveer 200 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een (keuken)mes, althans een scherp puntig voorwerp, heeft getoond aan die [slachtoffer 1] en/of voornoemd mes (dreigend) op die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of (vervolgens) tegen die [slachtoffer 1] heeft geroepen: 'Portemonnee! Portemonnee!' en/of 'Waar is die portemonnee?', althans woorden van soortgelijke (dreigende)

aard en/of strekking

en/of

B.

hij, op of omstreeks 7 oktober 2016 te Culemborg, gemeente Culemborg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee en/of een hoeveelheid geld (van in totaal ongeveer 200 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een (keuken)mes, althans een scherp puntig voorwerp, heeft getoond aan die [slachtoffer 1] en/of voornoemd mes (dreigend) op die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of

(vervolgens) tegen die [slachtoffer 1] heeft geroepen: 'Portemonnee! Portemonnee!' en/of 'Waar is die portemonnee?';

2.

hij, op of omstreeks 20 oktober 2016 te Culemborg, gemeente Culemborg, opzettelijk een hoeveelheid geld (van in totaal ongeveer 300 euro) en/of diverse etenswaren, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als bezorger/medewerker bij [slachtoffer 2] , in elk geval

anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

hij, op of omstreeks 20 oktober 2016 te Culemborg, gemeente Culemborg, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar ten overstaan van [naam 1] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, opzettelijk en in strijd met de waarheid een verklaring afgelegd inhoudende dat hij, verdachte, op 20 oktober 2016 te Culemborg, door twee onbekend gebleven personen met een mes is bedreigd en/of onder bedreiging van voornoemd mes is gedwongen een portemonnee

(met een inhoud van ongeveer 300 euro) en/of diverse etenswaren af te geven aan voornoemde personen en/of (aldus) slachtoffer was geworden van diefstal met geweld en/of afpersing, gepleegd door één of meerdere personen.

Ten aanzien van parketnummer 05/740310-17:

1.

hij op of omstreeks 30 juni 2017 te Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte:

- zich naar [slachtoffer 5] heeft begeven en vervolgens deze snackbar is binnengaan en/of - (vervolgens) aan [slachtoffer 3] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft getoond en/of

- (vervolgens) een tas en/of vuilniszak naar die [slachtoffer 3] heeft gegooid en heeft geroepen: 'vul met het geld', althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- (vervolgens) achter [slachtoffer 3] aan is gerend in de richting van de keuken en/of

- (vervolgens) stekende en/of snijdende en/of prikkende bewegingen heeft gemaakt met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 21 maart 2017 te Nijmegen, althans in Nederland, een persoon, te weten [slachtoffer 6] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 6] één of meermalen een kopstoot te geven tegen/op/in het gezicht, althans het hoofd en/of door hem één of meermalen te slaan en/of te stompen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd;

3.

hij op of omstreeks 23 maart 2017 te Nijmegen, gemeente Nijmegen, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen in/uit een kamerwoning (in het pand aan [adres 2] ), een hoeveelheid geld (ongeveer 20 euro) en/of één of meerdere horloge(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4.

hij op of omstreeks 23 maart 2017 te Nijmegen, gemeente Nijmegen, althans in Nederland, [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk (dreigend) een mes en/of een scherp en/of puntig voorwerp op de keel van [slachtoffer 6] gezet en/of (dreigend) een mes en/of een scherp en/of puntig voorwerp getoond en/of heeft hij (daarbij) opzettelijk voornoemde [slachtoffer 6] dreigend de woorden toegevoegd: "je vertelt nu waar het geld ligt, anders lig je in het ziekenhuis vanavond', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 05/881803-16:

Afpersing

Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 05/881803-16:

Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft

Ten aanzien van feit 3 onder parketnummer 05/881803-16:

Aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het feit niet gepleegd is

Ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 05/740310-17:

Poging tot afpersing

Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 05/740310-17:

Mishandeling

Ten aanzien van feit 3 onder parketnummer 05/740310-17:

Diefstal

Ten aanzien van feit 4 onder parketnummer 05/740310-17:

Bedreiging met zware mishandeling

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 236 dagen met aftrek van de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met oplegging van de bijzondere voorwaarden meldplicht en klinische en ambulante behandeling met een proeftijd van drie jaren en een werkstraf voor de duur van 240 uren. Daartoe is aangevoerd dat het gaat om zeer ernstige feiten. Verder heeft verdachte in het afgelopen half jaar onder begeleiding een zeer positieve ontwikkeling doorgemaakt. Het is waarschijnlijk dat deze begeleiding, gelet op de problematiek van verdachte, langdurig noodzakelijk blijft om deze positieve ontwikkeling te kunnen voortzetten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de geëiste (voorwaardelijke) gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de werkstraf stelt de verdediging dat deze, gelet op de positieve ontwikkeling en de inzet van verdachte in het afgelopen half jaar en het overige deel van de geëiste straf, gematigd moet worden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 19 juli 2018;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 10 oktober 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 23 augustus 2018;

- een voortgangsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 24 augustus 2018;

- een monodisciplinair rapport van drs. [naam 3] , psycholoog, gedateerd 5 oktober 2017.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de volgende strafbare feiten. Hij heeft gepoogd cafetaria-eigenaren af te persen door hen te bedreigen met een mes en ze daarbij om geld te vragen, een cafetariabezorger daadwerkelijk afgeperst op dezelfde wijze, geld van zijn werkgever verduisterd, hiervan een valse aangifte gedaan en een medeflatbewoner in zijn eigen kamer mishandeld, bestolen en bedreigd. Door zo te handelen heeft verdachte anderen schade toegebracht. Bovendien heeft hij met zijn gedrag aangetoond geen enkel respect te hebben voor anderen dan wel voor hun eigendommen. Hij heeft puur gehandeld uit eigenbelang. De rechtbank acht voor deze feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.

Nu verdachte echter in het afgelopen half jaar hard aan zichzelf heeft gewerkt en daardoor ook een enorme positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, acht de rechtbank het niet passend deze ontwikkeling nu te doorkruisen door oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, langer dan de tijd reeds doorgebracht in voorlopige hechtenis. Daarom zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 236 dagen, te weten de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met aftrek van deze periode. Daarnaast legt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren op met een proeftijd van drie jaren waarin verdachte zich moet houden aan de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in het reclasseringsrapport van 23 augustus 2018, te weten een meldplicht, een klinische en een ambulante behandeling en begeleid wonen, zodat de door verdachte ingezette positieve ontwikkeling kan worden voortgezet. Tot slot acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden. Er bestaat geen grond tot matiging van de werkstraf, zoals verzocht, omdat met het opleggen van een werkstraf naast een voorwaardelijk strafdeel al voldoende rekening is gehouden met de positieve ontwikkeling die verdachte doormaakt.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding:

  • -

    05/881803-16 feit 1 de afpersing van [slachtoffer 1] : € 800,- (bestaande uit uitsluitend immateriële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2016;

  • -

    05/881803-16 feiten 1 en 2 afpersing en verduistering van [slachtoffer 2] : € 651,- (bestaande uit uitsluitend materiële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2016;

  • -

    05/740310-17 feit 1: de poging tot afpersing bij [slachtoffer 5] , [slachtoffer 3] :
    € 1.800,- (bestaande uit uitsluitend immateriële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2017;

  • -

    05/740310-17 feit 1: de poging tot afpersing bij [slachtoffer 5] , [slachtoffer 4] :
    € 1.750,- (bestaande uit uitsluitend immateriële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2017.

Alle benadeelde partijen verzoeken de rechtbank over te gaan tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op standpunt gesteld dat de vorderingen van benadeelden [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] volledige kunnen worden toegewezen, nu deze voldoende zijn onderbouwd en redelijk voorkomen met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde [slachtoffer 4] refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelden [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] moeten worden gematigd tot een bedrag van € 800,-. Daartoe is aangevoerd dat de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd, nu niet duidelijk is in hoeverre daadwerkelijk sprake is van psychische schade. Desalniettemin kan een bedrag worden toegewezen, omdat wel aannemelijk is dat het feit een angstige situatie voor benadeelden heeft opgeleverd.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (05/881803-16 feit 1)

De vordering is door de verdediging niet inhoudelijk betwist. Nu de vordering naar het oordeel van de rechtbank voldoende is onderbouwd en haar redelijk voorkomt, kan deze volledig – een bedrag van € 800,- – worden toegewezen.

De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 7 oktober 2016.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (05/881803-16 feiten 1 en 2)

De vordering is door de verdediging niet inhoudelijk betwist. Nu de vordering naar het oordeel van de rechtbank voldoende is onderbouwd en haar redelijk voorkomt, kan deze volledig – een bedrag van € 651,- – worden toegewezen.

De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 20 oktober 2016.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (05/740310-17 feit 1)

Gelet op de grote impact van het bewezenverklaarde feit acht de rechtbank het aannemelijk dat de benadeelde hiervan enige psychische schade – in de vorm van gevoelens van angst – heeft ondervonden. Eens te meer acht de rechtbank dit aannemelijk, omdat benadeelde zich in een zeer kwetsbare positie bevond op het moment van de poging tot overval, aangezien zij ongewapend was en voor verdachte naar de keuken moest vluchten. Bovendien was dit de derde keer in elf jaar is dat zij een (poging tot) overval heeft meegemaakt. Uit de stukken blijkt hoe groot de gevolgen hiervan zijn geweest en nog altijd zijn. Nu de psychische schade niet daadwerkelijk door een deskundige is vastgesteld, matigt de rechtbank de immateriële schade tot een, in redelijkheid begroot, bedrag van € 1.250,-.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 30 juni 2017.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (05/740310-17 feit 1)

Gelet op de grote impact van het bewezenverklaarde feit acht de rechtbank het aannemelijk dat de benadeelde hiervan enige psychische schade – in de vorm van gevoelens van angst – heeft ondervonden. Eens te meer acht de rechtbank dit aannemelijk, omdat dit de derde keer in elf jaar is dat benadeelde een (poging tot) overval heeft meegemaakt. Nu de psychische schade niet daadwerkelijk door een deskundige is vastgesteld en benadeelde zich in een veel minder kwetsbare positie bevond dan zijn vrouw – benadeelde [slachtoffer 3] –, matigt de rechtbank de immateriële schade tot een, naar redelijkheid begroot, bedrag van € 800,-.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 30 juni 2017.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . De gevorderde en toegewezen rente, zijn daar volgens de landelijke oriëntatiepunten niet bij inbegrepen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 45, 180, 285, 300, 310, 317, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en 236 dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 2 (twee) jaren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen drie dagen volgend op de uitspraak van de rechtbank telefonisch meldt bij de GGZ reclassering Limburg, van Vincent van Gogh, via telefoonnummer [nummer] . Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Daarbij moet veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering geeft;

- zich, op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling, laat opnemen binnen FPA Stevig, of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ. Waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven. Indien geïndiceerd, verleent veroordeelde zijn medewerking aan de door het NIFP-IFZ geïndiceerde overbruggingszorg;

- verblijft binnen een beschermde of begeleide woonvorm, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang als de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

- zich, indien geïndiceerd, laat behandelen voor de middelenproblematiek bij de verslavingszorg Vincent van Gogh of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

 heft op de bij beschikking van 5 maart 2018 bevolen schorsing van de voorlopige hechtenis.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (05/881803-16 feit 1)

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 (05/881803-16) tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 800,- (achthonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 800,- (achthonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 16 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (05/881803-16 feiten 1 en 2)

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feiten 1 en 2 (05/881803-16) tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 651,- (zeshonderdeenenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 651,- (zeshonderdeenenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 13 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (05/740310-17 feit 1)

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 (05/740310-17) tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], van een bedrag van € 1.250,- (twaalfhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , een bedrag te betalen van € 1.250,- (twaalfhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 25 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 4] (05/740310-17 feit 1)

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 (05/740310-17) tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] , van een bedrag van € 800,- (achthonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 4] , een bedrag te betalen van € 800,- (achthonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 16 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. Y. van Wezel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 september 2018.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 2017106541, gesloten op 9 maart 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 20170712.1010.4180, gesloten op 13 juli 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 9 februari 2018.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] , p. 44 en 45.

5 Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [getuige 1] , p. 107.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 49.