Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4057

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
01-10-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 410
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 84, vierde lid, van de Wet WIA. Besluit tot verhaal WGA-uitkering op garantsteller van eigenrisicodragende werkgever. De werkgever is opgehouden werkgever te zijn omdat het dienstverband van zijn enige werknemer is beëindigd en hij evenmin andere werknemers in dienst heeft (gehad). Hierdoor is verweerder op grond van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 84, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA gehouden de WGA-uitkering van ex-werknemer te betalen en vervolgens te verhalen op garantsteller.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 18/410

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2018

in de zaak tussen

Achmea Schadeverzekeringen N.V., te Apeldoorn, eiseres

(gemachtigde: mr. E.L.H.M. van Riel),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, te Alkmaar, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de WGA-uitkering over de maand juni 2017 van [naam] , (ex-)werknemer van werkgever E.M. Cobussen, h.o.d.n. Cobussen Wonen, verhaald op eiseres.

Bij besluit van 13 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en mr. J.E. Veldman (bedrijfsjurist). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Sinds 1 oktober 2009 is E.M. Cobussen, h.o.d.n. Cobussen Wonen (hierna: Cobussen) eigenrisicodrager voor de Werkhervattingsregeling Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (WGA).

Cobussen heeft het risico dat hij daardoor loopt voor de arbeidsongeschiktheid van haar (ex) werknemers bij eiseres verzekerd. In verband hiermee heeft eiseres op 2 november 2009 een garantieverklaring ondertekend, waarmee zij zekerheid heeft gesteld voor de verplichtingen van Cobussen en heeft verklaard dat zij de verplichtingen van Cobussen jegens verweerder zal nakomen. De enige werknemer van Cobussen, [naam] (hierna: [(ex)werknemer] ) is op 16 september 2014 ziek uitgevallen. Bij overeenkomst van 20 april 2016 is het dienstverband van [(ex)werknemer] met Cobussen met wederzijds goedvinden per 16 september 2016 beëindigd. Bij besluit van 10 augustus 2016 heeft verweerder aan [(ex)werknemer] een WGA-uitkering toegekend vanaf 13 september 2016. Met ingang van februari 2017 verhaalt verweerder de WGA-uitkering van [(ex)werknemer] niet meer op Cobussen, maar op eiseres als garantsteller.

2.1.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de WGA-uitkering van [(ex)werknemer] over de maand juni 2017 verhaald op eiseres, omdat Cobussen deze uitkering niet (meer) kan betalen en eiseres als garantsteller de betalingsverplichting van Cobussen heeft overgenomen.

2.2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd onder de gewijzigde motivering dat de WGA-uitkering van [(ex)werknemer] over de maand juni 2017 op eiseres wordt verhaald, omdat Cobussen is opgehouden werkgever te zijn. Daartoe heeft verweerder aangevoerd dat het dienstverband van [(ex)werknemer] bij Cobussen per 16 september 2016 is beëindigd. Hierdoor heeft Cobussen per deze datum geen werknemers meer, zodat hij is opgehouden te bestaan als werkgever. Zijn loonheffingsnummer is ook vervallen per deze datum. Nu Cobussen geen werkgever meer is per 16 september 2016 moet verweerder op grond van artikel 84, vierde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

(Wet WIA) de WGA-uitkeringen van (ex-)werknemers van Cobusssen verhalen op eiseres als garantsteller in de zin van artikel 40, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Dat er geen sprake zou zijn van betalingsonmacht bij Cobussen en dat de bedrijfsvoering van Cobussen niet zou zijn beëindigd, waardoor nog steeds op Cobussen verhaald zou kunnen worden, acht verweerder niet relevant, omdat het verhaal plaatsvindt op grond van artikel 84, vierde lid, van de Wet WIA. Deze bepaling schrijft dwingend voor dat er na het ophouden te bestaan als werkgever van de eigenrisicodrager verhaald moet worden op de garantsteller.

3. Eiseres voert aan dat het bedrijf van Cobussen volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel nog steeds bestaat en ook feitelijk actief is, zodat niet mag worden aangenomen dat Cobussen niet meer in staat is de kosten van de WGA-uitkering van [(ex)werknemer] te betalen. Hierdoor kan verweerder de WGA-uitkering van Janssen nog steeds verhalen op Cobussen, zodat er geen sprake is van een situatie zoals vermeld in artikel 40, tweede lid, van de Wfsv waarvoor eiseres garant staat. Eiseres stelt dat volgens de garantieverklaring vereist is dat de eigenrisicodrager-werkgever zelf eerst wordt aangesproken door verweerder om zijn verplichtingen na te komen. Pas als de eigenrisicodrager-werkgever dat niet doet, moet de garantsteller worden aangesproken. De garantieverklaring is bedoeld om situaties van betalingsonmacht van de eigenrisicodrager-werkgever op te vangen. In de onderhavige zaak heeft verweerder meteen eiseres als garantsteller aangesproken. Cobussen is als eigenrisicodrager-werkgever in het geheel niet aangesproken door verweerder om de kosten van de WGA-uitkering van [(ex)werknemer] over de maand juni 2017 te voldoen. Eiseres stelt dat voor deze situatie de garantstelling niet van toepassing is, zodat verweerder de kosten van de WGA-uitkering van [(ex)werknemer] over de maand juni 2017 niet op haar kan verhalen.

4. Volgens verweerder blijkt uit de toepasselijke wettelijke bepalingen dat als een bedrijf geen werknemers meer in dienstbetrekking heeft, hij geen werkgever meer is. Hij is dan opgehouden werkgever te zijn. In dat geval is verweerder gehouden de uitbetaalde WIA-uitkering te verhalen op de garantsteller op grond van artikel 84, vierde lid, van de Wet WIA. Hoe de eigenrisicodrager-werkgever en de verzekeraar het onderling regelen en verzekeren, valt buiten de verantwoordelijkheid van verweerder.

5. In geschil is of verweerder de WGA-uitkering van [(ex)werknemer] over de maand juni 2017 terecht op eiseres heeft verhaald.

6. De discussie tussen partijen over de verzending en ontvangst van de eerdere verhaalsbesluiten en de rappelbrieven is voor de beoordeling van de onderhavige zaak niet relevant. Deze zaak gaat immers alleen over het verhaalsbesluit dat betrekking heeft op de maand juni 2017.

7. In de artikelen 82 tot en met 87 van hoofdstuk 9 van de Wet WIA is het eigenrisicodragen door de werkgever geregeld. Artikel 84 van de Wet WIA bevat regels over de betaling bij eigenrisicodragen. In het vierde lid, aanhef en onder a, van artikel 84 van de Wet WIA is daarover, voor zover van belang, bepaald dat verweerder - bij eigenrisicodragen - de WGA-uitkering betaalt wanneer sprake is van één van de volgende situaties:

1. de eigenrisicodrager is in staat van faillissement verklaard;

2. ten aanzien van de eigenrisicodrager is de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing verklaard;

3. de eigenrisicodrager houdt op werkgever te zijn.

Verder is bepaald dat verweerder deze uitkering verhaalt op de bank of verzekeraar, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Wfsv.

8. In artikel 40 van de Wfsv zijn regels opgenomen over de toegang tot het eigenrisicodragerschap. In het tweede lid is bepaald dat een werkgever bij een aanvraag om eigenrisicodrager te worden een schriftelijke garantie overlegt waaruit blijkt dat een bank of een verzekeraar zich jegens verweerder verplicht, op het eerste verzoek van verweerder waarbij verweerder schriftelijk meedeelt dat de verplichtingen die voortvloeien uit het zelf dragen van het risico niet worden nagekomen, die verplichtingen na te komen. Hier heeft eiseres op

2 november 2009 een dergelijke garantieverklaring afgegeven voor Cobussen.

9. Uit artikel 40, tweede lid, van de Wfsv blijkt dat de garantie ziet op de verplichtingen van de werkgever die niet worden nagekomen. De tekst van de garantieverklaring vermeldt dat de garantsteller zal voldoen wat verweerder van de werkgever vordert, zodra verweerder verklaart dat de werkgever niet voldoet aan zijn verplichtingen. Ook hieruit valt af te leiden dat de zekerheidstelling is bedoeld voor situaties waarin de werkgever zijn verplichtingen niet nakomt, zoals bijvoorbeeld bij betalingsonmacht. Desondanks is de wettelijke grondslag voor het verhaal door verweerder op de garantsteller in artikel 84, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA vastgelegd. Met deze bepaling heeft de wetgever een verhaalsverplichting voor verweerder in het leven geroepen en daarmee een publiekrechtelijke bevoegdheid gecreëerd. Deze bevoegdheid is door de wetgever verder ingekleurd door de van overheidswege bepaalde garantieverplichting. Het verstrekken van de garantieverklaring leidt tot de publiekrechtelijke verplichting van verweerder om in de in artikel 84, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA genoemde gevallen de WGA-uitkering op de garanstellende verzekeraar of bank te verhalen.1 Deze bepaling is van dwingend recht, waarvan in beginsel niet kan worden afgeweken. Artikel 40, tweede lid, van de Wfsv en de tekst van de garantieverklaring geven geen aanleiding tot een ander oordeel.

10. Niet in geschil is dat Cobussen per 16 september 2016 is opgehouden werkgever te zijn omdat het dienstverband van zijn enige werknemer (Janssen) per die datum is beëindigd en hij per die datum evenmin andere werknemers in dienst heeft (gehad). Dit betekent dat verweerder op grond van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 84, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA gehouden is vanaf die datum de WGA-uitkering van Janssen te betalen en vervolgens te verhalen op de garantsteller, zijnde eiseres. Gelet hierop heeft verweerder de WGA-uitkering van Janssen over de maand juni 2017 terecht op eiseres verhaald.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Siragedik, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 20 september 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Vergelijk de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 1 februari 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:468 t/m 478.