Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4054

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
08-10-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 522
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:10478, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Negatief loon. Betaling op grond van beëindiging arbeidsconflict (vaststellingsovereenkomst). Niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van terugbetaling van in de belastingheffing betrokken salaris. Geen vertrouwen gewekt. Advocaatkosten niet aftrekbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-10-2018
V-N Vandaag 2018/2160
FutD 2018-2674 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2018/2588 met annotatie van S. Oosterbaan
NLF 2018/2386 met annotatie van Frank Werger
V-N 2018/66.2.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 17/522 en 17/523

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 21 september 2018

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.996 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.082. Daarnaast is bij beschikking € 230 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2013 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.402 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.009. Daarnaast is bij beschikking € 1.115 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 15 december 2016 de navorderingsaanslag, de aanslag en de beschikkingen belastingrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft op 14 augustus 2018 nadere stukken ingediend. Een afschrift hiervan is verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] , bijgestaan door [A] .

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en verweerder.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres was van 13 april 1998 tot 28 februari 2013 in dienstbetrekking bij [B] (hierna: [B] ). Tussen eiseres en [B] is een arbeidsconflict ontstaan. Volgens [B] heeft eiseres als directrice van [B] diverse betalingen verricht voor privédoeleinden. Volgens [B] ging het om een bedrag van € 366.109 (inclusief rente). Eiseres heeft dit bedrag betwist.

2. Ter beëindiging van hun geschil hebben partijen op 16 februari 2013 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin is onder meer het volgende vermeld:

“(…). overwegende als volgt:

(...)

(b) [B] heeft in oktober 2012 aanleiding gezien om een (voorlopig) onderzoek

te starten naar de werkzaamheden en gevoerde financieel beleid door mevrouw

[X] . Mevrouw [X] is daarbij op non actief gesteld.

(c) Uit het voorlopig onderzoek kwam naar voren dat er vanuit de zakelijk bankrekening

[B] door mevrouw [X] een fors aantal privé kosten ten behoeve van haar zijn voldaan.

(d) [B] heeft haar vordering op mevrouw [X] na afronding van een definitief

boekenonderzoek vastgesteld op € 366.109, te vermeerderen met de vervallen wettelijke rente vanaf 23 november 2012.

(e) [B] heeft het dienstverband met mevrouw [X] met inachtneming van

de opzegtermijn opgezegd tegen 28 februari 2013.

(...)

(g) [B] heeft het door haar verschuldigd loon tot einde dienstverband

verrekend met het openstaande bedrag tot de beslagvrije voet, het door haar

ingehouden bedrag is € 14.179,08 (netto) en het verschuldigd vakantietoeslag

ad € 1.874.

(...)

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1

1.1

Partijen stellen vast dat [B] een vordering op mevrouw [X] heeft

van € 150.000.

1.2

Mevrouw [X] verbindt zich om terzake een bedrag van € 150.000 als

hoofdsom aan [B] te betalen en wel op de navolgende wijze:

- uiterlijk vóór 1 april 2013 een bedrag van € 50.000;

- mevrouw [X] verbindt zich het resterende bedrag ad € 83.947 (te weten € 150.000 minus het verrekende bedrag van € 14.179,08, minus € 1.874 minus € 50.000) zo snel mogelijk af te betalen, met inachtneming van de navolgende afspraken:

(...)

Artikel 2

2.1

Het dienstverband met mevrouw [X] zal met ingang van 28 februari 2013

rechtsgeldig zijn beëindigd.

(...)

2.4

Terzake van de beëindiging van het dienstverband zullen partijen na

ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst een aparte

beëindigingsovereenkomst aangaan zodat eventuele rechten op ww door

mevrouw [X] zoveel mogelijk in stand zullen blijven. Als reden voor de

beëindiging zal bedrijfseconomische redenen worden aangevoerd”.

3. In een brief van 19 november 2012 van [C] (de advocaat van [B] ) aan eiseres is het volgende opgenomen:


“(…). Voorts is aan de orde gekomen dat u in ieder geval in 2010 en 2011 te veel salaris is uitbetaald, hetgeen cliënte eveneens terugbetaald wenst te zien. Als bijlage treft u hierbij een fotokopie aan van de brief van heden van de accountant met 5 bijlagen, waaruit blijkt dat dit over genoemde periode een bedrag van € 36.228,00 bedraagt. De teveel betaalde bedragen over de jaren 2007 tot en met 2009 en in 2012 zullen ook moeten worden berekend en zullen eveneens op u worden verhaald. (…).”

4. Eiseres heeft in haar aangifte IB/PVV voor 2012 een bedrag van negatief € 17.352 als resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: row) opgenomen. Dit bedrag bestaat uit ‘advocaatkosten ter verkrijging inkomen [C] B.V.’ van € 12.435 en ‘ [B] ’ € 4.917.

5. In de aangifte IB/PVV voor 2013 is negatief € 153.042 als row opgenomen, bestaande uit ‘advocaatkosten ter verkrijging inkomen [B] ’ € 1.103, ‘ [B]
€ 150.000 en ‘rente [B] ’ € 1.939.

6. Met dagtekening 20 mei 2016 heeft verweerder de aanslag IB/PVV voor 2013 vastgesteld. Daarbij is verweerder afgeweken van de aangifte door het door eiseres opgevoerde negatieve resultaat uit overige werkzaamheden (row) niet in aftrek toe te laten.

7. Met dagtekening 24 mei 2016 heeft verweerder een navorderingsaanslag IB/PVV voor 2012 opgelegd. Daarbij heeft hij het door eiseres opgevoerde negatieve row gecorrigeerd naar € 12.435 negatief.

Geschil

8. In geschil is of de betalingen die eiseres heeft gedaan aan [B] in aftrek kunnen worden gebracht als negatief loon. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres het bedrag van € 150.000 daadwerkelijk aan [B] heeft betaald. Ook doet eiseres een beroep op het vertrouwensbeginsel. Daarnaast is in geschil of de advocaatkosten van eiseres ter zake van haar geschil met [B] aftrekbaar zijn.

Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de advocaatkosten

9. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de advocaatkosten zijn gemaakt ter behoud van inkomen en daarom aftrekbaar zijn. De Wet IB 2001 biedt echter geen mogelijk tot aftrek van kosten van procedures tegen de werkgever in verband met een arbeidsconflict (vergelijk Hoge Raad 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4768).

Ten aanzien van de betaling aan [B]
10. Volgens eiseres moet de terugbetaling van € 150.000 aan [B] worden aangemerkt als terugbetaling van salaris en dus als negatief loon. Dit wordt door verweerder bestreden.

11. In artikel 3.81 van de Wet IB 2001 is bepaald dat onder loon moet worden verstaan loon overeenkomstig de bepalingen in de loonbelasting. In artikel 10, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is opgenomen dat loon al hetgeen is dat uit (vroegere) dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking. Het begrip loon omvat zowel positief als ook negatief loon. In het algemeen gezegd gaat het bij negatief loon om die gevallen waarin de werknemer is gehouden door hem verdiend loon aan de werkgever terug te betalen.

12. Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9906, volgt dat een terugbetaling aan de werkgever slechts negatief loon kan vormen indien en voor zover de positieve inkomsten in de belastingheffing betrokken zijn.

13. Op eiseres rust de bewijslast dit aannemelijk te maken. Hierin is zij niet geslaagd. Vooropgesteld dient te worden dat in de vaststellingsovereenkomst op geen enkele wijze een verband wordt gelegd met de terugbetaling van salaris. Aan deze overeenkomst ligt ten grondslag dat eiseres volgens [B] vanaf de zakelijke rekening voor een totaalbedrag van € 366.109 privé kosten heeft betaald. Om een eind aan het geschil te maken is eiseres met [B] overeengekomen dat zij € 150.000 zal voldoen.

14. Eiseres heeft ter zitting een toelichting gegeven op de gang van zaken met betrekking het bedrag van € 366.109. Volgens eiseres was de liquiditeitsverstrekking vanuit het hoofdkantoor in de USA ronduit slecht zodat zij genoodzaakt was om bijvoorbeeld de teruggave omzetbelasting te gebruiken voor de dagelijkse uitgaven van de vennootschap. Van het betalen van privé kosten is geen sprake geweest. Ze heeft zelfs herhaaldelijk eigen geld gebruikt om aan de betalingsverplichtingen van de onderneming te kunnen voldoen.
Hoewel deze verklaring een beeld schetst van de gang van zaken binnen de onderneming wordt hiermee op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat het door haar betaalde bedrag in de belastingheffing is betrokken. Ook de verklaring van eiseres dat zij onder druk akkoord is gegaan met de vaststellingsovereenkomst om ‘overal van af te zijn’ kan haar niet baten.

15. Volgens eiseres kan in de brief van 19 november 2012 (en de bijlagen) van [C] aan eiseres een aanwijzing worden gevonden dat (voor een deel) wel sprake is van terugbetaling van salaris. In deze brief is vermeld dat over 2010 en 2011

€ 36.118 te veel aan salaris is betaald. Over zes jaar (2007 tot en met 2012) is dit een bedrag € 108.684 volgens eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze brief echter niet dat (een deel van) het door eiseres betaalde bedrag van € 150.000 kan worden aangemerkt als te veel betaald en reeds in de belastingheffing betrokken salaris. Daarnaast komt uit de maandloon-berekening die als bijlage bij de genoemde brief is gevoegd naar voren dat het fiscale jaarloon van eiseres in de jaren 2010 en 2011 (€ 6.320,57 maal 12,96 =) € 81.914 bedraagt. Dit bedrag komt zo goed als overeen met de bedragen zoals opgenomen in de salarisspecificaties en is zelfs iets hoger. Het meerdere is dus fiscaal niet verantwoord door [B] . Voor zover de rechtbank al zou aannemen dat een verband bestaat tussen de terugbetaling en te veel ontvangen salaris bestaat, is hiermee nog steeds niet aannemelijk dat het terugbetaalde bedrag in de belastingheffing is betrokken.

Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel
17. Op 16 november 2016 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. In het hoorverslag is vermeld dat de afspraak is gemaakt dat “belanghebbende en haar adviseur zullen nazoeken of er nog stukken zijn, waaruit blijkt dat de terugbetalingen betrekking hebben op inkomen dat in het verleden als loon is belast”. Volgens eiseres kan hieruit worden opgemaakt dat verweerder ermee akkoord gaat dat de terugbetaling als negatief loon wordt aangemerkt.

18.
Volgens de rechtbank wordt met de aangehaalde zinsnede de afspraak weergegeven die kennelijk tijdens het hoorgesprek is gemaakt dat eiseres zal onderzoeken of er nog nadere stukken zijn die de stelling dat sprake is van negatief loon kunnen onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op geen enkele wijze een standpunt heeft ingenomen over de kwalificatie van de terug te betalen bedragen zodat de stelling van eiseres moet worden verworpen.

Slotoverwegingen

19. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

20. Omdat eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft aangevoerd, dient ook het beroep inzake de beschikkingen belastingrente ongegrond te worden verklaard.

21.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.F. Geerling, voorzitter, mr. J.J.J. Engel en mr. R.A. Eskes, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 21 september 2018

De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.