Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4027

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
C/05/ 340235 / KG RK 18-655
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer van de rechtbank heeft het verzoek tot wraking afgewezen, omdat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit de rechtbank de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden. De enkele omstandigheid dat verzoeker het niet eens is met (de volgorde van) onderwerpen die de rechter ter zitting aan de orde wilde stellen, is daartoe onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer

zaaknummer: C/05/ 340235 / KG RK 18-655

Beslissing van 11 september 2018

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van

mr. J.T. van Belzen,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van 16 juli 2018 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld; en

- de schriftelijke reactie van de rechter van 14 augustus 2018.

Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/05/339143 / JE RK 18-820, inzake de verzoeken van de Raad voor de Kinderbescherming betreffende de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige dochter van verzoeker. Verzoeker is in die zaak als belanghebbende aangemerkt.

2.2

Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.

Verzoeker wilde tijdens de zitting aan de orde stellen dat niet alle formaliteiten zijn nageleefd bij de eerste uithuisplaatsing van zijn dochter en dat de Raad voor Kinderbescherming ten onrechte niet is ingegaan op zijn verzoek om nader onderzoek te doen naar de beschuldigingen die zijn dochter jegens hem heeft gedaan. Omdat de rechter hier tijdens de zitting aan voorbij ging, kwam de rechter partijdig over op hem. Verzoeker heeft om die reden de rechter gewraakt.

2.3

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

3.2

De rechtbank leidt uit hetgeen verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd af dat verzoeker teleurgesteld was in het verloop van de zitting. De punten die hij op zitting aan de orde had willen stellen, werden door de rechter gepasseerd. De rechter heeft in het verweerschrift aangegeven dat zij de Raad voor de Kinderbescherming nog in de gelegenheid had willen stellen om te reageren op de klachten van verzoeker, maar dat zij daar door de wraking niet meer aan toe is gekomen.

3.3

De wrakingskamer overweegt dat het de rechter is die de regie voert op een zitting en bepaalt welke onderwerpen aan de orde komen en wie daarover het woord mag voeren. De klachten van verzoeker komen er in feite op neer dat hij het niet eens is met (de volgorde van) de onderwerpen die de rechter ter zitting aan de orde wilde stellen. Deze klachten zijn op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat de rechter vooringenomen is of de objectief gerechtvaardigde vrees daartoe. De rechtbank leidt uit het proces-verbaal van de zitting af – en dat is ook niet weersproken door verzoeker – dat de rechter geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de klachten van verzoeker. Concrete feiten waaruit de rechtbank de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken. Daarom wordt het verzoek afgewezen.

3.4

Verzoeker heeft in deze procedure reeds meerdere wrakingsverzoeken gedaan die geen van alle zijn gehonoreerd. Onder verwijzing naar de beslissing van 27 augustus 2018, zal een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.

4 De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mr. F.M.T. Quaadvliet, voorzitter, mr. G.W.B. Heijmans en

mr. M.J.C. van Leeuwen, leden, in tegenwoordigheid van de griffier mr. P.P.J. Leenders en in openbaar uitgesproken op 11 september 2018.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.