Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4007

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-09-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2282
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Gelet op de feitelijke situatie is aannemelijk dat niet kenbaar is dat ter plaatse mag worden geparkeerd. Dit brengt mee dat ook niet voldoende kenbaar is dat voor het parkeren moet worden betaald. De heffingsambtenaar heeft niet aan zijn informatieplicht voldaan. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-10-2018
V-N Vandaag 2018/2105
FutD 2018-2734
Belastingblad 2018/403
V-N 2018/66.24.13
NTFR 2018/2456
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/2282

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2018

in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van gemeente Doesburg, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 20 maart 2018 waarbij het bezwaar van eiseres tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting (aanslagnummer [000] ) ongegrond is verklaard.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2018.

Namens eiseres zijn haar echtgenoot en de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] , [A] en mr. [B] .

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiseres in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.500;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiseres te vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres woont aan de [A-straat 1] te [Z] . Dit betreft een eenrichtingsweg in het centrum van [Z] . Eiseres heeft een parkeervergunning voor de [A-straat 2] . Deze ligt op korte afstand van de [A-straat] . De ouders van eiseres (hierna: opa en oma) wonen in de bovenwoning op [A-straat 3] te [Z] . Op [2017] heeft de dochter van eiseres opa en oma uit het ziekenhuis opgehaald met de auto van eiseres. Opa had daar verbleven in verband met de amputatie van zijn beide grote tenen na een val. In de [A-straat] heeft zij de auto tot stilstand gebracht kort bij de woning op [A-straat 3] . Opa en oma zijn slecht ter been. De dochter heeft beiden geholpen met het uitstappen en hen om de beurt naar boven gebracht. Ook zijn twee tassen met spullen uit de auto naar boven gebracht. Daarna heeft de dochter de auto elders geparkeerd.

2. In de [A-straat] mag alleen geparkeerd worden met een parkeervergunning of een dagkaart. Twee toezichthouders (hierna: de parkeercontroleurs) hebben op [2017] om 13:23 uur geconstateerd dat geen parkeervergunning of dagkaart aanwezig was in de auto van eiseres. Ook hebben de parkeercontroleurs gedurende tien minuten geen laad- en loshandelingen geconstateerd. Verweerder heeft daarom aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

3. In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Niet in geschil is dat de dochter van eiseres geen parkeervergunning of dagkaart in haar bezit had voor het parkeren aan de [A-straat] . Eiseres heeft onder meer de bevoegdheid van een van de parkeercontroleurs bestreden, gesteld dat onvoldoende kenbaar is dat ter plaatse tegen betaling geparkeerd mag worden en zich op het standpunt gesteld dat sprake was van laden en lossen dan wel het onmiddellijk in- en uitstappen van personen.

4. De rechtbank ziet aanleiding de naheffingsaanslag te vernietigen, omdat aannemelijk is dat niet voldoende kenbaar is dat mag worden geparkeerd in de [A-straat] . De rechtbank baseert zich daarbij op de stellingen die partijen over en weer hebben ingebracht.

5. De dochter heeft tot ongeveer 2012 ook aan de [A-straat] gewoond. Tot 2013 was daar sprake van parkeervakken en parkeermeters. Deze zijn volgens de onbestreden stelling van eiseres in 2013 verwijderd. Op de plaats van de parkeervakken zijn paaltjes, zogeheten Amsterdammertjes, geplaatst. Hierdoor is de weg nauwelijks breed genoeg voor twee auto’s naast elkaar en zeker niet breed genoeg voor twee grotere voertuigen. Gelet hierop duidt de inrichting van de weg er niet op dat ter plaatse geparkeerd mag worden. Verweerder heeft gesteld dat aan het begin van de straat een bord staat dat erop duidt dat sprake is van een parkeergebied. Daartegen heeft eiseres aangevoerd dat de dochter vanuit een zijstraat de [A-straat] is ingereden en dat zij daarbij geen bord heeft gepasseerd. Verweerder heeft niet gesteld of onderbouwd dat de dochter vanuit de zijstraat evenzeer een bord moet hebben gepasseerd. Ook heeft eiseres onweersproken gesteld dat de [A-straat] niet als parkeerzone is aangegeven in de mobiele applicatie waarmee kan worden betaald om te parkeren. Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat ook vele anderen er niet mee bekend zijn dat in de [A-straat] tegen betaling mag worden geparkeerd. Zo is in de [A-straat] een Chinees restaurant gevestigd. De gemachtigde heeft ter zitting aangegeven dat klanten van het Chinese restaurant op zondag de auto in de [A-straat] neerzetten en daarbij de alarmlichten van de auto aan doen. Verweerder heeft daarop gereageerd met de stelling dat op zondag gratis in de [A-straat] mag worden geparkeerd. Dit onderschrijft naar het oordeel van de rechtbank echter juist het standpunt van eiseres. Het mag als feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat veel mensen met het aanzetten van de alarmlichten bedoelen aan te geven dat kort ergens wordt gestaan. Als de klanten zouden weten dat ze gratis mogen parkeren op de desbetreffende locatie, zou het aanzetten van de alarmlichten niet nodig zijn. De rechtbank leidt daaruit af dat klanten van het Chinese restaurant in de regel dus niet weten dat in de [A-straat] mag worden geparkeerd. Daarmee wordt juist bevestigd dat niet kenbaar is dat in de [A-straat] mag worden geparkeerd.

6. Wanneer iemand meent dat niet mag worden geparkeerd, zal deze persoon er ook niet op bedacht zijn dat er betaald moet worden voor het parkeren. Wanneer niet voldoende kenbaar is dat geparkeerd mag worden, impliceert dat dus dat ook niet voldoende kenbaar is dat voor het parkeren moet worden betaald. Op verweerder rust de plicht om parkeerders deugdelijk te informeren over de locaties waar parkeerbelasting is verschuldigd. Daarbij mag enig onderzoek van de parkeerder worden verlangd. In dit geval heeft verweerder (dan wel de gemeente) onvoldoende kenbaar gemaakt dat sprake is van een locatie waar parkeerbelasting verschuldigd is. Er is dus niet aan de informatieplicht voldaan. Reeds om deze reden is het beroep gegrond. Daarom hoeven de overige gronden niet te worden behandeld.

7. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.500 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van S. Lensink MSc, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.