Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:4004

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
C/05/ 340280 / KG RK 18-658
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer van de rechtbank heeft het verzoek tot wraking afgewezen, omdat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit de rechtbank de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden. De enkele omstandigheid dat de rechter geen toestemming heeft gegeven om geluidsopnamen te maken van de behandeling van zijn strafzaak, is daartoe onvoldoende. Omdat verzoeker in deze procedure meerdere verzoeken heeft gedaan die telkens een feitelijke onderbouwing missen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van misbruik. Om die reden heeft de rechtbank bepaald dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer

zaaknummer: C/05/ 340280 / KG RK 18-658

Beslissing van 11 september 2018

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] ,

hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van

mr. G. Noordraven,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van 11 juli 2018 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 15 augustus 2018.

Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen.

De rechter heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet te zullen verschijnen.

Verzoek tot schorsing

Verzoeker heeft bij de mondelinge behandeling aangevoerd dat hij niet kan verifiëren wie

G. Noordraven is en of G. Noordraven de persoon is die hij heeft gewraakt. Hij heeft verzocht om de behandeling van het wrakingsverzoek te schorsen, zodat de rechtbank een nader onderzoek kan instellen naar G. Noordraven. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding, aangezien uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 juli 2018 volgt dat zowel de politierechter,

mr. G. Noordraven, als de officier van justitie, mr. J. Veenendaal, zich op verzoek van verzoeker (verdachte in de strafzaak) hebben gelegitimeerd. Daarnaast heeft mr. G. Noordraven inhoudelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee vast dat

mr. G. Noordraven de politierechter is geweest die verzoeker heeft gewraakt tijdens de behandeling van zijn strafzaak. Een nader onderzoek zoals gevraagd door verzoeker is daarom niet nodig, zodat het daarop gerichte verzoek om die reden wordt afgewezen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met parketnummer 05/060115-18 waarin verzoeker als verdachte is gedagvaard. Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.

Verzoeker wil bij de behandeling van zijn strafzaak geluidsapparatuur bij zich hebben, omdat hij zijn eigen mensenrechten wil beschermen en machtsmisbruik wil tegengaan. Omdat verzoeker hiervoor geen toestemming heeft gekregen van de politierechter, is hij van mening dat zijn mensenrechten geschonden worden. Om die reden heeft hij de politierechter gewraakt.

2.2

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

3.2

Verzoeker vindt de rechter vooringenomen omdat deze hem geen toestemming heeft verleend om geluidsopnamen te maken van de behandeling van zijn strafzaak. De rechtbank overweegt dat in het huisreglement van rechtbank Gelderland is vastgelegd dat het – in verband met privacy en het portretrecht van justitiabelen en bezoekers – niet is toegestaan om camera’s en/of film- en/of geluidsopnameapparatuur te gebruiken in het gebouw, tenzij daarvoor uitdrukkelijk toestemming is verleend. De rechter heeft dus conform de geldende regels gehandeld en daarmee geen beslissing genomen die de inhoud van de zaak raakt. Aangezien verzoeker verder geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit de rechtbank de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, zal het verzoek worden afgewezen.

3.3

Verzoeker heeft in deze procedure een wrakingsverzoek gedaan, gevolgd door een schorsingsverzoek tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek. Beide verzoeken missen een feitelijke grondslag en raken evenmin de inhoud van de zaak. Om die reden zijn beide verzoeken afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank gebruikt verzoeker het middel van wraking voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. Daarmee is sprake van misbruik. De rechtbank zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

Deze beslissing is gegeven door mr. F.M.T. Quaadvliet, voorzitter, mr. G.W.B. Heijmans en

mr. M.J.C. van Leeuwen, leden, in tegenwoordigheid van de griffier mr. P.P.J. Leenders en in openbaar uitgesproken op 11 september 2018.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.