Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3993

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
18/278
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Klaagschrift 552a ongegrond

De meervoudige raadkamer van de rechtbank Zutphen heeft het klaagschrift ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de raadkamer volgt uit de door klaagster overgelegde aktes van cessie enkel dat klaagster schuldeiser is. Dat maakt niet dat zij ook eigenaar is geworden van de in beslag genomen gelden. Ook overigens is klaagster niet zonder twijfel aan te merken als zijnde de eigenaar van de gelden. Er is nader onderzoek nodig om dat te kunnen concluderen. Daarvoor leent de raadkamerprocedure zich niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Raadkamernummer: 18/278

Datum uitspraak: 17 september 2018

Beschikking van de meervoudige raadkamer ingevolge artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het op 20 maart 2018 ingediende klaagschrift van:

Stichting Hippo Mundo Charity, hierna ‘klaagster’,
gevestigd aan de [vestigingsplaats] ,

woonplaats kiezende aan de [adres] , Amsterdam , ten kantore van haar raadsman mr. D.S. Schreuders.

De procedure

Onder beslagenen [beslagene 1] , [beslagene 2] , [beslagene 3] en [beslagene 4] als verdachten zijn op grond van zowel artikel 94 als artikel 94a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) goederen in beslag genomen, waaronder diverse banktegoeden en contante gelden.

Op 20 maart 2018 is bij deze rechtbank binnengekomen het klaagschrift van klaagster ex artikel 552a Sv, welk klaagschrift betrekking heeft op de in beslaggenomen banktegoeden en contante gelden.

Het onderzoek in raadkamer

In openbare raadkamer van 3 september 2018 zijn gehoord:

- klaagster, vertegenwoordigd door de heren [naam 1] en [naam 2] ;

- mr. D.S. Schreuders en mr. F. Eikelboom, advocaten te Amsterdam, namens klaagster;

- de officier van justitie, mr. E.L. Edens.

Eveneens zijn gehoord beslagenen [beslagene 1] , [beslagene 2] en [beslagene 3], vertegenwoordigd door [beslagene 1] , en hun raadsvrouw mr. B.A.A. Postma, advocaat te Amersfoort.

Het standpunt van klaagster

In het klaagschrift en tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft klaagster zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen gelden aan haar moeten worden afgegeven. Daartoe is, kort samengevat, aangevoerd dat klaagster, als cessionaris van de vorderingen jegens verdachten van de verschillende benadeelde partijen, rechthebbende is met betrekking tot de betreffende gelden. Tijdens de behandeling is door klaagster verduidelijkt waarop het klaagschrift betrekking heeft, wat betreft de hoogte en de aard van het bedrag.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich verzet tegen teruggave van het in beslag genomen voorwerp en heeft daartoe primair aangevoerd dat klaagster niet ontvankelijk is omdat zij geen rechthebbende is met betrekking tot de in beslag genomen gelden. Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat het klaagschrift ongegrond is.

De beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend.

Nu klaagster heeft gesteld rechthebbende te zijn met betrekking tot de in beslag genomen gelden, is zij naar vaste jurisprudentie ontvankelijk in haar klacht. De raadkamer dient derhalve te toetsen of het buiten gerede twijfel is dat de gelden toebehoren aan klaagster.

De hoofdregel is dat het voorwerp waarop beslag is gelegd, wordt teruggegeven aan degene onder wie het in beslag is genomen. In uitzondering op de hoofdregel kan een beslissing worden genomen om het voorwerp terug te geven aan een ander dan de beslagene. Dat kan het geval zijn wanneer het buiten redelijke twijfel is dat het voorwerp toebehoort aan een ander. Klaagster heeft gesteld dat zij recht heeft op de gelden.

Dat klaagster rechthebbende is op de gelden volgt naar oordeel van de raadkamer in ieder geval niet uit de door klaagster overgelegde aktes van cessie tussen klaagster en de overige benadeelde partijen. Deze cessies zien steeds op vorderingen die de betreffende partijen hebben op de verdachten. Daarmee is enkel geregeld dat klaagster ten aanzien van die vorderingen kan worden aangemerkt als schuldeiser van verdachten. Naar vaste jurisprudentie wordt een schuldeiser uit onrechtmatige daad niet aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 552a Sv, ook al is die vordering ontstaan uit het jegens hem door de beslagene gepleegde misdrijf. Dat uitgangspunt geldt evenzeer ten aanzien van de schuldeiser die een vordering tot betaling heeft op basis van een andere grondslag, zoals onverschuldigde betaling, wanprestatie of ongerechtvaardigde verrijking.

Het voorgaande komt erop neer dat niet de verbintenisrechtelijke verhouding tussen klaagster en de verdachte bepalend is voor de vraag of het buiten gerede twijfel is dat de gelden toebehoren aan klaagster, maar de goederenrechtelijke positie van klaagster ten opzichte van de voorwerpen waarop beslag is gelegd. Ten aanzien van die voorwerpen (de beslagen geldbedragen) kan op basis van het dossier en de aan de raadkamer overgelegde stukken niet eenvoudig worden vastgesteld wie als rechthebbende moet worden aangewezen. De gelden zijn op verschillende wijzen (overboekingen, contante opnames) en op grond van uiteenlopende (al dan niet rechtmatige) titels bij verdachte terechtgekomen. Daarnaast heeft verdachte [beslagene 1] betoogd over een deel van die gelden rechtmatig te hebben kunnen beschikken. Naar de juistheid van dit standpunt van verdachte wordt op dit moment nog onderzoek gedaan.

Onder deze omstandigheden kan de raadkamer niet tot de conclusie komen dat het buiten gerede twijfel is dat de gelden toebehoren aan klaagster. Daarvoor is nader onderzoek nodig, waar de raadkamerprocedure zich, gezien het summiere karakter daarvan, niet voor leent.

De raadkamer zal daarom beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.

De beslissing

De meervoudige raadkamer:

verklaart het klaagschrift ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.F. Gielissen, als voorzitter, mr. Y.M.J.I. Baauw en
mr. H.F.R. van Heemstra, als rechters in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Damme, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van deze rechtbank op 17 september 2018.