Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3945

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2396
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM. Voldoening op aangifte. Huurauto. Kennelijk ongegrond. Artikel 8:54 Awb.

Anders dan eiseres stelt, is zij in bezwaar gehoord. Zij erkent dat de belasting is geheven overeenkomstig de jurisprudentie van de Hoge Raad. De stelling dat de Hoge Raad niet integer is geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Omdat sprake is van vaste jurisprudentie, die ook bij (de gemachtigde van) eiseres bekend is, is het beroep kennelijk ongegrond. Wel heeft eiseres recht op vergoeding van immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 03-10-2018
FutD 2018-2646
V-N Vandaag 2018/2128
V-N 2018/66.24.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/2396

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 september 2018

in de zaak tussen

[X] BV, te [Z] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op aangifte € 316 belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) voldaan.

Bij brief van 25 november 2011, bij verweerder binnengekomen op dezelfde dag, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen deze voldoening.

Bij uitspraak op bezwaar van 16 maart 2018 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 24 april 2018, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, heeft eiseres daartegen beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

2. Eiseres heeft in het pro forma beroepschrift aangevoerd dat zij niet is gehoord. In het aanvullende beroepschrift heeft zij aangevoerd dat een heffing voor tijdelijk gebruik van de weg in Nederland met een auto zich niet verhoudt met het Unierecht. Ook heeft zij aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden.

3. De rechtbank stelt vast dat verweerder onbestreden heeft gesteld dat op 15 januari 2018 een hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft ook een hoorverslag overgelegd. De stelling dat de hoorplicht is geschonden is kennelijk onjuist.

4. Eiseres heeft voorts niet betwist dat de BPM evenredig aan de duur van het gebruik van de weg is berekend en dat daarmee al van aanvang af rekening is gehouden. Zij heeft erkend dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een dergelijke wijze van heffing niet in strijd komt met het Unierecht. De stelling dat het de Hoge Raad aan enige mate van integriteit ontbreekt en hij er louter en alleen op uit is burgers te belazeren geeft de rechtbank geen aanleiding in deze zaak tot een ander oordeel te komen. Omdat sprake is van vaste jurisprudentie, die ook bij (de gemachtigde van) eiseres bekend is, is het beroep kennelijk ongegrond.

5. Eiseres heeft vergoeding van rente gevraagd, maar omdat niet te veel BPM is betaald, heeft zij daarop geen recht.

6. Naar de rechtbank aanneemt heeft eiseres met name belang bij het voorleggen van de zaak aan de rechter vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade. Verweerder voert op dit punt uitdrukkelijk geen verweer.

7. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase tezamen onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt (Hoge Raad 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666). Wanneer de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

8. De rechtbank is van oordeel dat eiseres recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is ontvangen op 25 november 2011. De rechtbank ziet geen aanleiding de redelijke termijn te verlengen. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met bijna vijf jaren. Eiseres heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 5.000. De uitspraak op bezwaar dateert van 16 maart 2018. Dat betekent dat de overschrijding van de beslistermijn volledig is toe te rekenen aan de bezwaarfase. Daarom zal de rechtbank bepalen dat verweerder het bedrag dient te vergoeden.

9. Omdat een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van eiseres voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 250,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 501 en een wegingsfactor 0,5). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toekenning van een integrale proceskostenvergoeding, omdat het beroep ongegrond is en er alleen recht op een proceskostenvergoeding bestaat vanwege de toekenning van een vergoeding voor immateriële schade. Dat is ook de reden voor de wegingsfactor 0,5. Om diezelfde reden bestaat geen recht op vergoeding van kosten in de bezwaarfase (zie Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 5.000;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 250,50;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 338 dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G. van den Berg-Schokker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 13 september 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum verzet doen bij de Rechtbank Gelderland, Team belastingrecht, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. De indiener van het verzet kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Bij het doen van het verzet dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het verzetschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het verzetschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen verzet wordt gedaan;

d. de gronden van het verzet.