Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3916

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
05/740248-18
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:9291, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een man wegens poging doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. De man heeft op 15 mei 2018 op klaarlichte dag op de Johan de Wittlaan – Statenlaan in Arnhem een bekende van hem, met wie hij zegt in het verleden ruzie te hebben gehad, met een mes gestoken en hem daarmee zwaar lichamelijk letsel toegebracht. De advocaat deed namens verdachte een beroep op noodweer, maar de rechtbank vond dat er geen sprake was van een situatie waarin verdachte zich op deze wijze moest verdedigen tegen het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0744
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/740248-18

Datum uitspraak : 11 september 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te Arnhem-Zuid

raadsman: mr. M.W.J. Rosendaal, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 augustus 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 15 mei 2018 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] (met kracht) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 15 mei 2018 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (diepe) snijwond en/of enig ander zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het (boven)lichaam te steken;

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 15 mei 2018 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] (met kracht) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 15 mei 2018 te Arnhem, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg, te weten aan de Johan de Wittlaan, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit: - met een auto naar die [slachtoffer] toe rijden en/of - (vervolgens) uit de auto stappen en/of - (vervolgens)(met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp) naar die [slachtoffer] toe rennen en/of - (vervolgens) die [slachtoffer] in het (boven)lichaam te steken met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp en/of - (vervolgens)(in de richting van) die [slachtoffer] een steen te slaan en/of te gooien;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Verdachte heeft aangever op 15 mei 2018 te Arnhem met een mes gestoken.2 Aangever is opgenomen in het Rijnstate Ziekenhuis te Arnhem waar is vastgesteld dat hij een grote wond aan zijn linkerflank had waar de darm uitstak.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 primair en feit 2.

Het standpunt van de verdediging

Overeenkomstig zijn pleitnota heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat de verklaringen van aangever en [getuige 1] voor het overgrote deel niet worden verankerd door stukken in het dossier en dat deze verklaringen veel vragen oproepen. De verklaringen van verdachte daarentegen zijn grotendeels in lijn met de camerabeelden die van het incident zijn gemaakt en de verdediging verzoekt de rechtbank dan ook uit te gaan van deze verklaringen.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer]4 (verder te noemen: aangever) heeft verklaard dat hij op 15 mei 2018 over de Johan de Wittlaan in Arnhem liep met zijn vriendin [getuige 1] en dat hij een paar bekenden die op een terras zaten de hand heeft geschud. Ineens hoorde hij dat hij werd geroepen vanuit een blauwe Twingo die op de hoek Johan de Wittlaan - Statenlaan stond. Aangever zag dat de bijrijder van de blauwe Twingo uit de auto stapte met een mes in zijn hand. Aangever is naar de auto toegelopen. Op dat moment hoorde hij zijn vriendin [getuige 1] ‘kijk uit!’ schreeuwen en zag hij dat er een baksteen voor hem op de grond landde. Ook zag hij een andere persoon die achter hem liep. Hij is toen weggerend en de jongens renden achter hem aan. De jongen met het mes heeft hem gestoken. Hij heeft op het moment dat hij wegrende nog een reclamebord vastgepakt en naar de jongens gegooid.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangever voldoende betrouwbaar is om tot bewijs te kunnen dienen. Aangever heeft in de kern consistent verklaard en zijn verklaringen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, die hierna worden weergegeven.

Getuigenverklaringen

Getuige [getuige 1]5 heeft verklaard dat zij hoorde dat een jongen in een blauwe Twingo aangever riep en dat aangever naar die Twingo toe liep. Zij zag dat er vanaf de Johan de Wittlaan nog een derde persoon met versnelde pas richting aangever liep. Deze jongen had een baksteen in zijn hand en [getuige 1] riep: ‘kijk uit!’ naar aangever.

Zij zag dat de bijrijder uit het voertuig stapte en dat hij een groot mes in zijn hand had.

Zij zag dat aangever aan het vechten was met de jongens en dat hij een reclamebord gooide naar de jongens. Daarna zag zij dat aangever gestoken was.6

Getuige [getuige 2]7 heeft verklaard dat hij op het terras van broodjeszaak [naam 1] zat en dat hij het latere slachtoffer voor het terras langs zag lopen samen met zijn vriendin. Hij hoorde dat de man werd geroepen vanaf de hoek en dat om de hoek een blauw kleurige Twingo geparkeerd stond. Hij zag dat het latere slachtoffer de hoek om rende en dat zijn vriendin er achter aan rende. 20 seconden later kwam de man teruglopen en op dat moment was hij gewond aan zijn zij.

Getuige [getuige 3]8 heeft verklaard dat hij zag dat het latere slachtoffer en de mannen die achter hem aan zaten heen en weer renden voor zijn winkel ( [naam 2] ) aan de [adres 2] in Arnhem en om de hoek van zijn winkel aan de Statenlaan. Hij zag dat één persoon een mes in zijn hand had, dat eruit zag als een groot keramisch mes.

Medeverdachte [medeverdachte]9 (de broer van verdachte) heeft verklaard dat [getuige 1] ‘kijk uit’ riep en dat hij, [medeverdachte] , de baksteen gooide naar aangever. Hij heeft verklaard dat hij en zijn vriendin na het incident bij zijn neef en broer in de blauwe Twingo zijn gestapt en zijn weggereden.

[getuige 4] heeft verklaard dat, op het moment dat hij de broer van verdachte in de [naam 3] zag en aangever aan zag komen rijden op zijn scooter, hij een naar gevoel kreeg en een rondje wilde rijden. Hij had geen zin in een confrontatie en wist dat er iets ging gebeuren. Verdachte wilde zijn broer echter niet alleen in de [naam 3] laten en is uitgestapt en die kant opgerend. Toen getuige [getuige 4] uit de auto stapte hoorde hij de vriendin van aangever schreeuwen.10

Verdachte heeft onder andere verklaard dat hij en zijn familie in het verleden meerdere malen een confrontatie hebben gehad met aangever. Op 15 mei 2018 had verdachte telefonisch contact met zijn broer ( [medeverdachte] ), die hem vertelde dat hij aangever was tegengekomen in Arnhem en dat hij twee stenen had opgepakt ter verdediging. Verdachte heeft vervolgens met zijn broer afgesproken dat hij hem bij de [naam 3] aan de Johan de Wittlaan zou ophalen. Verdachte reed met zijn neef ( [getuige 4] ) in een blauwe Renault Twingo over de Johan de Wittlaan in de richting van de Statenlaan. Zij passeerden in hun auto aangever, die bij zijn vriendin ( [getuige 1] ) achterop de scooter zat en hen over de Johan de Wittlaan tegemoet kwam rijden. [getuige 4] zette de auto stil op de hoek van de Statenlaan en daar stapte verdachte uit. [getuige 4] reed de auto verder de hoek om en parkeerde in de Statenlaan. Verdachte heeft verklaard dat hij aangever op zich af zag komen, dat hij zijn broer zag die een steen naar aangever gooide, dat aangever daarvan schrok en dat verdachte aangever kort daarna, tijdens een worsteling die tussen hem en aangever ontstond, heeft gestoken met het mes dat verdachte bij zich droeg. Verdachte is na het incident samen met zijn neef, zijn broer en de vriendin van zijn broer in de blauwe Renault Twingo weggereden en hij heeft verklaard dat hij het mes heeft weggegooid in een sloot.11

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het zakmes, dat hij bij zich droeg, uit zijn broekzak moet hebben gehaald en moet hebben opengeklapt met zijn andere hand. Hij kon zich niet herinneren op welk moment hij deze handelingen zou hebben verricht. Wel herinnerde hij zich dat hij aangever heeft gestoken op het moment dat zij zich allebei op de Statenlaan bevonden.12

Camerabeelden

Van het incident zijn camerabeelden beschikbaar.13 Deze beelden zijn door de politie beschreven en ter terechtzitting getoond. Uit de beschrijving van deze beelden blijkt het volgende:

Om 11:13 uur komt de blauwe Renault Twingo van rechts het beeld binnen en stopt op de Johan de Wittlaan ter hoogte van [naam 3] . De snorfiets, bestuurd door [getuige 1] en met [slachtoffer] achterop rijdt de parallelweg van Johan de Wittlaan op. De Twingo rijdt weg wanneer de snorfiets de Twingo tegemoet rijdt. Beide voertuigen passeren elkaar.

11:13:26 uur - [getuige 1] stopt de snorfiets voor [naam 3] . [slachtoffer] stapt af en loopt in de richting van [naam 1] en [getuige 1] volgt hem nadat ze haar scooter heeft geparkeerd.

11:13:47 - [verdachte] (bijrijder) stap uit de Twingo en blijft op de stoep staan. De Twingo gaat aan het eind van de weg rechts de hoek om en staat stil. Dit is de Statenlaan. [verdachte] loopt richting de Twingo.

11:13:53 - [medeverdachte] loopt uit de [naam 3] en loopt achter aangever en [getuige 1] aan.

11:14:02 - [slachtoffer] schudt een persoon de hand op het terras van [naam 1] . [slachtoffer] loopt daarna door naar de Statenlaan.

11:14:07 - [medeverdachte] is op nog geen 2 meter genaderd van [slachtoffer] . Hij maakt een wegwerpgebaar met zijn linkerarm en loopt de straat op, parallel aan [slachtoffer] . [slachtoffer] begint te rennen in de richting van de winkel [naam 2] . Hij rent rechtsaf de Statenlaan in. Dit is dezelfde richting als de Twingo eerder op ging. Ook [medeverdachte] rende dezelfde kant op en [getuige 1] liep dezelfde kant op.

11:14:18 - niemand van de personen is meer in zicht van de camera

11:14:21 - [slachtoffer] rent de Johan de Wittlaan op, voorbij de [naam 2] en [naam 1] . [medeverdachte] en [verdachte] rennen achter [slachtoffer] aan en ook [getuige 1] rent achter [slachtoffer] aan.

11:14:23 - [slachtoffer] pakt een reclamebord ter hoogte van [naam 1] en gooit dit van zich af in de richting van [medeverdachte] en [verdachte] . Ze rennen achter elkaar aan tot 11:14:30 uur

Letsel

De forensisch arts heeft op 18 mei 2018 geconstateerd dat bij aangever sprake is van letsel waarbij via de borstholte, het boogvormige middenrif is geraakt. Er is sprake van een gedeeltelijke klaplong en er bevindt zich vrij bloed in de borstholte. Er is een perforatie in het deel van de darm in de linkerbovenhoek van de buikholte. Op 15 mei en op 17 mei 2018 is aangever aan zijn verwondingen geopereerd en op 23 mei 2018 is hij voor de 3e keer geopereerd wegens complicaties in de buikstreek. Met betrekking tot de gevaarzetting van het toegebrachte letsel wordt door de forensisch arts opgemerkt dat steekverwondingen in de linker bovenbuik risico’s opleveren van beschadiging van hart, longen, milt, darmen en grote vaten, met potentieel dodelijke afloop.14

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Het is een feit van algemene bekendheid dat het steken met een mes in het bovenlichaam het risico met zich brengt dat verwondingen met potentieel dodelijke afloop worden toegebracht. Door aangever met kracht met een mes in zijn linkerflank te steken heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever als gevolg van die actie zou komen te overlijden.

De rechtbank acht feit 2 eveneens wettig en overtuigend bewezen.

Van openlijke geweldpleging is sprake bij geweld, gepleegd in vereniging, dat voor derden zichtbaar was of had kunnen zijn. Geweld wordt in vereniging gepleegd als de dader nauw en bewust samenwerkt met één of meer anderen en daarbij zelf een ‘significante of wezenlijke bijdrage’ aan de openlijke geweldpleging levert. Deze bijdrage kan onder andere bestaan uit het verrichten van één of meer gewelddadige handelingen.

Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. Het incident heeft zich op klaarlichte dag afgespeeld op de Johan de Wittlaan en de Statenlaan, beide openbare wegen. [medeverdachte] heeft een steen in de richting van aangever gegooid en verdachte heeft aangever kort daarna gestoken met een mes. [getuige 1] heeft gezien dat aangever aan het vechten was.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het gezamenlijk plegen van openlijk geweld tegen aangever, waarbij ook de door zijn medeverdachte gepleegde handelingen aan hem toe zijn te rekenen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 heeft begaan, te weten dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 15 mei 2018 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het (boven)lichaam van die [slachtoffer] (met kracht) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 15 mei 2018 te Arnhem, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg, te weten aan de Johan de Wittlaan, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit: - met een auto naar die [slachtoffer] toe rijden en/of - (vervolgens) uit de auto stappen en/of - (vervolgens)(met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp) naar die [slachtoffer] toe rennen en/of - (vervolgens) die [slachtoffer] in het (boven)lichaam te steken met een mes, althans

een scherp en/of puntig voorwerp en/of - (vervolgens)(in de richting van) die [slachtoffer] een steen te slaan en/of te gooien;.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair en feit 2

Eendaadse samenloop van

poging doodslag en

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

5 De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte

Noodweer

Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Daartoe heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.

Aangever heeft de confrontatie gezocht met verdachte, door op hem af te rennen, terwijl verdachte op dat moment wegloopt. Verdachte heeft bij aangever een mes gezien en dit wordt ook verklaard door [medeverdachte] . Ook getuige [getuige 3] ziet mogelijk een mes bij aangever. Verdachte is door aangever achterna gezeten, is gestruikeld en op de motorkap van een auto gevallen. Hij heeft gezien dat aangever met een mes een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van verdachte’s rechterarm. Kort daarna heeft [medeverdachte] een steen richting aangever gegooid en is verdachte door aangever in zijn gezicht geslagen. Daarop heeft verdachte aangever één keer met zijn mes gestoken. Verdachte kon geen kant op. Uit het verleden wist verdachte dat aangever fors geweld niet schuwt. Verdachte handelde daarom uit de noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf tegen de ogenblikkelijke aanranding van aangever. Een geslaagd beroep op noodweer komt hem toe en de verdediging verzoekt de rechtbank verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de volgende, aan voornoemde wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

Aangever is geroepen door de bestuurder van de Twingo. Hij is in de richting van de Twingo gelopen en heeft verdachte zien staan met een mes. [medeverdachte] is uit de [naam 3] gekomen en is vlak achter aangever aangelopen, richting de plek waar verdachte staat. Ook [getuige 1] is, roepend ‘kijk uit’, achter aangever en [medeverdachte] aangelopen. Uit haar geschreeuw, dat ook door anderen is gehoord, blijkt dat zij zich op dat moment bewust moet zijn geweest van het dreigende gevaar. Dat, zoals de verdediging heeft aangevoerd, [getuige 1] niets heeft kunnen zien van het gevecht vanwege haar positie, is niet gebleken. Uit de beelden blijkt immers dat alle bij het incident betrokken personen zich continue hebben verplaatst. De verklaring van [getuige 1] dat zij heeft gezien dat verdachte een mes bij zich droeg is naar het oordeel van de rechtbank dan ook aannemelijk. Bovendien is haar verklaring door anderen bevestigd. Vervolgens zijn op de Statenlaan aangever en verdachte met elkaar in gevecht gekomen en heeft [medeverdachte] een steen naar aangever gegooid. Op of omstreeks dat moment zal aangever door verdachte zijn gestoken. Wanneer aangever de Johan de Wittlaan weer komt opgerend zien getuigen dat aangever gewond is aan zijn zij.

Dat aangever een mes bij zich zou hebben gehad, waarmee hij verdachte zou hebben gepoogd te steken is niet aannemelijk geworden. Behalve verdachte verklaart niemand met stelligheid over zo een mes, droeg aangever slechts een korte broek waarin een mes niet gemakkelijk te verbergen is en is na het steekincident geen mes aangetroffen. De verklaring van verdachte dat hij zich moest verdedigen omdat hij door aangever met een mes werd aangevallen en geen kant op kon, is niet aannemelijk geworden. Ook zijn verklaring dat hij het mes dat hij bij zich droeg pas tijdens het gevecht heeft gepakt en opengeklapt, is niet aannemelijk geworden.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het verweer wordt verworpen.

Daarmee zijn de feiten strafbaar en is verdachte strafbaar nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

6 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de feiten 1 primair en 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank subsidiair verzocht verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, alsmede een forse voorwaardelijke gevangenisstraf en een maximale werkstraf.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 18 juli 2018;

- een voorlichtingsrapportage van de Reclassering, gedateerd 14 augustus 2018.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte aangever, met wie hij stelt een gewelddadig verleden te hebben, zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht dat tot de dood van aangever zou hebben kunnen leiden. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij ervoor heeft gekozen zijn geschil met aangever op een dergelijke gewelddadige wijze uit te vechten op klaarlichte dag, op de openbare weg in een drukke buurt waar mensen wonen en zich op straat bevinden. Gedrag zoals verdachte heeft laten zien, brengt gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg. Niet alleen bij de slachtoffers, zoals is gebleken uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen, maar ook bij (direct) omwonenden en in de samenleving in het algemeen.

De rechtbank stelt vast dat uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister volgt dat verdachte eerder is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor het overtreden van de Opiumwet.

De Reclassering heeft gesteld geen inschatting te kunnen maken ten aanzien van de kans op recidive. De reclassering heeft geadviseerd aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen alsmede een werkstraf. Voorgesteld wordt geen toezicht op te leggen bij een op te leggen proeftijd.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt en dat een werkstraf niet passend is.

Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 4 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden.

7. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer] en [getuige 1] hebben zich in het strafproces gevoegd, ter zitting vertegenwoordigd door mr. B. Pernot, advocaat te Wijchen, ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder feit 1 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van respectievelijk € 22.053,63 ( [slachtoffer] ) en € 8.420,- ( [getuige 1] ).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer] en [getuige 1] toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd en de wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 15 mei 2018.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de feiten en omstandigheden ertoe dienen te leiden dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] in haar geheel wordt afgewezen dan wel niet-ontvankelijk wordt verklaard vanwege eigen schuld. Subsidiair bepleit de raadsman dat de schadeposten, als gespecificeerd in zijn pleitnota, niet voor toewijzing vatbaar zijn.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [getuige 1] heeft de raadsman verzocht deze in haar geheel af te wijzen, danwel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er geen sprake is van rechtstreekse schade. Bovendien is niet voldaan aan de eisen voor shockschade nu er bij de benadeelde partij geen psychiatrisch erkend ziektebeeld is vastgesteld.

Beoordeling door de rechtbank

Benadeelde partij [slachtoffer]

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 962,78 (te weten: kleding € 150,- (geschat naar billijkheid), medische kosten € 418,76, ziekenhuisdaggeldvergoeding € 360,- en reis- en parkeerkosten

€ 35,02) aan materiële schade heeft geleden. De rechtbank acht voorts een bedrag van

€ 5.000,- aan immateriële schade redelijk en billijk. Dit betekent dat verdachte voor een bedrag van € 5.962,78 naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat dit deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 15 mei 2018.

Benadeelde partij [getuige 1]

De vordering van de benadeelde partij [getuige 1] is gebaseerd op shockschade (art. 6:162 BW).

Wat betreft de criteria voor de toekenning van materiële en immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, NJ 2002/240 en HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8583, NJ 2010/387). Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat is in het algemeen slechts het geval als een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is vastgesteld.

Uit de gegevens op het voegingsformulier van de benadeelde partij en uit de daarbij overgelegde stukken en wat ter terechtzitting naar voren is gekomen kan niet een in de psychiatrie erkend ziektebeeld worden afgeleid. Voor een inhoudelijke beoordeling van de vordering is nader onderzoek noodzakelijk.

De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de behandeling van de vordering tot vergoeding van immateriële schade en daaruit voortvloeiende materiële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en bepalen dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 55, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 primair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag van € 5.962,78 (vijfduizend negenhonderd tweeënzestig euro en achtenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 5.962,78 (vijfduizend negenhonderd tweeënzestig euro en achtenzeventig cent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 64 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partij [getuige 1] niet-ontvankelijk in haar vordering;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. Gielissen (voorzitter), mr. C.H.M. Pastoors en

mr. W.W. Monteiro, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Erp-Noordenbos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 september 2018.

Mr. C.H.M. Pastoors is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost Gelderland, team Veluwe-West, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL2018210188, gesloten op 10 juli 2018 in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal verklaring verdachte, p 175

3 Geneeskundige verklaring, p. 35

4 Verklaring aangever, p. 23 e.v.

5 Verklaring getuige [getuige 1] , p. 107

6 Verklaring getuige [getuige 1] , p. 111

7 Verklaring getuige [getuige 2] , p. 98

8 Verklaring getuige [getuige 3] , p. 104 e.v.

9 Verklaring medeverdachte [medeverdachte] , p. 230

10 Proces verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] , p.216

11 Verklaring van verdachte, p. 171

12 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 28 augustus 2018.

13 Proces-verbaal beschrijving camerabeelden, p. 69 e.v.

14 Letselrapportage, p. 36 en proces-verbaal van bevindingen, p. 27