Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3911

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-09-2018
Datum publicatie
01-10-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2283
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo 2015. Verweerder heeft eiser een maatwerkvoorziening toegekend in de vorm van zorg in natura. Eiser wil een persoonsgebonden budget. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser zelf de taken die verbonden zijn aan een pgb niet op verantwoorde wijze kan uitvoeren. Eiser kan dit ook niet met behulp van zijn dochters, omdat zij niet willen. Tot slot heeft verweerder het pgb in redelijkheid kunnen weigeren omdat verweerder ervan uit mocht gaan dat eiser met hulp van zijn hulpverlener het pgb op verantwoorde wijze kan beheren, omdat de hulpverlener de persoon is die vanuit het pgb wordt bekostigd.

De rechtbank is van oordeel dat een college slechts kan vaststellen dat een cliënt met hulp van zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, een pgb kan beheren als vaststaat dat de beoogde persoon uit het netwerk of de vertegenwoordiger ook daadwerkelijk heeft laten weten dat hij bereid is deze hulp te bieden. Uit de stukken blijkt op geen enkele manier dat de (inmiddels meerderjarige) dochters van eiser bereid zijn de taken uit te voeren die verbonden zijn aan het beheer van een pgb. Zij zijn ook niet aanwezig geweest bij de keukentafelgesprekken, de hoorzitting op bezwaar of de zitting bij de rechtbank. Dit is des te opmerkelijker nu uit de stukken blijkt dat één of beide dochters voorheen vrijwel altijd aanwezig waren bij gesprekken en nauw betrokken waren bij de indicatiestelling en zorgverlening. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder terecht geen pgb heeft verstrekt op basis van de enkele en niet nader onderbouwde veronderstelling van eiser dat de dochters wel bij het beheer van het pgb zullen helpen.

Voor de uitvoering van artikel 2.3.6, tweede lid onder a van de Wmo 2015 heeft verweerder in artikel 17.1 van de Beleidsregel het volgende opgenomen:

“Als de cliënt de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken uitvoert met hulp van de betrokken ondersteuner, diens personeel of op een andere wijze aan de ondersteuner verbonden persoon, kan het college een persoonsgebonden budget weigeren op grond van belangenverstrengeling. Het belang van degene die de ondersteuning met het persoonsgebonden budget biedt mag namelijk nadrukkelijk niet boven het belang van de cliënt staan. Een factor die kan wijzen op ongewenste belangenverstrengeling is als de cliënt een lage mate van invloed heeft op het besluit om voor een persoonsgebonden budget te kiezen.”

De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze Beleidsregel in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraak van 21 augustus 2013 over het beheer van een AWBZ-pgb door derden overwogen dat het beheer door een derde verantwoord is als deze derde een “gewaarborgde hulp” is. Dit is het geval als voldoende aannemelijk is gemaakt dat hij kan instaan voor nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen. Het gaat om verplichtingen als de organisatie en het beheer van de zorg, waaronder het kiezen van de zorgverlener en het besteden van het pgb aan zorg die kwalitatief verantwoord is, en het afleggen van rekening en verantwoording over de verleende zorg. Uit de opsomming van deze verplichtingen is al duidelijk dat een zorgaanbieder geen gewaarborgde hulp kan zijn als hij bekostigd wordt uit het pgb dat hij beheert. Dit volgt ook uit een uitspraak van de CRvB van 1 januari 2017 over het beheer van een AWBZ-pgb.

De verplichtingen die verbonden zijn aan het beheer van een AWBZ-pgb verschillen naar het oordeel van de rechtbank niet wezenlijk van de verplichtingen die verbonden zijn aan het beheer van een Wmo-pgb. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder artikel 17.1 van de Beleidsregel heeft kunnen vaststellen. De rechtbank is eveneens van oordeel dat verweerder in redelijkheid het pgb heeft kunnen weigeren omdat verweerder ervan uit mocht gaan dat eiser met hulp van de hulpverlener het pgb op verantwoorde wijze kan beheren, omdat de hulpverlener de persoon is die vanuit het pgb wordt bekostigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBJ-Wmo/15/024 met annotatie van Inge Scherpenzeel
NBJ-Wmo/2018/021 met annotatie van Inge Scherpenzeel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 18/2283

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2018

in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [hulpverlener] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem te Doetinchem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder een indicatie afgegeven in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en een maatwerkvoorziening aan eiser verleend waarbij van 1 januari 2018 tot 31 maart 2018 een persoonsgebonden budget (pgb) is toegekend voor 3 uur per week voor ‘Ondersteuning thuis – Coachen’, zorg in natura (ZIN) voor de periode van 1 januari 2018 tot 31 maart 2018 voor ‘Ondersteuning thuis – Overnemen’ en ZIN voor de periode van 1 april 2018 tot en met
31 december 2018 voor ‘Ondersteuning thuis – Overnemen’.

Bij besluit van 17 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde T.I. Gerritsen.

Overwegingen

1.1.

Eiser is een 46-jarige man met chronische psychische problematiek in de vorm van geheugenverlies, een gebrek aan oriëntatievermogen en een constante mentale vermoeidheid. Op basis van deze kenmerken is een recidiverende depressieve stoornis gediagnostiseerd. Eiser heeft daarnaast problemen met de algehele regievoering. Ook ervaart hij problemen door de aanwezige taalbarrière. Eiser had voor de inwerkingtreding van de Wmo 2015 een indicatie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor begeleiding individueel en dagbesteding. Deze aanspraak op zorg is doorgelopen tot het moment waarop verweerder een nieuw besluit heeft genomen. Verweerder heeft eiser voor de periode van 1 mei 2016 tot 30 april 2017 een maatwerkvoorziening toegekend voor 3 uur per week ‘Ondersteuning thuis – Coachen’ (‘Coachen’) in de vorm van een pgb. Dit pgb heeft eiser gebruikt om zorg in te kopen bij WerkSzaam. De zorg werd feitelijk geleverd door de heer [hulpverlener] .

1.2.

Eiser heeft op 11 april 2017 een nieuw verzoek voor een maatwerkvoorziening ingediend. In afwachting van herindicatie heeft verweerder de looptijd van de eerdere indicatie tot 31 december 2017 verlengd.

1.3.

Op 7 augustus 2017 en 11 oktober 2017 heeft het zogenoemde keukentafelgesprek plaatsgevonden. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder eiser bij besluit van 3 november 2017 een maatwerkvoorziening toegekend. Voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018 bestaat deze maatwerkvoorziening uit 3 uur per week ‘Coachen’ in de vorm van een pgb en 2 uur per week ‘Ondersteuning thuis – Overnemen’ (‘Overnemen’) in de vorm van ZIN. Voor de periode van 1 april 2018 tot en met 31 december 2018 bestaat de maatwerkvoorziening uit 5 uur per week ‘Overnemen’ in de vorm van ZIN.

2. Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat eiser beperkt is en niet in staat om zelfstandig de regie te voeren over zijn dagelijks leven. Zijn situatie is niet stabiel. Hierdoor heeft hij structureel begeleiding en/of toezicht nodig bij het zelfstandig wonen. Ondersteuning is nodig om te voorkomen dat de zelfredzaamheid van eiser achteruitgaat en om zijn deelname aan de samenleving te bevorderen. Eiser kan niet zelfstandig overeenkomsten aangaan, een administratie bijhouden of contacten met externe instanties onderhouden. Ook is hij niet in staat om zijn eigen belangen te behartigen. De problematiek van eiser is chronisch, waardoor hij weinig tot geen mogelijkheden heeft om zijn zelfredzaamheid te vergroten. De voorziening ‘Overnemen’ 5 uur per week is daarom passend.

Voorheen ontving eiser 3 uur ‘Coachen’. Verweerder is van oordeel dat deze voorziening niet passend is voor eiser. Deze voorziening is bedoeld om de zelfredzaamheid van mensen te vergroten door hen vaardigheden aan te leren waardoor zij zelfstandiger gaan functioneren. De verwachting is dat eiser onvoldoende leerbaar is en ondersteuning nodig blijft hebben. Het aantal uur ondersteuning is opgehoogd, omdat is gebleken dat met 3 uur ‘Coachen’ onvoldoende stabiliteit in de situatie van eiser ontstaat.

De voorziening wordt als ZIN geleverd en niet als pgb. Verweerder heeft aan deze keuze ten grondslag gelegd dat eiser – zelfs met hulp uit zijn omgeving – niet voldoende in staat is een pgb op verantwoorde wijze te beheren. Ook kan hij niet zelfstandig zijn eigen belangen behartigen.

Als overgangsmaatregel heeft verweerder in de eerste drie maanden een pgb toegekend voor 3 uur ‘Coachen’ die geleverd kan worden door [hulpverlener] van WerkSzaam met daarnaast 2 uur ‘Overnemen’ in de vorm van ZIN.

3.1.

Eiser voert allereerst aan dat er bij een keukentafelgesprek een kwaliteitsmedewerker heeft gezeten, terwijl het gesprek vertrouwelijk hoort te zijn. De aanwezigheid van deze medewerkster is daarom onrechtmatig.

3.2.

De rechtbank stelt vast dat de aanwezigheid van een kwaliteitsmedewerkster van verweerder bij een keukentafelgesprek er niet voor zorgt dat de informatie die verkregen is tijdens dit gesprek onrechtmatig verkregen is. Verweerder heeft de informatie van dit gesprek dus ten grondslag kunnen leggen aan het primaire besluit. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.1.

Eiser stelt daarnaast dat de voorziening ‘Coachen’ had moeten worden toegekend in plaats van de voorziening ‘Overnemen’. Eerder is bewust voor ‘Coachen’ gekozen, omdat de dochters van eiser verschillende taken over kunnen nemen. Zij zouden zich nu, volgens eiser, buiten spel gezet voelen. Daarnaast is de situatie van eiser misschien wankel, maar de situatie van zijn dochters is dat niet.

4.2.

In artikel 14 van de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem 2018 (Beleidsregel) zijn de voorzieningen ‘Overnemen’ en ‘Coachen’ omschreven. Uit de omschrijving blijkt dat ‘Coachen’ bedoeld is om cliënten bepaalde vaardigheden aan te leren die zij op een zeker moment zelfstandig kunnen gaan uitvoeren. De ondersteuning is daarom in principe eindig. De voorziening ‘Overnemen’ is bedoeld voor cliënten die taken en vaardigheden op meerdere levensdomeinen niet zelfstandig kunnen uitvoeren of hierbij van anderen afhankelijk zijn voor structuur en regie. De ondersteuning kan langdurig zijn.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat een maatwerkvoorziening een passende bijdrage dient te leveren aan de zelfredzaamheid en/of participatie van een cliënt. De voorziening die verweerder treft moet hierop gericht zijn. Uit het systeem van de wet volgt daarnaast dat verweerder bepaalt welke voorziening geschikt is voor de cliënt en wat dus bijdraagt aan de bevordering van diens zelfredzaamheid en/of participatie.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op overtuigende wijze heeft beargumenteerd dat ‘Overnemen’ een voorziening is die een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid van eiser. De begeleiding die eiser in eerdere jaren ontving blijkt uit de keukentafelgesprekken vrijwel alleen te hebben bestaan uit het stabiliseren van de situatie van eiser. Van het aanleren van vaardigheden die eiser op termijn zelfstandig kan gaan toepassen was geen sprake. Omdat de problematiek van eiser chronisch is, zijn er ook voor de toekomst weinig tot geen mogelijkheden om de zelfredzaamheid van eiser te vergroten. Verweerder heeft daarom terecht gekozen voor een vorm van ondersteuning die gericht is op stabilisatie en behoud van vaardigheden in plaats van een voorziening die gericht is op het aanleren van vaardigheden. De voorziening ‘Overnemen’ zoals omschreven in de Beleidsregel levert deze vorm van ondersteuning en levert daarmee een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.1.

Eiser stelt tot slot dat verweerder hem ten onrechte de ondersteuning in de vorm van ZIN heeft toegekend. Hij heeft namelijk om een pgb gevraagd. Een pgb moet in dat geval op grond van artikel 2.3.6, eerste lid van de Wmo 2015 verstrekt worden. Eiser voldoet aan de voorwaarden die worden gesteld aan de verstrekking van een pgb. Hoewel hij zelf geen pgb kan beheren, kan zijn hulpverlener en tevens gemachtigde, de heer F. [hulpverlener] ( [hulpverlener] ), dit wel. Daarnaast kunnen zijn dochters helpen met het beheer. Ook voldoet hij aan alle overige voorwaarden. Verweerder perkt volgens eiser dan ook zijn keuzevrijheid op onaanvaardbare wijze in door het verzochte pgb niet te verstrekken. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 maart 2015.1

5.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aan alle voorwaarden van artikel 2.3.6, tweede lid van de Wmo 2015 voldoet. Eiser is ten eerste niet op eigen kracht in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen en ook kan hij de taken die aan een pgb verbonden zijn niet op verantwoorde wijze uitvoeren. Het betreft onder andere taken als het aangaan van een overeenkomst, het aansturen van de hulpverleners en het bijhouden van een administratie. Met hulp van [hulpverlener] of zijn dochters kan eiser deze taken ook niet op verantwoorde wijze uitvoeren. Als een hulpverlener, zoals [hulpverlener] , het pgb beheert waaruit hij bekostigd wordt, kan dit leiden tot belangenverstrengeling. Dit is ongewenst, omdat het belang van de hulpverlener niet boven dat van de cliënt mag gaan. Als een cliënt een geringe mate van invloed heeft op de beslissing om een pgb te kiezen, is dit volgens verweerder een factor die wijst op ongewenste belangenverstrengeling. Hiervan is in het geval van eiser sprake. [hulpverlener] werkt namelijk al zeer lange tijd in het gezin van eiser. Eiser is op zijn hulp aangewezen. Daarnaast kan verweerder door de taalbarrière van eiser in combinatie met zijn verdere beperkingen niet goed beoordelen in welke mate hij invloed heeft op de keuze voor pgb en de manier waarop en waar de zorg wordt ingekocht en in hoeverre hij daarin afhankelijk is van [hulpverlener] .

De dochters zijn met de aanwezigheid van [hulpverlener] in het gezin opgegroeid. Hierdoor is een zekere belangenverstrengeling ontstaan. Het gevolg hiervan is dat verweerder betwijfelt of de dochters van eiser in kunnen schatten of de ingekochte voorziening veilig en doelmatig is.

5.3.

De rechtbank stelt voorop dat een cliënt de vrijheid heeft te kiezen tussen ZIN en een pgb. Een pgb wordt verstrekt als is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2.3.6 tweede lid van de Wmo 2015. Daarin is bepaald dat een pgb wordt verstrekt indien:

a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

5.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet zelfstandig het pgb kan beheren. De vraag die hier voorligt is of eiser dit kan met behulp van zijn dochters. Verder ligt de vraag voor of [hulpverlener] de geschikte persoon is om eiser bij te staan bij een verantwoorde uitvoering van taken die zijn verbonden aan het pgb.

5.5.

De rechtbank is van oordeel dat een college slechts kan vaststellen dat een cliënt met hulp van zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, een pgb kan beheren als vaststaat dat de beoogde persoon uit het netwerk of de vertegenwoordiger ook daadwerkelijk heeft laten weten dat hij bereid is deze hulp te bieden. Uit de stukken blijkt op geen enkele manier dat de (inmiddels meerderjarige) dochters van eiser bereid zijn de taken uit te voeren die verbonden zijn aan het beheer van een pgb. Zij zijn ook niet aanwezig geweest bij de keukentafelgesprekken, de hoorzitting op bezwaar of de zitting bij de rechtbank. Dit is des te opmerkelijker nu uit de stukken blijkt dat één of beide dochters voorheen vrijwel altijd aanwezig waren bij gesprekken en nauw betrokken waren bij de indicatiestelling en zorgverlening. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder terecht geen pgb heeft verstrekt op basis van de enkele en niet nader onderbouwde veronderstelling van eiser dat de dochters wel bij het beheer van het pgb zullen helpen.

5.6.

Ten aanzien van [hulpverlener] geldt dat hij zich bereid heeft verklaard eiser te helpen bij het beheer van zijn pgb. Dit betekent dat het pgb verstrekt moet worden indien eiser met behulp van [hulpverlener] naar het oordeel van verweerder in staat moet worden geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren en voldaan is aan de overige voorwaarden die de wet stelt.

5.7.

Voor de uitvoering van artikel 2.3.6, tweede lid onder a van de Wmo 2015 heeft verweerder in artikel 17.1 van de Beleidsregel het volgende opgenomen:

“Als de cliënt de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken uitvoert met hulp van de betrokken ondersteuner, diens personeel of op een andere wijze aan de ondersteuner verbonden persoon, kan het college een persoonsgebonden budget weigeren op grond van belangenverstrengeling. Het belang van degene die de ondersteuning met het persoonsgebonden budget biedt mag namelijk nadrukkelijk niet boven het belang van de cliënt staan. Een factor die kan wijzen op ongewenste belangenverstrengeling is als de cliënt een lage mate van invloed heeft op het besluit om voor een persoonsgebonden budget te kiezen.”

5.8.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze Beleidsregel in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraak van 21 augustus 20132 over het beheer van een AWBZ-pgb door derden overwogen dat het beheer door een derde verantwoord is als deze derde een “gewaarborgde hulp” is. Dit is het geval als voldoende aannemelijk is gemaakt dat hij kan instaan voor nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen. Het gaat om verplichtingen als de organisatie en het beheer van de zorg, waaronder het kiezen van de zorgverlener en het besteden van het pgb aan zorg die kwalitatief verantwoord is, en het afleggen van rekening en verantwoording over de verleende zorg. Uit de opsomming van deze verplichtingen is al duidelijk dat een zorgaanbieder geen gewaarborgde hulp kan zijn als hij bekostigd wordt uit het pgb dat hij beheert. Dit volgt ook uit een uitspraak van de CRvB van 1 januari 20173 over het beheer van een AWBZ-pgb.

De verplichtingen die verbonden zijn aan het beheer van een AWBZ-pgb verschillen naar het oordeel van de rechtbank niet wezenlijk van de verplichtingen die verbonden zijn aan het beheer van een Wmo-pgb. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder artikel 17.1 van de Beleidsregel heeft kunnen vaststellen. De rechtbank is eveneens van oordeel dat verweerder in redelijkheid het pgb heeft kunnen weigeren omdat verweerder ervan uit mocht gaan dat eiser met hulp van [hulpverlener] het pgb op verantwoorde wijze kan beheren, omdat [hulpverlener] de hulpverlener is die vanuit het pgb wordt bekostigd.

5.9.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder aan eiser terecht heeft geweigerd een pgb te verstrekken, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde uit artikel 2.3.6, tweede lid en onder a van de Wmo 2015. Het staat onvoldoende vast dat de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze zullen worden uitgevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van H. de Groot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 10 september 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:RBOBR:2015:1272.

2 CRvB 21 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1488.

3 CRvB 11 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:232.