Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3902

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-09-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4181
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrachtwagenchauffeur, amfetamine, Duitsland; artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, onderzoek naar de geschiktheid, rijbewijs.

De Regeling biedt verweerder geen grondslag de vrachtwagenchauffeur te verplichten zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn drugsgebruik. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/4181

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Poort),

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen te Rijswijk, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser de verplichting opgelegd mee te werken aan een onderzoek naar zijn drugsgebruik. Tevens is de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 10 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gelijktijdig met de behandeling van de zaak met procedurenummer AWB 18/4180 plaatsgevonden op 27 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.J. Kwant.

Overwegingen

1. Eiser is houder van een Nederlands rijbewijs. Op 4 november 2017 is eiser, vrachtwagenchauffeur van beroep, tijdens zijn werkzaamheden in Duitsland staande gehouden en/of aangehouden. Na onderzoek is vastgesteld dat eiser 360 ng/ml amfetamine in zijn bloed had. Aan eiser is een boete van € 700 opgelegd. Hij heeft een rijverbod van 24 uur gekregen.

1.1

In een brief van 7 maart 2018 van het Kraftfahrt-Bundesambt aan de Rijksdienst Wegverkeer (RDW) staat: ‘please find enclosed an expertise and/or notification from the police in relation to a violation of the German narcotics law (drug abuse) to your attention and possible further action. Such a procedure has not been initiated because the person is not a resident in Germany.’

Daarbij is gevoegd de brief van de Kreisverwaltung des Westerwaldkreises in Montabaur aan het Kraftfahrt-Bundesambt van 5 maart 2018. Daarin staat ‘Beigefügt übersenden wir das Schreiben der Polizeiautobahnstation vom 12.02.2018 sowie das toxikologische Gutachten mit der Bitte um Weiterleitung an die zuständige ausländische Fahrerlaubnisbehörde.’ Bij deze brief van de Kreisverwaltung zijn als bijlagen meegestuurd:

  1. Een ‘Mitteilung an Fahrerlaubnisbehörde gem. § 2 Abs. 12 StVG – Füherschein’ van Polizeiautobahnstation Montabaur van 12 februari 2018. Daarin staat, voor zover hier van belang: ‘Der Beschuldigte wurde im Rahmen einer Verkehrkontrolle überprüft. Dabei reagierte ein durchgeführter Drogentest positiv auf Amphetamin. Mit dem Tatvorwurf konfrontiert räumte der Beschuldigte ein, am Abend zuvor Amphetamin konsumiert zu haben. Die im Anschluss durchgeführte Blutprobe wurde toxikologisch ausgeweret uns ergab ebenfalls ein positives Ergebnis hinsichtlich Amphetamin. (…) Zudem wurden eine blaue Cremedose mit 0,6g Amphetamin und eine Metalldose mit 0,2g Amphetamin, eine XTC-Tablette und vier leeren Griptütchen mit weisen Putverrückständen ausgefunden und sichergestellt.’

  2. Een (Duitstalig) rapport van een forensisch toxicoloog van 31 januari 2018 waarin - samengevat - staat dat in het op 4 november 2017 afgenomen bloed van eiser een concentratie van 360 ng/ml amfetamine is aangetroffen.

1.2

In een mail van 15 maart 2018 heeft de RDW de vanuit Duitsland ontvangen melding doorgestuurd aan de directeur van het CBR. Deze heeft op zijn beurt op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet schriftelijk mededeling gedaan aan de divisie vorderingen van verweerder dat er een vermoeden bestaat dat eiser niet langer beschikt over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van de categorie(ën) AM, B, BE, C, CE van de motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven. In de mededeling van de directeur van het CBR staat dat er een vermoeden van ongeschiktheid bestaat op basis van bijlage 1 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling) onder B ‘andere drogerende stoffen’: betrokkene is staande gehouden of aangehouden onder invloed van drogerende stoffen.

1.3

Naar aanleiding van deze mededeling heeft verweerder eiser op grond van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling en bijlage I, onder B, onderdeel III van de Regeling verplicht deel te nemen aan een onderzoek naar de geschiktheid. Verweerder heeft ook de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst. Dit besluit heeft verweerder in bezwaar gehandhaafd.

2. Eiser heeft de feitelijke gang van zaken op 4 november 2017 niet betwist. Hij betwist evenmin dat hij die dag 360 ng/ml amfetamine in zijn bloed had. Eiser voert evenwel aan dat verweerder niet bevoegd was om te besluiten dat hij zich aan een onderzoek naar de geschiktheid diende te onderwerpen. Artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling formuleert twee voorwaarden:

- ten aanzien van betrokkene is proces-verbaal opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek,

- de politie heeft in het proces-verbaal aanvullende gegevens opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen. Volgens eiser is aan geen van beide voorwaarden voldaan. Er is ten aanzien van hem geen proces-verbaal wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WvW 1994) opgemaakt. Bovendien heeft de Nederlandse politie niet in een dergelijk proces-verbaal aanvullende gegevens opgenomen die leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen, aldus nog steeds eiser.

3. Verweerder heeft aan het besluit tot het opleggen van een onderzoek naar het drugsgebruik artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f van de Regeling ten grondslag gelegd en deze grondslag in bezwaar gehandhaafd. In dit artikel, zoals dat geldt met ingang van

1 juli 2017, staat dat het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien ten aanzien van betrokkene proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.

Tot 1 juli 2017 kende dit artikel een andere tekst, namelijk dat het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien er sprake is van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder B, onderdeel III, Drogerende Stoffen, Andere drogerende stoffen.

In de bij deze Regeling behorende bijlage onder B, onderdeel III, Drogerende Stoffen, Andere drogerende stoffen stond tot 1 juli 2017 ‘betrokkene is staande gehouden of aangehouden onder invloed van drogerende stoffen’.

Met ingang van 1 juli 2017 staat in de bij deze Regeling behorende bijlage onder B, onderdeel III, Drogerende Stoffen, onder het kopje Andere drogerende stoffen of een combinatie van drogerende stoffen:

indien ten aanzien van betrokkene is proces-verbaal opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.

4. De rechtbank concludeert dat de tekst van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling met ingang van 1 juli 2017 is gewijzigd. Met ingang van 1 juli 2017 staat in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling geen verwijzing meer naar de bij deze Regeling behorende bijlage onder B, onderdeel III, Drogerende Stoffen.

4.1

Tot 1 juli 2017 besloot verweerder op grondslag van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid indien betrokkene is staande gehouden of aangehouden onder invloed van drogerende stoffen, Andere drogerende stoffen.

4.2

Uit de tekst van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling, zoals die geldt sinds 1 juli 2017 en dus ook op 4 november 2017, volgt dat verweerder sindsdien besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid indien ten aanzien van eiser een proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de WvW 1994.

4.3

Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van eiser geen proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de WvW 1994. Dat kan ook niet, omdat eiser tijdens zijn werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur tijdens een verkeerscontrole in Duitsland is staande gehouden en/of aangehouden door de Duitse politie. Duitse politieambtenaren zijn niet bevoegd om een proces-verbaal op te maken wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de (Nederlandse) WvW 1994.

5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de stukken blijkt dat ten aanzien van eiser een (Duits) proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van het rijden onder invloed van drugs. In dat proces-verbaal zijn bovendien aanvullende gegevens opgenomen waaruit het vermoeden van het rijden onder invloed van drogerende stoffen blijkt. In eisers vrachtwagen zijn immers twee doosjes met respectievelijk 0,2 en 0,6 gram amfetamine, een xtc-pil en vier gripzakjes met restanten wit poeder gevonden. Volgens verweerder is daarmee voldaan aan de voorwaarden die artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling stelt aan het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid.

5.1

De rechtbank volgt verweerder hierin niet. De rechtszekerheid brengt met zich mee dat burgers dienen te weten wanneer verweerder besluit dat iemand zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid. Niet meewerken zonder geldige reden leidt tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. Aan het onderzoek naar de geschiktheid zijn bovendien flinke kosten verbonden. De wetgever heeft de situaties waarin medewerking aan een onderzoek naar de geschiktheid van een burger kan worden gevergd dan ook nauwkeurig en limitatief omschreven. Het naar analogie uitleggen van de tekst van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling is daar niet mee te rijmen.

5.2

Uit de Memorie van Toelichting (MvT)1 bij de wijziging van de Regeling blijkt dat de wijziging van de regeling zijn oorzaak had in wijziging van de tekst van artikel 8 WvW 1994. Uit de MvT kan niet echter worden afgeleid waarom de eis is opgenomen dat er sprake moet zijn van een proces-verbaal opgemaakt wegens verdenking van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de WvW 1994. Ook verweerder heeft hier ter zitting desgevraagd geen verklaring voor kunnen geven. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat er des te meer reden is om zo dicht mogelijk aan te sluiten bij de geldende tekst van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling. Zonder aanknopingspunten in de toelichting bij de wijziging van de Regeling is er te minder reden om te veronderstellen dat de wetgever heeft bedoeld dat ook met een ten aanzien van betrokkene opgemaakt Duits proces-verbaal wegens verdenking van het rijden onder invloed van drugs aan de voorwaarden voor het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid is voldaan.

5.3

Daar komt bij dat verweerder weliswaar stelt dat zich in het dossier een (Duits) proces-verbaal bevindt dat is opgemaakt ten aanzien van eiser wegens verdenking van het rijden onder invloed van drugs, maar dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat bij de stukken daadwerkelijk een proces-verbaal van de Duitse politie zit. Evenmin heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat het gaat om een proces-verbaal opgemaakt wegens verdenking van overtreding van een Duitse equivalent van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de WvW 1994. Dat verweerder geen vertaling van Duitstalige stukken heeft overgelegd en ter zitting niet heeft kunnen toelichten wat een ‘Mitteilung an Fahrerlaubnisbehörde gem. § 2 Abs. 12 StVG – Füherschein’ is, is daar mede debet aan. Zelfs als de rechtbank verweerder zou volgen in diens analoge uitleg van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling, heeft verweerder in dit concrete geval niet aannemelijk gemaakt dat aan de toepassingsvoorwaarden van deze bepaling is voldaan.

5.4

Voor zover verweerders uitleg van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling zo zou moeten worden begrepen dat uit de stukken in het dossier blijkt dat eiser op 4 november 2017 onder invloed van drugs heeft gereden en drugs in zijn vrachtwagen had liggen en dus aan de voorwaarden van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling is voldaan, miskent verweerder dat de wetgever nadrukkelijk de eis heeft gesteld dat ten aanzien van betrokkene proces-verbaal is opgemaakt. Een proces-verbaal wordt op ambtseed op ambtsbelofte opgemaakt en heeft daarmee een grote bewijswaarde dan een ander schriftelijk stuk. Voor een zodanig ruime uitleg van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder f. van de Regeling dat een proces-verbaal niet is vereist, bieden de tekst van deze bepaling noch de toelichting erop steun. De rechtbank volgt verweerder daarom niet.

5.5

Verweerders verwijzing tot slot naar artikel 2, eerste lid, van de Regeling baat hem niet. Daarin staat dat een vermoeden van ongeschiktheid wordt gebaseerd op feiten en omstandigheden als genoemd in de bij de Regeling behorende bijlage. Hiervoor overwoog de rechtbank al dat met ingang van 1 juli 2017 in de bij deze Regeling behorende bijlage onder B, onderdeel III, Drogerende Stoffen, onder het kopje Andere drogerende stoffen of een combinatie van drogerende stoffen staat:

indien ten aanzien van betrokkene is proces-verbaal opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.

Dat en waarom verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan deze voorwaarden is voldaan, blijkt uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen. Daar komt bij dat artikel 2 van de Regeling geen grondslag biedt voor het besluit om iemand te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid. Die bevoegdheidsgrondslag is neergelegd in artikel 23 van de Regeling.

6. Verweerder was naar het oordeel van de rechtbank kortom niet bevoegd eiser te verplichten zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn drugsgebruik.

7. Het beroep is gegrond. Het besluit van 10 juli 2018 zal worden vernietigd voor zover verweerder eiser daarin de verplichting heeft opgelegd mee te werken aan een onderzoek naar zijn drugsgebruik. De rechtbank ziet gelet op de aard en ernst van het gebrek aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen voor zover verweerder eiser daarin de verplichting heeft opgelegd mee te werken aan een onderzoek naar zijn drugsgebruik. Dit betekent dat het ervoor gehouden moet worden dat verweerder eiser geen verplichting heeft opgelegd zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn drugsgebruik.

8. Omdat verweerder eisers rijbewijs bij besluit van 27 juli 2018 inmiddels ongeldig heeft verklaard en de schorsing van rijbewijs daarmee is geëindigd, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep voor zover dat is gericht tegen de schorsing van zijn rijbewijs. Tegen het besluit tot ongeldigverklaring heeft eiser bezwaar gemaakt en een verzoek gedaan om een voorlopige voorziening te treffen. In de zaak met zaaknummer AWB 18/4180 heeft de voorzieningenrechter heden op het verzoek beslist.

9. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op

€ 1.002 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en wegingsfactor 1). Tevens zal worden bepaald dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover dat is gericht tegen de aan eiser opgelegde verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar zijn drugsgebruik;

  • -

    vernietigt het besluit van 10 juli 2018 voor zover verweerder eiser daarin de verplichting heeft opgelegd mee te werken aan een onderzoek naar zijn drugsgebruik;

  • -

    herroept het besluit van 24 april 2018 voor zover verweerder eiser daarin de verplichting heeft opgelegd mee te werken aan een onderzoek naar zijn drugsgebruik;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.002;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 170 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 08 juni 2017, nr. IENM/BSK-2017/127934, houdende wijziging van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 in verband met de verbetering van de aanpak van rijden onder invloed van drugs (Stcrt. 2017, nr. 32919)