Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3844

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
06-09-2018
Zaaknummer
C/05/339923 / KZ ZA 18-175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering gemeente deels toegewezen: verbod opgelegd aan zorginstelling om dwangsombevel uit te voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/339923 / KZ ZA 18-175

Vonnis in kort geding van 6 september 2018

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ZUTPHEN,

zetelend te Zutphen,

eiseres,

advocaat mr. F.B.A.M. van Oss te Harderwijk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE VERBORGEN KRACHT B.V.,

gevestigd te Zutphen,

gedaagde,

advocaat mr. D. van Alst te Nijmegen.

Partijen zullen hierna de gemeente en DVK genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van de gemeente

  • -

    de pleitnota van DVK.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

DVK voert een onderneming die een zorginstelling exploiteert op het gebied van jeugdhulp. DVK verleent sinds 2016 jeugdhulp in Zutphen. Statutair bestuurder van DVK is de heer [naam statutair bestuurder].

2.2.

Gemeenten zijn sinds 1 januari 2015 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Jeugdwet. In het kader van de uitvoering van deze wet heeft de gemeente regels vastgesteld die onder meer zijn opgenomen in de Verordening Jeugdhulp Zutphen 2015 en de Nadere Regels Jeugdhulp 2015. De besluitvorming over de uitvoering van de zorg heeft de gemeente gemandateerd aan haar dienst, het Centrum voor Jeugd en Gezin (hierna: CJG). CJG heeft de taak om passende hulp te indiceren, toegespitst op de hulpvraag die een gezin bij CJG neerlegt.

2.3.

In oktober 2014 hebben partijen een raamovereenkomst gesloten op grond waarvan DVK behoort tot de zorgaanbieders aan wie CJG cliënten doorverwijst voor passende jeugdhulp. In de raamovereenkomst zijn onder meer afspraken vastgelegd over tarifering en kwaliteit van zorg.

2.4.

In 2016 heeft CJG 21 cliënten doorverwezen naar DVK. In 2017 heeft de gemeente aan DVK en een aantal ouders/verzorgers van cliënten van DVK haar zorgen geuit over (onder meer) de kwaliteit van de door DVK geleverde jeugdhulp en een onderzoek gestart om die zorgen te onderzoeken. De gemeente heeft in april 2017 besloten om beschikkingen voor zorg die door DVK wordt verleend te verlengen voor periodes van maximaal drie maanden.

2.5.

Eind 2017 heeft DVK de gemeente gedagvaard in een kortgeding. DVK heeft in die procedure onder meer gevorderd om de gemeente te gelasten de beperkende maatregelen tegen DVK in te trekken en over te gaan tot het op reguliere wijze ruimhartig en correct doorverwijzen van cliënten, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.6.

Bij vonnis van 12 december 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (onder andere) als volgt beslist:

“5.1. gelast de gemeente over te gaan tot het op reguliere wijze - zoals zij dit heeft gedaan tot 1 januari 2017 - doorverwijzen van cliënten naar DVK en tot het verlengen van indicaties op basis van de door de betreffende cliënt benodigde hulp,
5.2. bepaalt dat de gemeente voor iedere keer dat zij in strijd handelt met het onder 5.1 bepaalde een dwangsom van € 25.000,- aan DVK verbeurt, tot een maximum van € 250.000,- is bereikt,

(…)”

2.7.

Bij deurwaardersexploot van 8 januari 2018 heeft DVK het vonnis van 12 december 2017 aan de gemeente laten betekenen.

2.8.

Op 8 januari 2018 heeft de gemeente spoedappel ingesteld tegen het vonnis van 12 december 2017.

2.9.

Op 9 juli 2018 heeft DVK de gemeente bij deurwaardersexploot bevolen om € 100.345,82 aan haar te voldoen, waarvan € 100.000,00 aan verbeurde dwangsommen en € 345,82 aan kosten van betekening/nakosten. In het exploot is verwezen naar een brief van 6 juli 2018 van DVK aan de gemeente waarin onder meer het volgende is medegedeeld:

“De afgelopen tijd geeft CJG Zutphen aan gezinnen aan voornemens te zijn om indicaties niet te verlengen en verlengt zij deze in gevallen ook daadwerkelijk niet, op basis van de volgende twee redenen:

- Volgens het CJG Zutphen zou De Verborgen Kracht geen Jeugd GGZ instelling zijn, omdat hiervoor geen contract is afgesloten met de gemeente.

- Volgens het CJG Zutphen is er geen 24 uurs opvang bij De Verborgen Kracht mogelijk, omdat de gemeente en De Verborgen Kracht dit niet met elkaar zijn overeengekomen/dit niet door de gemeente bij De Verborgen Kracht is ingekocht.

(…DVK noemt twee concrete voorbeelden van gezinnen waaraan CJG heeft bericht dat DVK de gevraagde zorg niet kan leveren, vzr)

Beide argumenten die door het CJG Zutphen worden aangehaald, zijn feitelijk niet correct.

De Verborgen Kracht is wel degelijk een Jeugd GGZ instelling. De Verborgen Kracht beschikt niet voor niets over het HKZ keurmerk ‘Geestelijke Gezondgheidszorg’. De Verborgen Kracht verleent ook reeds de gehele contractsperiode GGZ-zorg aan cliënten uit de gemeente Zutphen. Dit blijkt reeds uit het feit dat het hier om verlengingen van bestaande indicaties gaat. (…)

Het is (…) onjuist dat bij De Verborgen Kracht geen 24-uurs opvang mogelijk zou zijn.

De Verborgen Kracht is gelet op het vorengaande van mening dat het CJG Zutphen zich met bovenstaande besluiten en uitspraken niet houdt aan het vonnis (… van 12 december 2017, vzr).

In aanvulling op bovenstaande draag ik graag nog een tweetal andere concrete cases aan, waaruit blijkt dat het CJG Zutphen zich niet houdt aan het afgegeven vonnis van de Rechtbank Gelderland.

(…DVK noemt nog twee concrete voorbeelden van gezinnen waarbij de hulpverlening door DVK (aanvankelijk) niet zou worden voortgezet, vzr)

Het vorengaande brengt met zich mee dat zich inmiddels ten minste vier situaties hebben voorgedaan waarin sprake is van overtreding van het vonnis. Daarom laten wij u via deze weg weten dat wij een deurwaarder zullen inschakelen om dwangsommen met betrekking tot bovenstaande vier casussen bij de gemeente Zutphen op te eisen. (…)”

2.10.

Bij arrest van 31 juli 2018 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, als volgt beslist over het vonnis van 12 december 2017 :

“bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 12 december 2017, behoudens voor wat betreft de veroordeling in de nakosten en de dwangsomveroordeling, vernietigt de onbeperkte duur van laatstgemelde veroordeling en doet in zoverre opnieuw recht:

bepaalt dat de dwangsomveroordeling in dat vonnis wordt begrensd tot de datum van betekening van dit arrest;

veroordeelt (in aanvulling op de aldus begrensde veroordeling) de gemeente na betekening van dit arrest voor iedere periode van drie aaneensluitende kalendermaanden dat zij niet op reguliere wijze cliënten doorverwijst naar De Verborgen Kracht en/of niet op reguliere wijze indicaties verlengt tot betaling aan De Verborgen Kracht van een dwangsom van € 50.000 per periode;

(…)”

3 Het geschil

3.1.

De gemeente vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. DVK te verbieden het bevel van 9 juli 2018 ten uitvoer te leggen en DVK te verbieden om het vonnis van 12 december 2017 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, ter zake de vier in haar brief van 6 juli 2018 genoemde gevallen te executeren, zulks op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 per keer dat DVK hiermee in strijd handelt;

2. DVK te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten.

3.2.

De gemeente stelt kort samengevat dat zij zich aan het vonnis van 12 december 2017 heeft gehouden, óók in de vier door DVK genoemde gevallen. Zij verwijst en verlengt indicaties regulier: zij geeft conform wet- en regelgeving beschikkingen af en wijst zorg toe conform de raamovereenkomst. DVK wordt daarbij niet achtergesteld ten opzichte van andere zorgaanbieders. De gemeente stelt dan ook geen dwangsommen te hebben verbeurd.

3.3.

DVK voert ten verwere aan dat de gemeente niet aan de veroordeling in het vonnis van 12 december 2017 voldoet. DVK heeft in 2018 nog geen enkele nieuwe cliënt doorverwezen gekregen. Het probleem is dat dwangsommen worden verbeurd per overtreding en DVK derhalve een concrete overtreding zal moeten aanwijzen, hetgeen bij nieuwe verwijzingen feitelijk vrijwel onmogelijk is. DVK heeft daarom vier gevallen aan de door haar opgeëiste dwangsommen ten grondslag gelegd waarin verlenging van de zorg door DVK aan de orde was en de gemeente alles in het werk heeft gesteld om te voorkomen dat DVK die zorg zou continueren en van het op reguliere wijze verlengen van zorg in de zin van het vonnis van 12 december 2017 dan ook geen sprake was.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Samengevat gaat het in deze zaak om de vraag of de gemeente heeft voldaan aan haar verplichting om cliënten op reguliere wijze door te verwijzen naar DVK en tot het verlengen van indicaties op basis van de door de betreffende cliënt benodigde hulp. De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft de gemeente daartoe bij vonnis van 12 december 2017 op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 per keer dat zij in strijd daarmee handelt, veroordeeld.

4.2.

Een partij aan wie door de rechter een dwangsom is opgelegd verbeurt die dwangsom, indien hij – na betekening van de uitspraak waarin de dwangsommen zijn vastgesteld, de hoofdveroordeling niet (tijdig) nakomt (artikel 611a lid 3 Rv). In dat geval kan hij op twee manieren proberen aan de op hem rustende dwangsomschuld te ontkomen: ofwel door bij de dwangsomrechter opheffing, vermindering of opschorting van de dwangsom te vorderen vanwege onmogelijkheid om aan de veroordeling te voldoen, ofwel – zoals in dit geschil aan de orde is – door bij de executierechter een executiegeschil aanhangig te maken op grond van artikel 438 Rv.

4.3.

In een executiegeschil is voor de beantwoording van de vraag naar “onmogelijkheid” geen plaats. Het gaat dan om de vraag of de veroordeelde dwangsommen heeft verbeurd en, zo ja, of degene die de dwangsommen int daarmee misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid. Bij de beoordeling van de eerste vraag – zijn de dwangsommen verbeurd? – moet de executierechter onderzoeken of de door de dwangsomrechter verlangde prestatie waaraan de dwangsom is verbonden (de hoofdveroordeling) is verricht. De executierechter heeft niet tot taak de door de dwangsomrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen. Hij dient zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling.

4.4.

Vast staat dat het vonnis van 12 december 2017 op 8 januari 2018 aan de gemeente is betekend. Tegen het vonnis is door de gemeente hoger beroep ingesteld, waarna het gerechtshof bij arrest van 31 juli 2018 heeft beslist als vermeld in 2.10. Het door DVK gestelde handelen van de gemeente dat volgens haar in vier gevallen heeft geleid tot het verbeuren van dwangsommen, heeft plaatsgevonden in de periode tussen 8 januari en 31 juli 2018. Daarom dient dat handelen van de gemeente te worden getoetst aan de veroordeling in het vonnis van 12 december 2017. In het kader van die toetsing overweegt de voorzieningenrechter aan de hand van de vier concrete gevallen – die in navolging van partijen worden aangeduid als casus A, B, C en D – als hierna volgend.

Casus A

4.5.

De gemeente heeft zich in dit geval op het standpunt gesteld dat DVK niet de juiste zorgaanbieder is omdat DVK niet het type zorg biedt waar behoefte aan is (24-uurs opvang en GGZ-behandeling), althans dat de gemeente geen contract met DVK heeft met betrekking tot dit type zorg en DVK die zorg dus niet kan aanbieden binnen de gemeente. De gemeente betwist dat deze handelwijze in strijd met het vonnis van 12 december 2017 is omdat DVK de geïndiceerde zorg niet (binnen de gemeente) kan leveren. De gemeente heeft de begeleiding door DVK inmiddels wél verlengd tot 1 januari 2019. De gemeente stelt dan ook dat zij in deze casus regulier heeft verlengd, zonder DVK achter te stellen ten opzichte van andere zorgaanbieders.

4.6.

DVK stelt dat de gemeente in het kader van de bestaande zorg plotseling had gesteld dat het kind op een andere plek dan bij DVK beter op zijn plaats zou zijn, terwijl er een positieve ontwikkeling was bij het kind en de zorgvraag ongewijzigd is. Omdat de pleegouders hadden meegedeeld op termijn te willen stoppen, heeft de gemeente dat aangegrepen om te concluderen dat 24-uurs opvang nodig zou zijn en gesteld dat dat bij DVK niet mogelijk is. Op dit moment is 24-uurs opvang echter niet aan de orde en is voortzetting van de bestaande zorg gewenst. Op enig moment heeft de gemeente als nieuw argument nog aangevoerd dat geen verlenging kon plaatsvinden omdat DVK geen GGZ-instelling is. DVK stelt dat zij wel degelijk een GGZ-instelling is. Pas na verwijzing door de huisarts is de gemeente overgegaan tot verlenging van de indicatie tot 1 januari 2019. DVK stelt dat de gemeente er alles aan heeft gedaan om te voorkomen dat verlening van de zorg door DVK zou plaatsvinden.

4.7.

Uit de overgelegde correspondentie blijkt het volgende. Aanvankelijk stelde de gemeente (zo blijkt uit haar brief van 29 maart 2018 aan de moeder) dat DVK niet de geschikte zorg kon bieden omdat zij geen 24-uurs opvang kan bieden. In die brief stelt de gemeente onder meer als volgt:

“(…) Binnen het kader van passende en geschikte zorg geldt keuzevrijheid van ouders. Deze keuzevrijheid betekent niet dat de ouders naar een zorgaanbieder kunnen gaan die niet gekwalificeerd/gecontracteerd is om de passende en geschikte zorg te leveren. Ook niet als ouders zelf een voorkeur voor deze aanbieder hebben. In dit geval is DVK niet de juiste zorgaanbieder om de 24-uurs verblijfsopvang te leveren, omdat DVK niet gecontracteerd is om deze zorg te leveren. (…)”

Ter zitting is gebleken dat 24-uurs opvang vooralsnog niet aan de orde is. DVK heeft onbetwist gesteld dat de pleegouders hebben meegedeeld mogelijk op termijn te willen stoppen. De gemeente heeft onvoldoende onderbouwd waarom zij aanvankelijk het argument van de 24-uurs opvang – wat daar overigens van zij – heeft gebruikt om de moeder te berichten dat DVK in dit geval niet de juiste zorgaanbieder is.

Vervolgens stelt de gemeente in haar brief van 30 april 2018 aan de moeder:

“(…) Anders dan u heeft begrepen en (…) DVK zich wellicht naar u toe heeft geprofileerd, is DVK geen Jeugd GGZ-instelling. DVK heeft voor het leveren van GGZ ook geen contract met de gemeente gesloten. Ik wil u er dan ook op wijzen dat DVK geen GGZ kan leveren die door de gemeente wordt vergoed. (…)”

4.8.

De inhoud van de brief van 30 april 2018 wekt bevreemding. De gemeente heeft (als productie 12) een certificaat overgelegd waaruit blijkt dat DVK voldoet aan de eisen zoals neergelegd in de HKZ-norm Geestelijke Gezondheidszorg “voor het bieden van IPG behandeling, -opvang en begeleiding, -individuele begeleiding, -ambulante begeleiding voor kinderen en jeugdigen met een psychiatrische stoornis/beperking”. Dat de gemeente zonder nadere toelichting in de brief heeft gesteld dat DVK geen Jeugd GGZ-instelling is, is dan ook niet begrijpelijk. Dat geldt te meer nu DVK in de voorgaande jaren ook al zorg aan dit kind leverde en uit de correspondentie niet is af te leiden dat sprake is van een wezenlijke verandering van de zorgvraag. Een en ander lijkt ook te worden bevestigd door het feit dat de gemeente begin juli 2018 uiteindelijk toch is overgegaan tot verlenging van de indicatie voor zorg van DVK tot 1 januari 2019.

4.9.

Uit het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat de verlenging van de indicatie voor zorg door DVK moeizaam is verlopen. Duidelijk is dat de gemeente vanuit haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Jeugdwet zorgvuldig dient om te gaan met verwijzingen en verlengingen van indicaties. Het tijdverloop en de moeizame gang van zaken rond de verlenging is in dit geval echter niet veroorzaakt door de in acht te nemen zorgvuldigheid, maar door het innemen van achtereenvolgende verschillende en onjuiste / onterechte uitgangpunten door de gemeente. De gemeente heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval sprake is geweest van verlenging van de indicatie op reguliere wijze.

Casus B

4.10.

De gemeente heeft zich in dit geval op het standpunt gesteld dat zij vermoedt dat de door DVK verleende zorg niet toereikend is gelet op de zorgzwaarte voor cliënt (het kind). De gemeente vindt dat nader onderzoek nodig is maar de ouders van het kind weigeren daaraan mee te werken en willen dat DVK zorg blijft verlenen. De gemeente vermoedt dat specialistische GGZ (SGGZ) geïndiceerd is. Voor dat type zorg bestaat geen overeenkomst tussen de gemeente en DVK.

De gemeente heeft conform de Jeugdwet en de Verordening Jeugdhulp haar zorgbesluit opgeschort omdat zij als gevolg van de weigering niet kan beoordelen of DVK de juiste zorg kan verlenen. Om tot een indicatiestelling te komen, heeft de gemeente de casus inmiddels – zoals gebruikelijk in dit soort zaken – doorverwezen naar de zogenoemde Jeugdbeschermingstafel (JBT). Zij handelt daardoor niet in strijd met het vonnis van 12 december 2017, aldus de gemeente.

4.11.

DVK stelt dat de gemeente zonder onderbouwing en vóórdat een diagnose is gesteld, heeft geconcludeerd dat mogelijk SGGZ nodig is en dat het kind meer zorg nodig heeft dan DVK kan bieden. Zonder onderbouwing of diagnose heeft de gemeente dringend geadviseerd een andere zorginstelling te kiezen omdat zorg door DVK niet meer aan de orde is, terwijl zowel ouders als DVK constateren dat het goed gaat met het kind en overplaatsing negatieve gevolgen zal hebben voor de ontwikkeling van het kind. Dit kan volgens DVK niet anders worden gekwalificeerd dan dat de gemeente het er willens en wetens – en op oneigenlijke gronden – toe heeft geleid dat de zorg niet bij DVK gecontinueerd wordt. Overigens heeft de gemeente op een later moment (pas bij brief van 5 april 2018) nog het argument van 24-uurs opvang toegevoegd.

4.12.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit de correspondentie het volgende blijkt.

In een e-mailbericht van 26 januari 2018 heeft de gemeente aan DVK bericht dat de indicatie voor het kind wordt afgegeven voor de periode van 1 januari tot en met 31 maart 2018. Daarbij is medegedeeld: “Zoals afgesproken wachten we het proces rondom de diagnostiek af zodat we op een later moment met alle betrokkenen om tafel kunnen gaan. In dit gesprek zullen we met ouders bekijken welke zorg het meest passend is en hoe hier invulling aan gegeven gaat worden.”

Bij e-mailbericht van 30 januari heeft DVK de gemeente gevraagd waarom gekozen is om een indicatie af te geven voor een periode van 3 maanden.

Bij e-mailbericht van 2 februari 2018 heeft de gemeente aan DVK bericht “dat GGZ-onderzoek nodig is om vast te kunnen stellen of er sprake is van psychiatrische problematiek. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden door een psychiater van dokter Bosman zoals besproken in ons overleg. Hierover dient nog nader gesprek met ouders, betrokken hulpverlening en het CJG te volgen. Om tijdens deze periode van afstemming de hulpverlening aan (… het kind, vzr) niet te onderbreken is voor een tijdelijke afwijkende periode van 3 maanden de indicatie verlengd. (…)”

Bij e-mailbericht van 5 februari 2018 heeft DVK gereageerd. Zij stelt zich onder meer op het standpunt dat 3 maanden te kort is om een volledig psychologisch onderzoek af te ronden, ook omdat de helft van die 3 maanden dan al is verstreken. Daarnaast stelt DVK dat zij wel de zorg kan leveren die noodzakelijk is.
De gemeente heeft daarop gereageerd bij e-mailbericht van 9 februari 2018 dat begin maart 2018 overleg zal plaatsvinden als blijkt dat een verlenging passend zou zijn.

Bij e-mailbericht van 13 februari 2018 heeft DVK de gemeente onder meer medegedeeld een inhoudelijke onderbouwing te missen voor de beslissing om voor een periode van 3 maanden een indicatie af te geven en dat als overleg nodig is, dit binnen 2 weken dient te worden gepland.

Op 5 maart 2018 heeft een evaluatiegesprek plaatsgevonden waarbij onder andere de heer [naam statutair bestuurder], medewerkers van CJG en de moeder aanwezig waren.

Bij brief van 28 maart 2018 heeft de gemeente onder meer het volgende aan DVK bericht:

“(…)

Zoals u weet loopt op 30 maart 2018 de indicatie voor een individuele jeugdvoorziening (…) af. In dat kader is er op maandag 5 maart 2018 een evaluatiegesprek geweest. Gebleken is dat op dit moment (… het kind, vzr) voor een groot gedeelte van de week bij (…) DVK verblijft. Daarnaast ligt er een vraag van de ouders/DVK voor volledige opvang binnen DVK voor haar.

(…)

Over het verblijf van de jeugdige binnen DVK kan ik kort zijn: DVK is geen 24-uurs zorginstelling. (…)

Het CJG heeft in het concrete geval van (… het kind, vzr) DVK per abuis toegestaan om 24-uurszorg te bieden. (…) Het bieden van 24-uurszorg is niet mogelijk door DVK en zal dan ook in geen geval structureel worden toegestaan. Concreet betekent dit dat deze 24-uurszorg per 30 maart 2018 moet eindigen. En zal er eerst een diagnose moeten worden gesteld.

(…)

Het CJG hecht er belang dat er een juist diagnose wordt vastgesteld, omdat de mogelijke aanwezigheid van SGGZ problematiek bij de jeugdige niet uitgesloten moet worden geacht. DVK heeft niet de expertise hiervoor in huis en heeft zich ook niet ingeschreven voor verblijf functies van de SGGZ. Wij willen en kunnen niet langer het risico nemen deze jeugdige te laten verblijven bij DVK. DVK is immers niet SGGZ gekwalificeerd en daarvoor ook niet gecontracteerd. (…)”

Bij brief van 5 april 2018 heeft de gemeente onder andere het volgende aan de ouders medegedeeld:

“(…)

Zoals u weet, is de indicatie voor een individuele jeugdvoorziening voor uw dochter op 30 maart 2018 geëindigd. Daarvoor is er op maandag 5 maart 2018 een evaluatiegesprek geweest. Daarbij is gebleken dat uw dochter voor een groot gedeelte van de week bij (…) DVK verblijft. Daarnaast ligt er een vraag van u, als ouders, voor volledige opvang (24-uurs verblijf) voor uw dochter binnen DVK.

(…) DVK is geen 24-uurs zorginstelling. (…)

Het CJG heeft in het recente verleden DVK per abuis toegestaan om 24-uurszorg aan uw dochter te bieden. (…) Het bieden van 24-uurszorg, waarbij de kosten volledig door de gemeente worden vergoed, is niet mogelijk door DVK en zal dan ook in geen geval structureel worden toegestaan. Concreet betekent dit dan deze 24-uurszorg per 30 maart 2018 moet eindigen. Deze zorg is inmiddels geëindigd. Er moet nu eerst een diagnose worden gesteld, zoals ook met u afgesproken in het evaluatiegesprek van 5 maart 2018.

(…).

Het CJG hecht er belang aan dat er een juiste diagnose wordt gesteld, omdat de mogelijke aanwezigheid van SGGZ problematiek bij uw dochter niet uitgesloten moet worden geacht. DVK heeft hiervoor niet de expertise in huis en heeft zich ook niet ingeschreven voor verblijffuncties van de SGGZ. Het CJG wil en kan niet langer het risico nemen uw dochter te laten verblijven bij DVK. DVK is immers niet SGGZ gekwalificeerd en daarvoor ook niet gecontracteerd.

(…)

Zoals afgesproken in het evaluatiegesprek, zou correspondentie over het diagnosetraject bij Dokter Bosman tussen ouders en het CJG plaatsvinden. Het CJG heeft meermaals getracht contact te zoeken met u, als ouders, over het in te zetten diagnosetraject. Hierop hebben wij echter geen reactie van u gekregen. Daarom heeft het CJG contact gezocht met Dokter Bosman. Hieruit blijkt dat u als ouders de toestemmingsverklaring niet heeft ingevuld. Hierdoor heeft de zorg niet kunnen starten. (…)”

De ouders hebben ten slotte tot uiterlijk vrijdag 13 april 2018 gelegenheid gekregen te reageren en een concreet voorstel te doen voor een gesprek met CJG.

Bij brief van 18 april 2018 hebben de ouders gereageerd naar de gemeente. Samengevat delen de ouders mede dat zij vinden dat het kind bij DVK op de juiste plek zit en dat een gesprek geen zin heeft zolang er geen officiële diagnose is.

Bij brief van 26 april 2018 heeft de gemeente aan de ouders medegedeeld dat het diagnosetraject door omstandigheden van de kant van de ouders nog niet is in gang is gezet. De ouders is een laatste verzoek gedaan om een concreet voorstel te doen voor een gesprek met CJG op uiterlijk 4 mei 2018.

De gemeente heeft DVK bij brief van 26 april 2018 medegedeeld dat het stellen van een diagnose noodzakelijk is om te beslissen wat de meest passende zorg is en dat zij er vanuit gaat dat DVK de ouders ook op het belang zal wijzen van het stellen van een diagnose.

4.13.

DVK heeft erkend dat zij geen SGGZ-hulp kan bieden. De vraag is of in dit geval SGGZ-hulp nodig is of dat volstaan kan worden met de zorg waarvoor DVK wél gekwalificeerd en gecontracteerd is. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de gemeente vermoedt dat SGGZ-zorg noodzakelijk is. De gemeente heeft ter zitting toegelicht dat dat vermoeden is gebaseerd op de rapportage van DVK, waaruit blijkt dat sprake is van ernstige problematiek bij het kind. De voorzieningenrechter constateert dat in de rapportage “Evaluatie” van DVK staat dat het kind erg extreem gedrag vertoonde: “stelen, dieren mishandelen, brandstichting, liegen en fysieke agressie”. Het vermoeden van de gemeente dat het kind méér zorg (SGGZ) nodig heeft dan DVK kan bieden, is dus niet ongefundeerd. DVK stelt zich op het standpunt dat het niet aan de gemeente is om te besluiten en/of adviseren dat er méér zorg nodig is. Dat standpunt is op zichzelf juist: voor het stellen van een diagnose is nader onderzoek door een deskundige nodig, zoals de gemeente ook steeds heeft gesteld. Uit de overgelegde correspondentie blijkt echter dat het aan de ouders van het kind te wijten is dat onderzoek nog niet heeft plaatsgevonden en er dus nog geen diagnose is gesteld. Onder deze omstandigheden heeft dat de gemeente op goede gronden besloten de indicatie – in afwachting van de diagnosestelling – niet te verlengen en de zaak in verband met de ontstane patstelling te verwijzen naar de JBT.

Daar komt bij dat de gemeente kennelijk op enig moment heeft vernomen dat het kind 24-uursopvang krijgt, terwijl DVK niet gecontracteerd is om te leveren. Dit is een bevestiging voor het standpunt van de gemeente dat DVK geen passende zorg kan leveren. Dat de gemeente aanvankelijk per abuis wél 24-uursopvang bij DVK heeft toegestaan, doet er niet aan af dat DVK niet gecontracteerd is om structurele 24-uursopvang te leveren.

4.14.

De voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat de gemeente niet in strijd met het vonnis van 12 december 2017 heeft gehandeld. De gemeente had wellicht zorgvuldiger kunnen handelen door de diagnosestelling eerder te initiëren. Dat heeft zij pas gedaan toen de termijn van de indicatie van 3 maanden al grotendeels voorbij was. Daarnaast heeft de gemeente verwarring gewekt door aanvankelijk wel (per abuis) 24-uursopvang bij DVK toe te staan. Eén en ander leidt echter niet tot de conclusie dat het niet verlengen van de indicatie in strijd met het vonnis is geschied omdat de gemeente daar gegronde redenen voor had.

Casus C

4.15.

De gemeente stelt dat in dit geval geen doorverwijzing door haar, maar door Jeugdbescherming Gelderland (JBG) plaatsvindt. Omdat de doorverwijzing in deze zaak geen verantwoordelijkheid van de gemeente is, heeft die verwijzing ook niet in strijd met het vonnis van 12 december 2017 kunnen plaatsvinden. De gemeente betwist voorts dat zij zich naar JBG toe negatief heeft uitgelaten over DVK. Zij stelt wel dat (alle) partijen bekend waren met de moeizame verhouding tussen haar en DVK.

4.16.

DVK stelt dat JBG in deze casus een jeugdbepaling dient af te geven, op basis waarvan de gemeente een beschikking afgeeft. Omdat de gemeente aan JBG heeft meegedeeld niet voornemens te zijn een indicatie voor zorg van DVK af te geven, heeft zij de besluitvorming actief getracht te manipuleren, aldus DVK.

4.17.

Niet in geschil is dat in dit geval sprake is van een ondertoezichtstelling. In geval van de ondertoezichtstelling bepaalt de instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert (in dit geval JBG) op grond van artikel 3.5 van de Jeugdwet of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De instelling overlegt hiertoe op grond van artikel 3.5 met (het college van) de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. Dat de gemeente overleg heeft gehad met JBG over de in te schakelen zorg, is dan ook conform de wettelijke regels. Over de besluitvorming met betrekking tot de indicatie overweegt de voorzieningenrechter bovendien het volgende. JBG heeft bij e-mailbericht van 17 mei 2018 als volgt aan dhr. [naam statutair bestuurder] van DVK bericht:

“(…) U heeft (…) een indicatie aangevraagd bij het CJG in Zutphen. Deze aanvraag is door het CJG doorgestuurd naar Jeugdbescherming Gelderland.

Vanuit het CJG is aan Jeugdbescherming nadrukkelijk het advies gegeven zorgvuldig te zijn in de afgifte van de bepaling jeugdhulp in verband met negatieve ervaringen met u als aanbieder.

Jeugdbescherming Gelderland heeft vanaf deze periode getracht een afspraak te maken om de hulpverlening te evalueren in verband met de ondertoezichtstelling en afstemming te hebben over de zorgaanbieder Intermetzo die ook bij het gezin betrokken is.

Het CJG gaf te kennen bij dit gesprek aanwezig te willen zijn.

Deze afspraak kwam niet tot stand omdat u van mening was dat het CJG geen partij zou zijn bij de gesprek.

De jeugdbeschermer heeft vervolgens u benaderd om rapportage op te sturen zodat de jeugdbeschermer zich vanuit de rapportage een beeld kon vormen over de ingezette hulp. De rapportage die wij na 2 maanden hebben ontvangen is door het CJG in Zutphen beoordeeld als een kopie van de vorige rapportage.

In de rapportage was geen beeld van recente ontwikkelingen en resultaten beschreven.

Het CJG heeft aan de jeugdbeschermer geadviseerd kritisch te zijn op dit rapport en wederom een afspraak te maken voor een evaluatie. JBG heeft het besluit genomen om zonder CJG deze evaluatie te plannen.

Op 27 februari heeft dit gesprek plaatsgevonden, echter na 10 minuten is dit gesprek beëindigd vanwege onheuse bejegening, intimidatie en bedreiging aan de zijde van de jeugdbeschermer.

Op grond van deze ervaring (…) achter wij de samenwerking met u als zorgaanbieder onmogelijk en niet langer verantwoord.

Vanwege bovenstaand proces van moeizame samenwerking zijn wij niet in staat geweest om de ingezette hulp te toetsen en zullen om die reden geen bepaling jeugdhulp afgeven.

(…)”

4.18.

Uit het voorgaande blijkt dat het aan JBG was om te beslissen de samenwerking met DVK al dan niet voort te zetten en dat JBG de beslissing heeft genomen om de samenwerking met DVK niet voort te zetten. JBG (de jeugdbeschermer) is het gesprek met DVK (de heer [naam statutair bestuurder]) aangegaan en heeft dat kennelijk bewust gedaan zonder iemand van de gemeente bij het gesprek te laten zijn. De gang van zaken, de inhoud van de rapportage en de bejegening door de heer [naam statutair bestuurder] tijdens het gesprek zijn de reden voor JBG geweest om niet voor DVK te kiezen. Het is in dit geval aan JBG om te bepalen welke jeugdhulp wordt ingezet en zij heeft dat gedaan op door haarzelf ervaren en aangedragen gronden. De stelling van DVK dat de gemeente zich negatief heeft uitgelaten over DVK – wat daar overigens van zij – is voor deze beoordeling niet van belang. De gemeente heeft op grond van het vonnis van 12 december 2017 de verplichting om op reguliere wijze door te verwijzen en indicaties te verlengen. Omdat JBG in dit geval bepaalt welke jeugdhulp wordt ingezet, kan de gemeente hierbij niet in strijd met het vonnis hebben gehandeld.

Casus D

4.19.

In dit geval heeft de gemeente gesteld dat een verwijzing van de huisarts aanleiding was om nader onderzoek te doen en dat uit dat onderzoek bleek dat het kind in verband met problematisch gedrag in aanmerking diende te komen voor “specialistische GGZ in natura”. Omdat DVK die zorg niet kan bieden en daarvoor ook niet gecontracteerd is, was DVK niet langer geschikt om de zorg te bieden. Nadat de ouders een klacht hadden ingediend omdat zij de zorg van DVK wilde voortzetten, is na bemiddeling door de JBT toch een indicatie voor zes maanden afgegeven voor “begeleiding in natura door DVK”. De gemeente vraagt zich af of deze zorg wel passend is. Zij stelt dat haar handelwijze niet is strijd met het vonnis van 12 december 2017 is omdat zij op reguliere wijze is omgegaan met de zorgvraag, waarbij er terechte vraagtekens waren over elke zorg er ingezet moest worden. De zorg is uiteindelijk conform de wens van de ouders met inachtneming van de keuzevrijheid van de ouders ondergebracht bij DVK, aldus de gemeente.

4.20.

DVK stelt dat in deze zaak niet duidelijk is op grond waarvan de gemeente twijfelde aan de zorgzwaarte en de vraag of DVK passende zorg zou kunnen bieden. De huisarts kan geen aanleiding zijn geweest voor nader onderzoek door de gemeente omdat die pas na afgifte van de beschikking aan de gemeente is gestuurd. Ouders, school, huisarts en DVK constateerden juist dat het goed gaat met het kind. DVK stelt dat het niet anders kan dan dat de gemeente vanwege klachten van de ouders en de wens om een andere CJG-medewerker zorg heeft geïndiceerd die niet bij DVK kan worden afgenomen. JBT heeft uiteindelijk besloten dat een beschikking van zes maanden moest worden afgegeven. JBT heeft herhaaldelijk aan de gemeente gevraagd waarom DVK geen passende zorg zou kunnen bieden. De gemeente heeft daarvoor geen argument kunnen aandragen. Volgens DVK heeft de gemeente alles in het werk gesteld om geen zorg bij DVK te hoeven indiceren en aldus in strijd met het vonnis van 12 december 2017 gehandeld.

4.21.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de gemeente bij brief van 27 maart 2018 aan de ouders heeft medegedeeld dat het kind in de periode van 31 maart 2018 tot en met 30 maart 2019 jeugdhulp ontvangt die geboden kan worden door Dimence, GGnet, Dokter Bosman of RIOzorg. Daarbij is het volgende medegedeeld: “U krijgt deze jeugdhulp omdat (… het kind, vzr) extra ondersteuning nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen. Naast de [naam statutair bestuurder] die u benut in uw gezin en netwerk om het probleem zelf op te lossen is er extra ondersteuning nodig.”

Bij brief van 26 maart 2018 heeft de gemeente aan DVK het volgende bericht:

“De ouders van (… naam van het kind, vzr) hebben als voorwaarde gesteld dat zij per direct een andere CJG-medewerker wilden krijgen. Ik heb hen bericht dat niet wordt voldaan aan deze door hen gestelde voorwaarde.

Dit heeft tot gevolg dat de individuele jeugdvoorziening, zoals deze aan hen is toegekend met begindatum 1 januari 2018 en einddatum 31 maart 2018, niet op dezelfde wijze wordt voortgezet. De ouders krijgen hierover een besluit toegestuurd.

Daarnaast dient het CJG op kort termijn een verzoek in bij de Jeugdbeschermingstafel (JBT) van de Regio Middel-IJssel/ Oost-Veluwe om duidelijkheid te krijgen over de te verlenen individuele jeugdvoorziening. De ouders willen immers niet meer in gesprek met het CJG.

Ten overvloede wijs ik u er op dat als (…) DVK na 31 maart 2018 door gaat met het leveren van zorg aan (… het kind, vzr) DVK de kosten van het leveren van deze zorg niet vanuit de gemeente vergoed krijgt. (…)”

Ter zitting heeft DVK gesteld dat op 3 april 2018 een verwijzingsbrief van de huisarts van 22 maart 2018 aan de gemeente is verzonden. Daarin heeft de huisarts het volgende aan de orthopedagoog van DVK bericht:

“Gaarne u begeleiding bij de socialisatie van bovengenoemde patiënte.”

Vervolgens heeft de gemeente de JBT ingeschakeld

Bij brief van 13 april 2018 is namens de ouders een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 27 maart 2018. Samengevat is aan het bezwaarschrift ten grondslag gelegd dat het goed gaat met het kind en er geen enkele reden is om de hulp die wordt verleend te stoppen en jeugdhulp te gaan aanbieden in de vorm van specialistische GGZ in natura, althans dat niet duidelijk is waarom de gemeente de beslissing genomen heeft.

4.22.

Uit het voorgaande blijkt dat in dit geval DVK jeugdzorg leverde en dat de ouders, school, huisarts en DVK constateerden dat het goed ging met het kind. De gemeente heeft eind maart 2018 echter beslist dat de zorg die DVK levert niet passend is en dat extra ondersteuning nodig is. De gemeente heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet (voldoende) duidelijk gemaakt waar die beslissing op is gebaseerd. In de beslissing zelf is daar niets over te vinden. In de dagvaarding heeft de gemeente gesteld dat de verwijzingsbrief van de huisarts aanleiding was om nader onderzoek te doen naar de aard van de indicatie en dat uit dat onderzoek naar voren kwam dat specialistische GGZ nodig was. Ter zitting heeft DVK echter onweersproken gesteld dat de verwijzingsbrief van de huisarts pas op 3 april 2018 aan de gemeente is verzonden en deze dus geen rol kan hebben gespeeld bij de besluitvorming van eind maart 2018. Bovendien heeft de gemeente geen openheid van zaken en/of onderbouwing gegeven over dat nadere onderzoek. Ter zitting is gesteld dat gedragsdeskundigen van het CJG dit op basis van rapportages van DVK hebben besloten. Welke overwegingen concreet aan het besluit ten grondslag hebben gelegen, blijkt echter niet uit het besluit en heeft de gemeente naderhand ook niet gesteld. Zoals ook in het arrest van gerechtshof is overwogen (in r.o. 4.4) geldt voor de gemeente dat zij opening van zaken moet geven over haar verwijzingsbeleid. Dat geldt te meer nu de gemeente op grond van het vonnis van 12 december 2017 de verplichting heeft om op reguliere wijze door te verwijzen naar DVK. DVK heeft de plicht om te stellen / aannemelijk te maken dat de gemeente haar bij de opdrachtverleningen /verlengingen min of meer structureel ten achter stelt. De gemeente zal haar betwisting voldoende moeten motiveren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de gemeente daarin, bij gebrek aan concrete onderbouwing van haar besluit, onvoldoende geslaagd. Daaruit vloeit voort dat de gemeente onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval sprake is geweest van verlenging van de indicatie op reguliere wijze.

De slotsom

4.23.

Het voorgaande brengt met zich dat DVK aannemelijk heeft gemaakt dat de gemeente in ieder geval in twee gevallen (casus A en D) in strijd met het vonnis van 12 december 2017 heeft gehandeld en aldus twee keer de dwangsom van € 25.000,00 heeft verbeurd. In de andere twee gevallen (casus B en C) heeft DVK na betwisting door de gemeente onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gemeente de indicatie betreffende de door DVK te verlenen zorg niet regulier heeft verlengd. Dat de gemeente in die twee gevallen dwangsommen heeft verbeurd, is dan ook onvoldoende aannemelijk. De vordering betreffende casus B en C is dan ook toewijsbaar.

De vordering zal worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op casus A en D. In die gevallen heeft de gemeente onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij de indicaties op reguliere wijze heeft verlengd. Daarbij heeft de voorzieningenrechter bovendien de stelling van DVK in aanmerking genomen dat in het afgelopen jaar significant minder verwijzingen naar haar hebben plaatsgevonden: in 2018 zelfs geen enkele keer, aldus DVK. De gemeente stelt dat wel één verwijzing heeft plaatsgevonden, maar dat heeft DVK betwist. De gemeente heeft ter zitting nog gesteld dat de laatste tijd sprake is geweest van een afname van zaken die aan DVK kunnen worden doorverwezen. Bij gebrek aan onderbouwing van deze stelling, heeft de gemeente echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de afname van het aantal verwijzingen daardoor is veroorzaakt.

4.24.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vordering gedeeltelijk toewijsbaar is als hierna volgend. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt en aan de te verbeuren dwangsommen zal een maximum worden verbonden. Dit laat uiteraard onverlet, dat bij voortgaande overtreding van dit vonnis oplegging van hogere dwangsommen kan worden gevorderd dan wel hernieuwde oplegging van dezelfde dwangsommen. Het bedrag van zowel de dwangsom als het maximum staat in een redelijke verhouding tot de zwaarte van de geschonden belangen en de beoogde prikkelende werking van de dwangsomoplegging.

4.25.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt DVK het bevel van 9 juli 2018 ten uitvoer te leggen ingevolge het vonnis van 12 december 2017 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, ter zake twee van de in haar brief van 6 juli 2018 genoemde gevallen die in de beoordeling in dit vonnis nader zijn aangeduid als casus B en C,

5.2.

veroordeelt DVK om aan de gemeente een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere keer dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2018.

jo/vr