Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3801

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-09-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3496
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Planschade i.v.m. bestemmingsplan voor een nieuw agrarisch bedrijf. StAB. Planvergelijking en reële prognose van geurbelasting biologische veehouderij. Geen planologisch nadeel. Beroep gegrond, rechtsgevolgen vernietigde besluit blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/3496

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] en [eiser] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigden: mr. A. Bakker en mr. J. Bax),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] , te [woonplaats] .

(gemachtigde: mr. H.P.G. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2015 heeft verweerder het verzoek van eisers om een tegemoetkoming in de planschade afgewezen.

Bij besluit van 26 april 2016 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) bij brief van 1 december 2016 gevraagd advies uit te brengen.

De StAB heeft vervolgens een deskundigenbericht uitgebracht, neergelegd in het verslag van 28 augustus 2017 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen hebben op de conceptversie daarvan gereageerd.

Partijen zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld op het definitieve deskundigenbericht te reageren. Verweerder heeft bij brief van 21 september 2017 aangegeven in te kunnen stemmen met het rapport. Eisers hebben op 27 september 2017 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. A.K. Gerritsen. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door gemachtigde.

De rechtbank heeft de StAB vervolgens verzocht om een aanvullend advies uit te brengen. Dat is gebeurd op 3 mei 2018.

De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld op dit advies te reageren. Eisers hebben hier bij brief van 5 juni 2018 gebruik van gemaakt. In deze brief hebben eisers aangegeven dat zij de zaak op een nieuwe zitting behandeld willen zien.

Deze zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2018. Op deze zitting is de gemachtigde van eisers, mr. J. Bax verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, mr. M.R. Prins en mr. A.K. Gerritsen. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eisers zijn sinds 2006 eigenaar van het perceel met woning aan de [locatie] te [woonplaats] . Zij hebben op 6 november 2014 verweerder verzocht om planschade als gevolg van het bestemmingsplan “Buitengebied 2011; [locatie] ong Drempt” (hierna: het nieuwe bestemmingsplan), zoals vastgesteld op 15 december 2011 en onherroepelijk geworden omstreeks 24 januari 2013 (hierna: de peildatum). Dit nieuwe bestemmingsplan maakt de vestiging van een agrarisch bedrijf mogelijk op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).

De afstand van eisers tot de grens van het bouwvlak op het perceel bedraagt ongeveer 270 meter. Tussen de percelen zijn agrarische gronden en een weg gelegen, de [locatie] .

Voorheen was op het perceel [locatie] het bestemmingsplan “Buitengebied Keppel en Hummelo” van toepassing (hierna: het oude bestemmingsplan), zoals vastgesteld op 27 januari 1998 en goedgekeurd op 8 september 1998. In het oude bestemmingsplan was geen agrarisch bouwvlak opgenomen.

Planologisch kader

2.1.

In het nieuwe bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming “Agrarisch met Waarden – Landschap” gekregen, met een bouwvlak van ongeveer 1,8 hectare en de functieaanduiding “intensieve veehouderij uitgesloten”. Aan de noord- en zuidzijde is de functieaanduiding “groen” opgenomen.

Op grond van de bestemmingsomschrijving is ter plaatse een agrarisch bedrijf toegestaan, niet zijnde een intensieve veehouderij. In artikel 1.6 is “agrarisch bedrijf gedefinieerd als “een bedrijf met agrarische doeleinden”. In artikel 1.7 is “agrarische doeleinden” gedefinieerd als “doeleinden die gericht zijn op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren en/of telen van gewassen”.

Bij een agrarisch bedrijf is een nevenactiviteit toegestaan, zoals weergegeven in bijlage 1 bij de planregels (“toegelaten functies”), met een maximale oppervlakte van 350 m². In deze bijlage zijn onder meer dienstverlenende activiteiten opgenomen zoals een crèche/peuterspeelzaal en een dierenasiel/-pension.

Binnen het bouwvlak zijn agrarische gebouwen en één bedrijfswoning toegestaan, met een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 10 meter. Voorts is een mestsilo met een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 8,5 meter toegestaan, en overige silo’s met een bouwhoogte van 12 meter.

Binnen het bouwvlak zijn op grond van artikel 3.1 bouwwerken alleen toegestaan, indien gelijktijdig de groenaanplant ter plaatse van de aanduiding “groen” conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd beplantingsplan wordt gerealiseerd en in stand gehouden.

2.2.

Op de tussenliggende gronden was op de peildatum het bestemmingsplan “Buitengebied Steenderen/Hummelo en Keppel” van toepassing, zoals vastgesteld op 28 juni 2012 en in werking getreden op 20 september 2012.

De gronden zijn bestemd als “Agrarisch met waarden – Landschap” met de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch met waarden – 1”. Op grond van artikel 4 van de planregels zijn deze gronden bestemd voor, onder andere, het behoud, herstel en de ontwikkeling van landschapswaarden en voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Op deze tussenliggende gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Wel zijn lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen toegestaan. Lage permanente teeltondersteunende en hoge permanente/tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan.

Ter plaatse zijn ook boom-, sier- en fruitteeltkwekerijen toegestaan.

Het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak is uitsluitend toegestaan ten behoeve van:

  1. Het agrarisch grondgebruik, met een maximale bouwhoogte van 3 m, met dien verstande dat sleufsilo’s en kassen niet zijn toegestaan;

  2. Het plaatsen van perceelsafscheidingen tot een maximale hoogte van 1,5 m;

  3. Het extensief recreatief medegebruik zoals banken, bewegwijzering, picknicktafels e.d. met een maximale hoogte van 2 m.

De tussenliggende [locatie] is bestemd als “Verkeer” met de aanduiding “specifieke vorm van verkeer – 2”. Op grond van artikel 15 van de planregels zijn de voor “Verkeer” aangewezen gronden bestemd voor verkeersdoeleinden in de vorm van wegen met maximaal twee rijstroken met bijbehorende voorzieningen in de categorie: gebiedsontsluitingswegen en gebiedstoegangswegen. Ter plaatse zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan, die ten dienste staan van deze bestemming, en met een bouwhoogte van maximaal 2,5 m.

In het tussenliggende gebied bevindt zich ook een watergang, die is bestemd als “Water”. De voor “Water” aangewezen gronden zijn, onder andere, bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden, instandhouding en ontwikkeling van natuurwaarden en groenvoorzieningen. Ter plaatse zijn uitsluitend toegestaan maximaal 4 meter hoge bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

Ten oosten van het perceel van eisers, in de oksel van de kruising [locatie] / [locatie] , is een perceel bestemd als “Bedrijf” met de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf – 9”. Deze gronden zijn bestemd voor een fouragehandel met caravanstalling en in de bedrijfswoning is een aan huis verbonden beroep toegestaan. De bebouwde oppervlakte van gebouwen, exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en bijbehorende bijgebouwen, en tezamen met de oppervlakte voor buitenopslag, stalling en grondopslag mag niet meer bedragen dan 1.920 m².

Het gebied ten noorden van de [locatie] – aan weerszijden van het perceel van eisers – is bestemd als “Agrarisch”. Op een afstand van ongeveer 116 meter van de onroerende zaak van eisers is een agrarisch bouwvlak opgenomen voor het perceel [locatie] . Op dat perceel is momenteel een rundvee- en varkenshouderij gevestigd. Deze locatie is bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Tevens is de uitoefening van nevenfuncties bij agrarische bedrijven, zoals weergegeven in Bijlage 1 Toegelaten functies toegestaan.

Binnen het bouwvlak is ten hoogste één agrarisch bedrijf toegestaan en 350 m² van de oppervlakte van bedrijfsgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van nevenfuncties mits aan vijf voorwaarden wordt voldaan. Één van de voorwaarden is dat er geen sprake mag zijn van een aanzienlijke verkeersaantrekkende werking. Één hectare van het bouwvlak mag aangewend worden voor een bestaande intensieve veehouderij(tak), de hervestiging van of omschakeling naar een intensieve veehouderij(tak).

3. Verweerder heeft advies gevraagd aan Langhout en Wiarda juristen en rentmeesters (hierna: Langhout). In het planschadeadvies van 14 juli 2015 heeft Langhout een vergelijking gemaakt tussen de planologische mogelijkheden van het oude en het nieuwe bestemmingsplan. Uit deze vergelijking heeft Langhout de conclusie getrokken dat het nieuwe bestemmingsplan niet heeft geleid tot een planologische verslechtering.

Verweerder heeft dit advies aan het besluit ten grondslag gelegd.

Geschil

4.1.

Tussen partijen is in geschil of door het nieuwe bestemmingsplan sprake is van een planologische verslechtering.

Eisers stellen zich – kort samengevat – op het standpunt dat op grond van het nieuwe bestemmingsplan behalve een melkveehouderij ook andere vormen van agrarisch grondgebruik zijn toegestaan, zoals een niet-intensieve varkenshouderij. Daarnaast zijn ook nevenfuncties zoals een hondenkennel en een kinderdagverblijf toegestaan. Volgens eisers had in de planvergelijking met deze planologische mogelijkheden rekening moeten worden gehouden, en wordt in het planschadeadvies van Langhout een onjuiste invulling gegeven van de planologische bouw- en gebruiksmogelijkheden van de tussenliggende gronden.

4.2.

Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime (hier: het oude bestemmingsplan). Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 3 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:112) moet bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade als gevolg van planologische ontwikkelingen op gronden van derden, worden uitgegaan van de voor de aanvrager meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van die gronden. Dat kan voor de ene schadefactor, bijvoorbeeld voor de aantasting van privacy, een andere invulling zijn dan voor een andere schadefactor, bijvoorbeeld aantasting van het uitzicht.

4.3.

De rechtbank volgt eisers in hun betoog dat Langhout in de planvergelijking ten onrechte slechts is uitgegaan van de planologische mogelijkheid van de vestiging van een melkveehouderij. Het nieuwe bestemmingsplan staat niet slechts een melkveehouderij toe, maar een “agrarisch bedrijf”. Dit betekent dat ook andere agrarische bedrijven zijn toegestaan. Omdat niet vaststaat dat een melkveebedrijf – bijvoorbeeld voor de schadefactor “geur” – de meest ongunstige invulling betreft, heeft Langhout onvoldoende gemotiveerd dat is uitgegaan van de meest ongunstige invulling op grond van het nieuwe bestemmingsplan.

De rechtbank overweegt voorts dat op het perceel nevenactiviteiten, zoals een dierenasiel en dagopvang, zijn toegestaan tot een oppervlakte van 350 m². Uit het rapport van Langhout blijkt niet dat dit gebruik is meegenomen in de planologische vergelijking.

De beroepsgrond slaagt.

4.4.

De rechtbank stelt met betrekking tot het planologische kader voor de tussenliggende gronden vast dat Langhout ten onrechte is uitgegaan van het bestemmingsplan “Buitengebied Keppel en Hummelo”, zoals vastgesteld op 27 januari 1998. Op de peildatum vigeerde het bestemmingsplan “Buitengebied Steenderen/Hummelo en Keppel”.

De beroepsgrond slaagt.

4.5.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het advies zodanige gebreken bevat dat verweerder zich bij de besluitvorming niet op dit advies kon baseren.

Dit betekent dat het beroep van eisers gegrond is. Het besluit van 26 april 2016 komt voor vernietiging in aanmerking.

StAB-rapport

5.1.

De rechtbank heeft in het voorgaande aanleiding gezien om een advies van de StAB te vragen. De rechtbank zal, in het kader van de finale beslechting van het geschil, bezien of zij door middel van het StAB-advies zelf in de zaak kan voorzien, al dan niet via instandlating van de rechtsgevolgen. Dit betekent dat de rechtbank de beroepsgronden die niet van toepassing zijn op het StAB-advies verder buiten beschouwing zal laten.

5.2.

De rechtbank stelt voorop dat de StAB is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige en dat de rechtbank in beginsel op het door de StAB uitgebrachte deskundigenrapport af mag gaan. Dit is slechts anders indien het deskundigenbericht onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelvorming ten grondslag mag worden gelegd, zo volgt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR6373).

6. De StAB heeft in het advies van 28 augustus 2017 een vergelijking gemaakt tussen het oude en het nieuwe bestemmingsplan, en per schadefactor beoordeeld of eisers als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan in een planologisch nadeliger positie zijn komen te verkeren.

De StAB heeft met betrekking tot het aspect “uitzicht” overwogen dat de afstand van 270 meter in samenhang met de bouw- en exploitatiemogelijkheden op het tussenliggende perceel niet heeft geleid tot een verslechtering van het uitzicht. Op de tussenliggende percelen is volgens de StAB een boom-, sier- of fruitteeltkwekerij toegestaan met hoogstam fruitbomen.

De StAB heeft met betrekking tot de karakteristiek van het landschap overwogen dat planologisch gezien geen sprake is van een open karakter van het gebied, zodat de planmutatie niet leidt tot een aantasting van de karakteristiek van het landschap.

De StAB heeft met betrekking tot het aspect “verkeershinder” overwogen dat gelet op de wegenstructuur de verkeersafwikkeling vooral plaatsvindt via de N314, en dat de extra verkeersbewegingen niet leiden tot een planologisch nadeel voor eisers.

De StAB heeft met betrekking tot het aspect “geluid” overwogen dat de maximale oppervlakte van 350 m² voor een nevenfunctie het mogelijk maakt een hondenkennel voor (afgerond) 90 honden te realiseren. Dit resulteert in een maximale geluidbelasting (LAmax)op de woning van eisers van 44 dB(A) op 1,5 meter hoogte in de dagperiode. Op 5 meter hoogte in de avondperiode bedraagt het LAmax 46 dB(A). Volgens de StAB resulteert de bestaande planologische mogelijkheid van een hondenkennel op het perceel [locatie] (op 116 meter afstand) in een circa 9-10 dB hogere geluidwaarde dan een hondenkennel op het perceel [locatie] (op 270 meter), zodat de bestaande mogelijkheid maatgevend blijft voor de geluidhinder die eisers ervaren van een hondenkennel.

De StAB concludeert dat de planmutatie niet heeft geleid tot een planologische verslechtering voor het schadeaspect “geluid”.

De StAB heeft met betrekking tot het aspect “geur” overwogen dat het perceel van eisers buiten de bebouwde kom ligt, in een concentratiegebied. In dat gebied mag de geurbelasting op een geurgevoelig object – zoals de woning van eisers – niet meer bedragen dan 14,0 ouE/m³. Deze voorgrondbelasting bedraagt ten hoogste 3,7 ouE/m³ en wordt veroorzaakt door de bestaande veehouderij aan de [locatie].

De StAB geeft aan dat een biologische varkenshouderij 14 vleesvarkens van 110 kg op één hectare kan huisvesten. Met een bestemmingsvlak van ten hoogste 3,4 hectare kunnen aan de [locatie] ten hoogste ongeveer 47 a 48 varkens worden gehouden. Deze veestapel levert een geurbelasting op van 0,2 ouE/m³. Bij een modellering als een “weide” met een lage afvoerhoogte en een lage uittreedsnelheid bedraagt de geurbelasting op de woning [locatie] 0,5 ouE/m³ als 98 percentiel. Gelet op deze geurbelasting is volgens de StAB de voorgrondbelasting maatgevend, en niet de achtergrondbelasting.

De StAB concludeert dat het aspect “geur” daarom niet heeft geleid tot een verslechtering van de planologische situatie.

Gelet op het voorgaande concludeert de StAB dat geen sprake is van een verslechtering van de planologische situatie voor eisers.

Geur

7.1.

Eisers hebben in hun beroepschrift naar aanleiding van het StAB-advies met betrekking tot het aspect “geur” aangevoerd dat bij de berekening van het aantal varkens de StAB ten onrechte is uitgegaan van de oppervlakte van het bestemmingsvlak. Volgens eisers kunnen varkens ook geweid worden op de weiden rondom het perceel, zodat uitgegaan had moeten worden van de huisvesting van een groter aantal varkens in de stallen. Daarnaast is de StAB volgens eisers ten onrechte uitgegaan van 14 varkens per hectare. Eisers stellen dat een varken 142 dagen leeft, en dat daarom over de periode van 365 dagen het aantal varkens met een factor 2,5 moet worden vermenigvuldigd. Dit resulteert in 35 varkens per hectare, aldus eisers.

7.2.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1712) dient in het kader van het onderzoek naar de geurbelasting die op grond van het nieuwe planologische regime op de peildatum maximaal kan worden gerealiseerd, een reële prognose te worden gemaakt van het gebruik dat redelijkerwijs te verwachten is met de daaruit voortvloeiende geurbelasting.

7.3.

Naar het oordeel van de rechtbank dient bij het maximale aantal dieren dat in een biologische veehouderij kan worden gehuisvest – en de daaruit voortvloeiende geurbelasting – niet slechts te worden gekeken naar de oppervlakte van het bouw- c.q. bestemmingsvlak van het nieuwe bestemmingsplan, maar ook naar de omliggende gronden. Een biologische veehouderij is voor zijn bedrijfsvoering immers afhankelijk van omliggende agrarische gronden.

De rechtbank heeft de StAB daarom bij brief van 27 februari 2018 verzocht om in de reële prognose van de geurbelasting als gevolg van een biologische varkenshouderij ook omliggende agrarische gronden te betrekken, en te berekenen in hoeverre als gevolg hiervan het houden van een groter aantal dieren tot een hogere geurbelasting leidt.

7.4.

In het aanvullende advies van 3 mei 2018 heeft de StAB de toename van de geurbelasting berekend uitgaande van 45,7 hectare en 50 hectare aan omliggende gronden. De derde-partij heeft aangegeven 45,7 hectare grond in eigendom te hebben rondom de veehouderij. Uitgaande van 45,7 hectare bedraagt het aantal varkens 644 (45,7 x 14) en uitgaande van 50 hectare 700 (50 x 14). De StAB concludeert dat ook bij deze aantallen varkens de geurbelasting ten hoogste met ongeveer 0,2 ouE/m³ toeneemt. Deze toename is volgens de StAB dermate klein dat deze voor een potentiële koper niet waarneembaar is.

7.5.

De rechtbank is van oordeel dat door 45,7 hectare aan omliggende gronden mee te nemen, en aan de hand daarvan uit te gaan van het houden van 644 varkens, is uitgegaan van een reële prognose. Uit de geurberekening blijkt dat de geurbelasting in dat geval slechts summier toeneemt, zodat geen sprake is van planologisch nadeel voor wat betreft de schadefactor “geur”.

De rechtbank ziet geen aanleiding om – zoals eisers hebben betoogd – uit te gaan van een (nog) grotere oppervlakte aan omliggende gronden. Het is weliswaar mogelijk om gronden aan te kopen, maar gelet op de ligging van het agrarische bedrijf en de omstandigheid dat wordt uitgegaan van een biologische veehouderij is dit naar het oordeel van de rechtbank geen gebruik dat redelijkerwijs te verwachten is.

De StAB heeft in het advies met betrekking tot het aantal varkens per hectare aangegeven dat biologische veehouderijen verplicht zijn om een vrije uitloop van 1 m² per vleesvarken te hebben en dat strikte eisen gelden ten aanzien van daglichttoetreding en ventilatie. Daarnaast mag de veebezetting niet meer stikstof opleveren dan 170 kg per jaar en per hectare landbouwgrond. Dit komt volgens de StAB overeen met 14 vleesvarkens per hectare.

De rechtbank is van oordeel dat de StAB gelet op deze berekening terecht is uitgegaan van 14 varkens per hectare omliggende grond. De levensduur van een varken is – anders dan eisers hebben betoogd – niet van belang bij het bepalen van het aantal vleesvarkens per hectare grond.

De beroepsgrond faalt.

Geluid

8.1.

Eisers betogen met betrekking tot het aspect “geluid” dat niet is berekend wat de toename van het geluidniveau voor eisers zal zijn indien wordt uitgegaan van de cumulatieve geluidbelasting van de – planologisch toegestane – hondenkennel op het perceel [locatie] en de – planologisch toegestane – hondenkennel op het perceel [locatie]. Volgens eisers is voorts ten onrechte geen aandacht besteed aan stemgeluid van kinderen en combinatie met andere toegestane functies.

8.2.

De StAB is voor wat betreft het aspect “geluid” uitgegaan van de planologisch toegestane nevenactiviteit die het meeste geluid veroorzaakt, namelijk de hondenkennel en daarbij uitgegaan van een bronvermogen van 114 dB(A) voor een grote hond.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat stemgeluid van kinderen het geluid van (90) blaffende honden overtreft, zodat de StAB dit stemgeluid terecht buiten beschouwing heeft gelaten.

De rechtbank ziet ook geen aanleiding om uit te gaan van cumulatie van geluidhinder, omdat het nieuwe bestemmingsplan slechts betrekking heeft op [locatie] , en niet op het perceel [locatie] . Ter volledigheid heeft de rechtbank wel aan de StAB gevraagd om cumulatie van geluid door te rekenen. De uitkomst hiervan is dat het gelijktijdig samenvallen van twee geluidspieken van hondenkennels leidt tot een verhoging van 0,5 dB ter plaatse van de woning van eisers.

De rechtbank volgt daarom de conclusie van de StAB dat voor wat betreft het aspect “geluid” geen sprake is van planologisch nadeel.

De beroepsgrond faalt.

Uitzicht, karakteristiek gebied en verkeer

9.1.

Eisers betogen met betrekking tot het aspect “uitzicht” dat beplanting op de tussenliggende gronden niet meetelt bij de maximale planologische invulling. Daarnaast is volgens eisers onvoldoende onderbouwd of een afscheiding met een hoogte van 3 meter planologisch mogelijk is. Met betrekking tot de “karakteristiek van het gebied” betogen eisers aan dat wel sprake is van een aantasting van de karakteristiek van het open landschap.

Met betrekking tot het aspect “verkeer” betwisten eisers dat is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden onder het nieuwe bestemmingsplan.

9.2.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 7 maart 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA0097) moet bij de planologische vergelijking niet alleen rekening worden gehouden met de planologische mogelijkheden op gronden waarvan het planologisch regime is gewijzigd, maar ook met de planologische mogelijkheden van de gronden, gelegen tussen de gronden, waarop de planologische mutatie betrekking heeft en de onroerende zaak, ten aanzien waarvan wordt gesteld dat planschade is geleden.

Gelet op deze jurisprudentie is de StAB terecht uitgegaan van zowel de bouw- als de gebruiksmogelijkheden op de tussenliggende gronden. Op de tussenliggende gronden is het gebruik als boom-, sier- of fruitteeltkwekerij toegestaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de StAB terecht overwogen dat bij een gebruik als kwekerij met hoogstam fruitbomen (met een hoogte van 7 meter) geen sprake is van een verslechtering van het uitzicht van eisers. De rechtbank overweegt voorts dat de gebouwen op het perceel [locatie] landschappelijk moeten worden ingepast op grond van de voorwaardelijke verplichting uit artikel 3.1 van de planregels, zodat ook in zoverre geen sprake is van een verslechtering van het uitzicht.

De StAB heeft gelet op het voorgaande dan ook terecht overwogen dat er in planologische zin geen sprake is van een open landschap, zodat ook geen sprake is van een aantasting van de karakteristiek van het landschap.

De beroepsgronden falen.

9.3.

De rechtbank volgt ook op het punt “verkeer” het StAB-advies. Anders dan eisers hebben betoogd is de StAB uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden, nu de StAB ook de planologische gevolgen van de toegestane nevenactiviteiten – en de daaruit voortvloeiende extra verkeersbewegingen – in het advies heeft betrokken. Omdat deze verkeersbewegingen echter niet langs het perceel van eisers zullen plaatsvinden, maar via de [locatie] naar de N314, is geen sprake van planologisch nadeel voor eisers als gevolg van extra verkeersbewegingen.

De beroepsgrond faalt.

10. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank in dat wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding ziet voor de conclusie dat het StAB-advies niet begrijpelijk of consistent is. De rechtbank mag daarom het advies van de StAB volgen.

Zoals reeds hiervoor is overwogen is het beroep tegen het besluit van 26 april 2016 wel gegrond en komt dit voor vernietiging in aanmerking. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit kunnen echter in stand worden gelaten, nu ook de StAB tot de conclusie komt dat geen sprake is van planologisch nadeel.

11. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de kosten van de door gemachtigde van eisers verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 1.252,50 (1 punt voor het beroepschrift, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na het StAB-advies en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 13 februari 2018, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

De rechtbank overweegt met betrekking tot de (tweede) zitting van 1 augustus 2018 als volgt. Op de eerste zitting zijn alle gronden van eisers tegen het StAB-advies uitvoerig behandeld en besproken. De gemachtigde van eisers heeft na het aanvullende advies van de StAB aangegeven een tweede zitting te wensen. De rechtbank heeft daarom een tweede zitting ingepland. Op deze zitting heeft de gemachtigde volstaan met een herhaling van gronden die ook reeds tegen het (concept) aanvullende advies van de StAB – waar de StAB op heeft gereageerd – en in de aanvullende reactie waren ingebracht.

De rechtbank ziet in deze herhaling van zetten een bijzondere omstandigheid om geen vergoeding voor de tweede zitting toe te kennen.

De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de kosten voor het taxatierapport dat in de bezwaarprocedure is ingebracht te vergoeden. Omdat geen sprake is van planologisch nadeel bestond geen aanleiding om een taxatierapport op te laten stellen.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 26 april 2016;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

  • -

    gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 168 vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers voor een bedrag van € 1.252,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.