Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3795

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-09-2018
Datum publicatie
13-09-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5294
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wsf 2000. Herziening en terugvordering uitwonendenbeurs. Uit het rapport van het huisbezoek blijkt dat eiseres niet op het BRP-adres woonde. Geen onomstotelijk bewijs dat dit op enig ander moment wel het geval was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/5294

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2018

in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. T.M.J. Oosterhuis),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO) te Groningen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de studiefinanciering van eiseres op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) van oktober 2013 tot en met juli 2017 herzien naar een beurs voor thuiswonenden en een bedrag van € 8.753,64 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 6 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres ontvangt sinds 1 januari 2013 studiefinanciering berekend naar de norm van een uitwonende studerende (uitwonendenbeurs). Sinds oktober 2013 staat zij ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) op het adres [adres] in [woonplaats] . Op dit adres staan ook haar broer met zijn vrouw en hun dochter ingeschreven.

1.2

Op 12 april 2017 hebben twee controleurs van verweerder een huisbezoek afgelegd op het BRP-adres van eiseres om te controleren of zij op dat adres woont. De heer [naam] , de broer van eiseres, heeft de controleurs tijdens dit onderzoek te woord gestaan. De bevindingen van de controleurs staan in de rapportage huisbezoek.

2. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt volgens verweerder dat eiseres niet woont op het door haar opgegeven BRP-adres. Verweerder heeft daarom de studiefinanciering van eiseres over de periode oktober 2013 tot en met juli 2017 herzien naar de norm van een thuiswonende (thuiswonendenbeurs). De te veel aan eiseres betaalde studiefinanciering heeft verweerder van eiseres teruggevorderd. Het gaat om een bedrag van € 8.753,64.

3.1

Eiseres voert aan dat zij sinds september 2013 op het BRP-adres woont. Haar kamer ziet er onpersoonlijk uit, omdat de kamer van haar broer neutraal moest blijven. Hij wil de kamer op termijn namelijk als babykamer gaan gebruiken. Er zijn geen persoonlijke spullen gevonden, omdat zij al haar verzorgingsspullen in haar handtas meeneemt. Haar kleding ligt deels bij haar vriend bij wie zij wel eens logeert. De controleurs hebben geen boeken of ander studiemateriaal gevonden, omdat vrijwel al het lesmateriaal digitaal is.

3.2

Volgens artikel 1.5, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) kan een student een uitwonendenbeurs krijgen als hij op het adres woont waaronder hij in de BRP staat ingeschreven en dit niet het adres van zijn ouders is. Een herziening van uitwonendenbeurs een naar een thuiswonendenbeurs is een belastend besluit. Voordat verweerder dit besluit mag nemen, moet hij daarom aannemelijk maken dat eiseres niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor een uitwonendenbeurs. Vanuit het oogpunt van effectieve fraudebestrijding heeft de wetgever daarnaast artikel 9.9, tweede lid, in de Wsf 2000 ingevoerd. Dit artikellid bepaalt dat als op een bepaald moment is vastgesteld dat een student niet op het BRP-adres woont, er een wettelijk vermoeden bestaat dat dit zo is sinds de laatste adreswijziging in het BRP. De student kan dit wettelijke vermoeden weerleggen. Daarvoor moet de student (onomstotelijk) bewijzen dat hij wél op het BRP-adres heeft gewoond in (een deel van) de periode voorafgaand aan de controle. Slaagt de student in het leveren van dat bewijs dan moet verweerder onder toepassing van de hardheidsclausule afwijken van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 en afzien van herziening van de beurs over die periode.

3.3

Uit het rapport blijkt dat eiseres zelf niet aanwezig was tijdens de controle. Haar broer heeft haar slaapkamer aan de controleurs laten zien. In deze kamer stonden een eenpersoonsbed, een nachtkastje, een kledingkast en een wandrekje. De kledingkast bevatte enkele kledingstukken, maar geen volledige garderobe. Op het nachtkastje stond een doosje met gezichtspoeder met een kwast en een tube crème. Op het wandrekje lagen een paar studieboeken voor het VWO. Voor het overige zijn er in de slaapkamer geen spullen aangetroffen. In de badkamer stond een elektrische tandenborstel die van eiseres zou zijn. In de rest van de woning is daarnaast enkel een brief van de Belastingdienst aangetroffen geadresseerd aan eiseres.

3.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het rapport aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres op het moment van het huisbezoek haar hoofdverblijf niet op het BPR-adres had. De controleurs hebben namelijk onvoldoende spullen gevonden waarvan aannemelijk is dat deze van eiseres zijn en die erop wijzen dat eiseres het BRP-adres als woonadres had. Van de spullen, waaronder een geringe hoeveelheid kleding, die zijn aangetroffen kan niet worden vastgesteld dat zij daadwekelijk van eiseres zijn. Dat er geen persoonlijke spullen van eiseres zijn aangetroffen vindt de rechtbank opmerkelijk, omdat eiseres op het moment van het huisbezoek al ruim 3,5 jaar op het BRP-adres stelt te wonen.

De verklaring van eiseres voor het gebrek aan persoonlijke spullen op het BRP-adres vindt de rechtbank onvoldoende om als tegenbewijs te dienen en om aan te nemen dat zij haar hoofdverblijf wel op het BRP-adres had. De stelling van eiseres dat zij in het geheel geen persoonlijke spullen in haar kamer had, omdat zij de kamer van haar broer ‘basic’ moest houden, vindt de rechtbank niet overtuigend. Dit verklaart hooguit dat de muren van de kamer kaal zijn. Het verklaart niet waarom eiseres na ruim 3,5 jaar bij haar broer te hebben gewoond geen persoonlijke spullen in haar kamer bewaart. Daarnaast vindt de rechtbank het opmerkelijk dat er enkel studieboeken in de kamer zijn aangetroffen van een studie die eiseres nimmer gevolgd heeft.

3.6

Door het wettelijk vermoeden uit artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 leidt het voorgaande tot herziening van de studiefinanciering naar een thuiswonendenbeurs over de periode oktober 2013 tot en met juli 2017. Met haar, niet onderbouwde verklaring, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet onomstotelijk bewezen dat zij wel op het BRP-adres woont. Ander bewijs om het wettelijk vermoeden te weerleggen heeft eiseres niet aangedragen. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres er niet in is geslaagd het wettelijk vermoeden te weerleggen.

3.7

Het voorgaande betekent dat verweerder de uitwonendenbeurs van eiseres terecht heeft herzien over de periode oktober 2013 tot en met juli 2017 en dat de teveel uitgekeerde beurs terecht van haar is teruggevorderd.

4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. drs. E.L. de Jongh, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. drs. J.H. van Breda, rechters, in tegenwoordigheid van E.W.G. Wissing, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 3 september 2018

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.