Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3780

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-09-2018
Datum publicatie
03-09-2018
Zaaknummer
05/880297-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer heeft een 22-jarige ex-matroos uit Sittard veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een verplicht reclasseringstoezicht, alsmede tot een werkstraf van 240 uur, wegens verschillende strafbare feiten tussen december 2016 en april 2017, te weten: verduistering, poging tot woninginbraak, medeplichtigheid aan vernieling, verboden wapenbezit en desertie. Met betrekking tot het verboden wapenbezit is de EU-Speelgoedrichtlijn niet van toepassing.

De militaire kamer acht in het bijzonder de desertie als matroos zeer ernstig, maar houdt nadrukkelijk ook rekening met het blanco strafblad van de ex-matroos en met het tijdsverloop van de strafzaak. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/880297-17

Datum uitspraak : 03 september 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] , [woonplaats] .

raadsvrouw: mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat te Maastricht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 augustus 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 december 2016, te Born, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk een geldbedrag van Euro 970,-- of daaromtrent, in elk geval enige hoeveelheid geld, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, en welk geld verdachtes mededader, uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking, te weten als kassiere/medewerkster van/bij het [naam 1] aldaar als kasgeld, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij in of omstreeks de periode gelegen van 16 tot en met 18 december 2016, te Grevenbicht, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen op/aan de [adres 2] weg te nemen goederen en/of geld van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, een ruit van (de schuifpui van) die woning heeft ingegooid/vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid ;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode gelegen van 16 tot en met 18 december 2016, te Grevenbicht, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een of meer stenen, tegen/door een ruit (van een schuifpui) van een woning ( [adres 2] ) heeft gegooid/gesmeten, en aldus die ruit en/of een tv-meubel en/of een geluidsinstallatie en/of een verwarmingselement en/of een muur/wand in die woning, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), te weten aan [slachtoffer 2] toebehoorde(n), heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode gelegen van 16 december 2016 tot en met 2 januari 2017, te Munstergeleen, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een of meer goederen, te weten een of meer ruiten van een woning ( [adres 3] ) en/of twee ruiten van een auto (merk Audi, kenteken [kenteken] ) en/of een brievenbus van een woning ( [adres 3] ), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval aan anderen of een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt ;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

[medeverdachte 1] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode gelegen van 16 december 2016 tot en met 2 januari 2017, te Munstergeleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer goederen, te weten een of meer ruiten van een woning ( [adres 3] ) en/of twee ruiten van een auto (merk Audi, kenteken [kenteken] ) en/of een brievenbus van een woning ( [adres 3] ), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3]

en/of [slachtoffer 4] , in elk geval aan anderen of een ander dan aan die [medeverdachte 1] en/of verdachte, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt, bij het plegen van welke vorenomschreven misdrijven verdachte toen aldaar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welke vorenomschreven misdrijven verdachte opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door toen aldaar (telkens) die [medeverdachte 1] met een door hem, verdachte, bestuurde auto naar de pleegplaats van het misdrijf te brengen/vervoeren en/of aldaar op de uitkijk te gaan en/of blijven staan en/of door toen aldaar (telkens) tijdens het plegen van

vorenomschreven misdrijven (in/bij een auto) op die [medeverdachte 1] te wachten teneinde hem weg te kunnen rijden/voeren van de pleegplaats;

4.

hij op of omstreeks 18 april 2017, in elk geval in de periode gelegen van 30 december 2016 tot en met 18 april 2018, te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een (gasdruk)pistool (merk Umarex) zijnde een nabootsing van een schietwapen en/of zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een echt vuurwapen (pistool, merk Walther, type P99) en derhalve voor bedreiging en/of afdreing geschikt, voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 18 april 2017, althans in of omstreeks de periode gelegen van 30 december 2016 tot en met 18 april 2017, te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, een busje inhoudende pepperspray (opschrift Pepperspray 12% OC-Gehalt), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) en derhalve een wapen van de categorie II, onder 6, voorhanden heeft gehad.

6.

hij als militair, in tijd van vrede, in of omstreeks de periode gelegen van 11 februari 2017 tot en met 26 maart 2017, van verdachte te of nabij Den Helder, in elk geval in Nederland, gelegen onderdeel, opzettelijk, althans in ernstige mate nalatig, ongeoorloofd afwezig is geweest, waardoor verdachte een reis naar of van een of meer plaatsen buiten het Koninkrijk te weten, Plymouth, althans (een) plaats(en) in Groot-Brittannië, in elk geval (een) zodanige plaats(en) en die naar hij wist of redelijkwijs moest vermoeden, bevolen was, niet geheel heeft meegemaakt;

althans, indien het vorenstaande onder 6 niet tot een veroordeling leidt:

hij als militair, in tijd van vrede, in of omstreeks de periode gelegen van 11 februari 2017 tot en met 26 maart 2017, van verdachtes te of nabij Den Helder, in elk geval in Nederland, en/of te of nabij Plymouth, in elk geval in Groot-Brittannië, gelegen onderde(e)l(en), opzettelijk, althans in ernstige mate nalatig, ongeoorloofd afwezig is geweest gedurende langer dan dertig dagen, in ieder geval langer dan vier dagen, althans in genoemd tijdvak of een gedeelte daarvan gedurende een of meer perioden van langer dan dertig dagen, in elk geval langer dan vier dagen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 30 december 2016 heeft verdachte, te Born in de gemeente Sittard-Geleen, samen met [medeverdachte 2] , een geldbedrag van € 970,00, toebehorende aan [slachtoffer 1] , weggenomen. [medeverdachte 2] had dit geld uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking, te weten als kassière van het [naam 1] aldaar, als kasgeld onder zich.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Beoordeling door de militaire kamer

Uit de door verdachte en [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen blijkt dat afgesproken was het geheel op een overval te laten lijken. [medeverdachte 2] vertelde aan haar leidinggevende ook, nadat zij het geld had afgegeven, dat zij was overvallen, wetende dat het geen overval was.3 Op grond hiervan en het voorgaande is de militaire kamer van oordeel dat geen sprake is van diefstal, maar van medeplegen van verduistering in dienstbetrekking, zoals is ten laste gelegd.

Ten aanzien van feit 2 primair:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de periode gelegen tussen 16 tot en met 18 december 2016 is te Grevenbicht, gemeente Sittard-Geleen, getracht in te breken in een woning aan de [adres 2] met de bedoeling geld en/of goederen weg te nemen. Om toegang tot de woning te krijgen is een ruit van de schuifpui ingegooid.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en heeft daartoe het navolgende aangevoerd.

De intentie van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] was om in te breken om geld en/of goederen weg te nemen. Omdat het niet zo makkelijk ging, is de ruit van de schuifpui ingegooid waardoor een groot gat ontstond door welk gat beiden naar binnen hadden kunnen gaan. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn niet naar binnen gegaan en hebben het bij een vernieling gelaten. Omdat beiden uit eigener beweging vertrokken zijn, is sprake van een vrijwillige terugtred en is er aldus geen sprake van een strafbare poging.

Beoordeling door de militaire kamer

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn opzet gericht was op het inbreken en het wegnemen van geld en/of goederen. Ook heeft hij ter terechtzitting verklaard dat hij en zijn mededader het vanwege de glasscherven te gevaarlijk vonden om de woning binnen te gaan door het gat in de ruit van de schuifpui, nadat deze was ingegooid.5

De militaire kamer overweegt dat het enkele weglopen door verdachte nog niet maakt dat gesproken kan worden van een niet voltooid misdrijf ‘tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk’. Immers, verdachte en zijn mededader zijn weggelopen omdat zij het vanwege de glasscherven te gevaarlijk vonden worden om hun voornemen door te zetten.

En naar het oordeel van de militaire kamer is daarmee sprake van een gestaakte poging tot inbraak vanwege het gevaar van vallend glas, en derhalve niet vanwege omstandigheden afhankelijk van de wil van verdachte. Het beroep op ‘vrijwillige terugtred’ wordt daarom verworpen.

Op grond van het voorgaande acht de militaire kamer de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot woninginbraak wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3 primair

De militaire kamer heeft, met de officier van justitie en de verdediging, op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging dat verdachte, als medepleger, zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. De militaire kamer zal verdachte daarom van het onder 3 primair tenlastegelegde vrijspreken.

Ten aanzien van feit 3 subsidiair.

Er is ten aanzien van de pleegdata 31 december 2016 en 2 januari 2017 sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] d.d. 31 december 2016 en 2 januari 2017 (pag. 744 e.v. en pag. 746 e.v.);

- de verklaring van [medeverdachte 1] (pag. 810 e.v.);

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 augustus 2018.

Ten aanzien van feit 4:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 18 april 2017 heeft verdachte te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, een gasdrukpistool van het merk Umarex (CPS) voorhanden gehad.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde nu niet blijkt of het wapen valt onder de richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed, ook wel bekend als de Speelgoedrichtlijn.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Beoordeling door de militaire kamer

Het op 18 april 2017 onder verdachte in beslag genomen wapen, een gasdrukpistool van het merk Umarex, vertoont wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis met een bestaand vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Walther, type P99. Daarom voldoet dit in beslag genomen wapen aan de kenmerken als bedoeld in artikel 2, lid 1 categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie.7

De Speelgoedrichtlijn is - kort weergegeven - bedoeld om speelgoedwapens uit te sluiten van strafbaarheid ingevolge artikel 2, lid 1 categorie I onder 7 van de Wet Wapens en Munitie juncto artikel 3 van de Regeling Wapens en Munitie. Het onder verdachte in beslag genomen wapen Umarex CPS is een gasdrukpistool waarmee “kogeltjes” kunnen worden afgeschoten.8 Verdachte verklaart ook daadwerkelijk met het wapen kogeltjes te hebben verschoten.9 De militaire kamer trekt hieruit de conclusie dat de Umarex CPS een pistool betreft dat gebruik maakt van samengeperst gas, zoals omschreven in Bijlage I (onder 9.) bij de Speelgoedrichtlijn, luidende:

“Lijst van producten die, met name, niet als speelgoed in de zin van deze richtlijn worden beschouwd (als bedoeld in artikel 2 lid 1) […] 9. Geweren en pistolen die gebruikmaken van samengeperst gas, met uitzondering van waterpistolen […]”. 10

Ook overigens zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot de conclusie dat dit wapen als een speelgoedwapen in de zin van de Speelgoedrichtlijn moet worden beschouwd.

Dit maakt dat de militaire kamer tot het oordeel komt dat dit geen wapen betreft dat valt onder de Speelgoedrichtlijn. De militaire kamer acht dan ook, anders dan de officier van justitie en de verdediging, het feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 5:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- een proces-verbaal OZK Pepperspray d.d. 1 mei 2017 (pag. 890)

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 augustus 2018.

Ten aanzien van feit 6 primair:

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de periode van 11 februari 2017 tot en met 26 maart 2017 is verdachte, als militair, in tijd van vrede, van zijn onderdeel, de [naam 2] , ongeoorloofd afwezig geweest waardoor verdachte een reis naar of van een of meer plaatsen buiten het Koninkrijk, te weten Plymouth, niet heeft meegemaakt. Verdachte wist dat voor wat betreft die reis sprake was van een bevel.11

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat van desertie, zoals primair tenlastegelegd, geen sprake is. Verdachte heeft nimmer de inzetbaarheid van de krijgsmacht willen beperken en/of benadelen. Verdachte heeft zich er telkens van vergewist dat zijn afwezigheid de oefening niet zou hinderen. Ook heeft verdachte zich er van vergewist dat er voldoende matrozen zouden overblijven, alsmede dat zijn afwezigheid geen schade tot gevolg zou hebben. Het is weliswaar niet aan verdachte om deze punten te beoordelen, maar hij heeft er wel over nagedacht. Verdachte constateerde dat hij niet onmisbaar was en afwezig kon zijn, aldus de verdediging.

Verdachte is bovendien niet de volledige periode afwezig geweest. Op zeker moment heeft hij zich aangesloten bij de oefening en kort daarna heeft hij wederom de beslissing genomen dat hij weg kon.

Beoordeling door de militaire kamer

Verdachte was matroos op de [naam 2] welk fregat van 10 februari 2017 tot en met 24 maart 2017 op een NOST-oefening is gegaan. Verdachte was door middel van dagorders op de hoogte gebracht van het aanvangstijdstip van deze oefening. Voorafgaand aan het uitvaren heeft verdachte aan zijn lijnmanager - in strijd met de waarheid - gemeld dat zijn broer een auto-ongeluk had gehad en in coma lag. Verdachte wilde naar huis omdat hij geestelijke bijstand moest leveren aan zijn ouders. Na overleg met de commandant van het schip is verdachte naar huis gestuurd. Een week later meldde verdachte zich weer op het schip in Den Helder, maar gaf aan dat het niet goed ging met zijn broer en dat hij hevig ontdaan was. Op 10 februari 2017, de dag dat het schip zou uitvaren voor genoemde oefening, is besloten verdachte wederom naar huis te sturen om zaken op orde te stellen. Verdachte kreeg daarvoor één week de tijd en zou daarna worden ingevlogen in de oefening.

Op 19 februari 2017 is verdachte ingevlogen. Verdachte heeft toen zijn diensten aan boord verricht tot 24 februari 2017. Verdachte gaf toen weer aan dat het thuis, met zijn broer, niet goed ging en daarom werd weer besloten verdachte naar huis te sturen.12

Kort daarop is gebleken dat de broer van verdachte in 2017 geen auto-ongeluk heeft gehad en niet in coma heeft gelegen.13

Verdachte heeft als reden voor zijn afwezigheid aangegeven dat hij problemen had met zijn vriendin [medeverdachte 2] .14

Verdachte wist dat hij moest deelnemen aan de geplande NOST-oefening gedurende de periode 10 februari 2017 tot en met 24 maart 2017. Hij wist ook dat hij door zijn leugens over zijn broer de reis, of een deel daarvan, zou missen.

Ook een militair die met toestemming afwezig is, maar die het hem verleende (buiten-gewoon) verlof voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is gegeven, is naar het oordeel van de militaire kamer ongeoorloofd afwezig.

Door het meermalen vertellen van een leugen, op grond waarvan hij verlof kreeg om afwezig te zijn, is verdachte naar het oordeel van de militaire kamer opzettelijk ongeoorloofd afwezig geweest. Daardoor heeft hij een bevolen reis naar of van een plaats buiten het Koninkrijk gedeeltelijk niet meegemaakt.

Dat verdachte, zoals door de verdediging aangevoerd, zich er op voorhand van had vergewist dat hij, kort samengevat, geen nadeel zou toebrengen aan de oefening, maakt dat niet anders. Het is immers niet aan verdachte om een dergelijke afweging te maken.

De militaire kamer acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan desertie in de gehele ten laste gelegde periode, waarbij niet relevant is dat verdachte tussentijds nog enkele dagen wel aanwezig is geweest en zijn diensten heeft verricht aan boord van de [naam 2] .

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten 1, 2 primair, 3 subsidiair, 4, 5 en 6 primair, heeft begaan, waarbij de rechtbank in het onder 4 tenlastegelegde in de tweede regel het jaartal ‘2018’ leest als ‘2017’ nu hier kennelijk van een verschrijving sprake is, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 30 december 2016, te Born, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk een geldbedrag van Euro 970,-- of daaromtrent, in elk geval enige hoeveelheid geld, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, en welk geld verdachtes mededader, uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking, te weten als kassière/medewerkster van/bij het [naam 1] aldaar als kasgeld, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij in of omstreeks de periode van 16 tot en met 18 december 2016, te Grevenbicht, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen op/aan de [adres 2] weg te nemen goederen en/of geld van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, een ruit van (de schuifpui van) die woning heeft ingegooid/vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid ;

3.

[medeverdachte 1] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 december 2016 tot en met 2 januari 2017, te Munstergeleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer goederen, te weten een of meer ruiten van een woning ( [adres 3] ) en/of twee ruiten van een auto (merk Audi, kenteken [kenteken] ) en/of een brievenbus van een woning ( [adres 3] ), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval aan anderen of een ander dan aan die [medeverdachte 1] en/of verdachte, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt, bij het plegen van welke vorenomschreven misdrijven verdachte toen aldaar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welke vorenomschreven misdrijven verdachte opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door toen aldaar (telkens) die [medeverdachte 1] met een door hem, verdachte, bestuurde auto naar de pleegplaats van het misdrijf te brengen/vervoeren en/of aldaar op de uitkijk te gaan en/of blijven staan en/of door toen aldaar (telkens) tijdens het plegen van

vorenomschreven misdrijven (in/bij een auto) op die [medeverdachte 1] te wachten teneinde hem weg te kunnen rijden/voeren van de pleegplaats;

4.

hij op of omstreeks 18 april 2017, in elk geval in de periode gelegen van 30 december 2016 tot en met 18 april 2018, te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een (gasdruk)pistool (merk Umarex) zijnde een nabootsing van een schietwapen en/of zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een echt vuurwapen (pistool, merk Walther, type P99) en derhalve voor bedreiging en/of afdreiging geschikt, voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 18 april 2017, althans in of omstreeks de periode gelegen van 30 december 2016 tot en met 18 april 2017, te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, een busje inhoudende pepperspray (opschrift Pepperspray 12% OC-Gehalt), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) en derhalve een wapen van de categorie II, onder 6, voorhanden heeft gehad.

6.

hij als militair, in tijd van vrede, in of omstreeks de periode van 11 februari 2017 tot en met 26 maart 2017, van verdachte’s te of nabij Den Helder, in elk geval in Nederland, gelegen onderdeel, opzettelijk, althans in ernstige mate nalatig, ongeoorloofd afwezig is geweest, waardoor verdachte een reis naar of van een of meer plaatsen buiten het Koninkrijk te weten, Plymouth, althans (een) plaats(en) in Groot-Brittannië, in elk geval (een) zodanige plaats(en) en die naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, bevolen was, niet geheel heeft meegemaakt;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.

Ten aanzien van feit 2 primair:

Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Ten aanzien van feit 3 subsidiair:

Medeplichtigheid aan opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie.

Ten aanzien van feit 5:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie.

Ten aanzien van feit 6:

Desertie, in tijd van vrede gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 3 primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van de onder 1, 2 primair, 3 subsidiair, 4, 5 en 6 primair ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geformuleerd (meldplicht en gedragsinterventie). Daarnaast heeft de officier van justitie een werkstraf gevorderd voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis onvoorwaardelijk.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging sluit zich aan bij het strafvoorstel zoals door de officier van justitie gevorderd.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 4 juli 2018;

- een voorlichtingsrapportage van de Reclassering Nederland d.d. 14 augustus 2018 alsmede

- een psychologisch rapport d.d. 21 september 2017, opgemaakt door drs. [naam 3] , psycholoog.

De militaire kamer overweegt als volgt.

Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan een fors aantal vervelende delicten. Om gemakkelijk aan geld te komen heeft hij een overval in scene gezet met als gevolg dat veel onrust in de samenleving is ontstaan en de politie, na de melding te hebben gekregen van die overval, met alle mogelijke middelen is opgetreden.

Vanwege een geschil met de dochter van de bewoners van de [adres 2] te Grevenbicht, heeft verdachte samen met [medeverdachte 1] getracht in die woning in te breken. Hierbij is forse schade toegebracht aan de woning. Na deze wraakactie reed hij [medeverdachte 1] , vanwege een ander geschil met de dochter des huizes, tot drie keer toe naar een woning aan de [adres 3] te Munstergeleen waarvan hij ten minste twee keer wist dat die [medeverdachte 1] daar vernielingen zou aanrichten.

Voorts heeft verdachte verboden wapens in zijn bezit gehad.

De militaire desertie die verdachte heeft begaan, acht de militaire kamer bijzonder ernstig, niet alleen omdat verdachte zijn schip en zijn collega’s in de steek heeft gelaten, maar ook omdat hij op doortrapte wijze leugens heeft verteld aan zijn meerderen. Daarbij heeft verdachte zijn persoonlijk belang, te weten het kennelijk ervoor zorgen dat zijn toenmalige partner haar mond hield over de op 30 december 2016 gepleegde fictieve overval, laten prevaleren boven de belangen van de Krijgsmacht en zijn collega’s.

De militaire kamer is van oordeel dat voor afdoening van deze feiten in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De militaire kamer zal echter volstaan met een straf overeenkomstig de eis van de officier van justitie en het voorstel van de verdediging. De militaire kamer overweegt daartoe het navolgende.

Ten tijde van de gepleegde delicten was verdachte 21 jaar. Behoudens een snelheidsovertreding heeft verdachte een blanco documentatie. Daarnaast heeft verdachte de schade, veroorzaakt door het bewezenverklaarde onder 1, op eigen initiatief vergoed. Voorts heeft de militaire kamer geconstateerd dat er in de inmiddels verstreken tijd geen signalen zijn geweest dat verdachte weer strafbare feiten heeft gepleegd.

Desondanks acht de militaire kamer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor verdachte nodig als een signaal zich beter in de hand te houden en zich niet nogmaals schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten. Bovendien acht de militaire kamer een voorwaardelijke gevangenisstraf van belang om te zorgen dat verdachte zich zal houden aan de hem opgelegde bijzondere voorwaarden.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 150,00 respectievelijk

€ 1.362,16.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geadviseerd de vorderingen van de benadeelde partijen af te wijzen nu, gelet op de bewezenverklaring van medeplichtigheid, er geen causaal verband is tussen de door [medeverdachte 1] gepleegde vernielingen en de rol daarin van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard nu verdachte niet zelf de vernielingen heeft gepleegd maar als medeplichtige daarbij betrokken was. Bovendien, gelet op de veroordeling van [medeverdachte 1] door de rechtbank Limburg waarbij vorderingen van genoemde benadeelde partijen zijn toegewezen, is onduidelijk welk deel van de schade inmiddels is vergoed.

Beoordeling militaire kamer

De militaire kamer stelt voorop dat ook in geval van medeplichtigheid, sprake kan zijn van een zodanig nauw verband tussen het handelen van de medeplichtige en de ontstane schade, dat die schade kan worden aangemerkt als ‘rechtstreekse schade’ als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering. In dit geval echter ziet de militaire kamer aanleiding om beide vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren.

De militaire kamer zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk verklaren nu verdachte voor de hem ten laste gelegde strafbare feiten inzake [slachtoffer 3] zal worden vrijgesproken.

De militaire kamer zal ook de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] in het geheel niet-ontvankelijk verklaren omdat deze een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Immers, ter onderbouwing van de schade aan de ruit van de personenauto van de benadeelde partij zijn brieven van de verzekeringsmaatschappij overgelegd. Uit die brieven valt niet af te leiden over welke schade het gaat. Weliswaar wordt de datum 2 januari 2016 genoemd, maar vermeld is tevens dat de schade het gevolg is van een “verkeersongeval”. Kennelijk is deze schade daarom niet het gevolg van de vernieling op 2 januari 2016.

Nader onderzoek hiernaar levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 45, 47, 48, 57, 91, 311, 321, 322, 350 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 13, 26, 55 en 56 van de Wet Wapens en Munitie alsmede artikel 100 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

9 De beslissing

De meervoudige militaire kamer:

 spreekt verdachte vrij van het onder 3 primair ten laste gelegde feit.

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1) zich niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

2) ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

3) zijn medewerking zal verlenen aan het door Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4) zich uiterlijk drie dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij Reclassering Nederland, [adres 4] Maastricht. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

5) zal meewerken aan de gedragsinterventie “van inzicht naar innerlijke motivatie” voor zolang de reclassering dit nodig acht;

6) zal meewerken aan een Covatraining of Covatraining+, indien en voor zover de reclassering dit geraden en haalbaar acht.

 geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde voorts tot een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (eenhonderd twintig) dagen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

 verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] .

 verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.B.J. Driessen, voorzitter, en mr. P.C. Quak, rechters, en Kolonel mr. C.E.W. van de Sande, militair lid, in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 september 2018.

De voorzitter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee, Brigade Limburg-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 201707181015.27101249, onderzoek [naam 4] , gesloten op 6 september 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Een proces-verbaal van aangifte van [naam 5] namens [slachtoffer 1] (pag. 379); een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] (pag. 489 e.v.); de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 20 augustus 2018;

3 Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] (pag. 489 e.v.); de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 20 augustus 2018;

4 Een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] (pag. 594 e.v.);

5 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 20 augustus 2018;

6 Een proces-verbaal van bevindingen (pag. 821); de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 20 augustus 2018;

7 Een proces-verbaal bevindingen Umarex CPS (pag. 857);

8 Een proces-verbaal van bevindingen (pag. 860), alsmede proces-verbaal verhoor verdachte, pag. 275;

9 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 20 augustus 2018;

10 Bijlage I bij Richtlijn 2009/48/EU van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed, Publicatieblad van de Europese Unie 30.06.2009, pag. L 170/20

11 Een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [naam 6] (pag. 969 e.v.); de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 20 augustus 2018;

12 Een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [naam 6] (pag. 969 e.v.); de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 20 augustus 2018;

13 Een proces-verbaal verhoor [naam 7] (pag. 991 e.v.); de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 20 augustus 2018;

14 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 20 augustus 2018;