Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3779

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-09-2018
Datum publicatie
03-09-2018
Zaaknummer
05/760040-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer heeft een 29-jarige ex-militair uit Almere veroordeeld tot een werkstraf van 216 uur en een voorwaardelijke rijontzegging wegens het veroorzaken van een fataal verkeersongeval op 10 september 2015 in Duitsland. Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/760040-16

Datum uitspraak : 03 september 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] [woonplaats] .

Raadsman mr. J.A.C van den Brink, advocaat te Almere.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 juni 2018 en

20 augustus 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 september 2015, te of nabij Mehring, gelegen in de deelstaat Rijnland-Palts, Landkreis Trier-Saarburg), in de Bondsrepubliek Duitsland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, militair voertuig), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A-1, gaande in de richting Trier, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat hij, verdachte, terwijl het zicht voor hem niet werd beperkt of gehinderd en/of

terwijl middels in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerde borden werd gewezen op een wegversmalling en/of werkzaamheden aan die weg, waarbij het over de linker rijstrook van die weg (Rijksweg A-1) rijdende verkeer moest invoegen in het over de rechter rijstrook rijdende verkeer en/of

terwijl middels een in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd verkeersbord was aangegeven dat de daling van die weg 5% bedroeg en/of sprake was van filevorming, waarbij de voor hem, verdachte, uit over die weg rijdende andere motorrijtuigen hun snelheid aanmerkelijk hadden teruggebracht en/of aldaar reden met een snelheid van ongeveer 30 kilometer per uur, althans een aanmerkelijk lagere snelheid dan de aldaar maximum toegestane snelheid van 80 kilometer per uur, niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg (Rijksweg A-1) en/of heeft hij, verdachte, niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, militair voertuig) op zodanige wijze geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of is hij, verdachte, met een snelheid van ongeveer 83 kilometer per uur, althans met een gelet op de situatie aldaar te hoge snelheid, die file ingereden en/of gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een voor hem, verdachte, uit op die weg langzamer rijdend of stilstaand ander motorrijtuig (personenauto, merk Opel) en/of waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing/aanrijding met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, militair voertuig) dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Opel) in botsing is gekomen met een ander motorrijtuig (personenauto, merk Mazda) en/of vervolgens dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Mazda) is gebotst of in aanrijding is gekomen met een zich daarvoor bevindend ander motorrijtuig (personenauto, mer Hyundai) en/of althans botsingen of aanrijdingen tussen één of meer andere motorrijtuigen zijn ontstaan en aldus zich zodanig heeft gedragen dat (een) aan zijn, verdachtes, schuld te wijten verkeersongeval(len) heeft/hebben plaats gevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1] , werd gedood en/of (een) ander(en), te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , zwaar lichamelijk letsel of zodanig letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij als militair op of omstreeks 10 september 2015, te of nabij Mehring, gelegen in de deelstaat Rijnland-Palts, Landkreis Trier- Saarburg, in elk geval in de Bondsrepubliek Duitsland, op een voor het openbaar en/of voor het militair verkeer openstaande weg, de Rijksweg A-1, als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, militair voertuig), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A-1, gaande in de richting Trier, terwijl het zicht voor hem niet werd beperkt of gehinderd en/of terwijl middels in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerde borden werd gewezen

op een wegversmalling en/of werkzaamheden aan die weg, waarbij het over de linker rijstrook van die weg (Rijksweg A-1) rijdende verkeer moest invoegen in het over de rechter rijstrook rijdende verkeer en/of terwijl middels een in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd verkeersbord was aangegeven dat de daling van die weg 5% bedroeg en/of sprake was van filevorming, waarbij de voor hem, verdachte, uit over die weg rijdende andere motorrijtuigen hun snelheid aanmerkelijk hadden teruggebracht en/of aldaar reden met een snelheid van ongeveer 30 kilometer per uur, althans een aanmerkelijk lagere snelheid dan de aldaar maximum toegestane

snelheid van 80 kilometer per uur, niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg (Rijksweg A-1) en/of heeft hij, verdachte, niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig bedrijfsauto, militair voertuig) op zodanige wijze geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of is hij, verdachte, met een snelheid van ongeveer 83 kilometer per uur, althans met een gelet op de situatie aldaar te hoge snelheid, die file ingereden en/of gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een voor hem, verdachte, uit op die weg langzamer rijdend of stilstaand ander motorrijtuig (personenauto, merk Opel) en/of waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing/aanrijding met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, militair voertuig) dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Opel) in botsing is gekomen met een ander motorrijtuig (personenauto, merk Mazda) en/of vervolgens dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Mazda) is gebotst of in aanrijding is gekomen met een zich daarvoor bevindend ander motorrijtuig (personenauto, merk Hyundai) en/althans botsingen of aanrijdingen tussen één of meer andere motorrijtuigen zijn ontstaan, door welke gedraging(en) van verdachte de veiligheid op die weg (Rijksweg A-1) in gevaar werd gebracht, althans naar redelijkerwijze is aan te nemen, de veiligheid op die weg in gevaar kon worden gebracht.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 10 september 2015 heeft op de Rijksweg A-1 te of nabij Mehring, gelegen in de deelstaat Rijnland-Palts, Landkreis Trier-Saarburg, in de Bondsrepubliek Duitsland een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij verdachte was betrokken. Verdachte reed op dat moment als bestuurder in een militair motorvoertuig, zijnde een bedrijfsauto, over de Rijksweg A-1 richting Trier. Het zicht van verdachte werd niet beperkt of gehinderd. Met de in zijn rijrichting gekeerde borden werd gewezen op een wegversmalling en werkzaamheden aan die weg, waarbij het over de linker rijstrook van die Rijksweg A-1 rijdend verkeer moest invoegen in het over de rechter rijstrook rijdend verkeer van die weg. Verdachte heeft deze borden gezien. Ook het verkeersbord waarop was aangegeven dat de daling van die weg 5% bedroeg en het bord dat waarschuwde voor een S-bocht heeft verdachte gezien.

Verdachte is, rijdend over de rechter rijstrook van die Rijksweg A-1, gebotst tegen een voor hem rijdende personenauto van het merk Opel. Door de kracht en de inwerking van die botsing, is de Opel in botsing gekomen met een Mazda personenauto. De Hyundai die vóór de Mazda reed is ook geraakt, maar de inzittenden van die auto zijn niet gewond geraakt.2

Als gevolg van dit verkeersongeval is de inzittend van de Opel, de heer [slachtoffer 1] , overleden.3 De andere inzittende van de Opel, mevrouw [slachtoffer 3] , is als gevolg van het verkeersongeval drie weken opgenomen geweest in het ziekenhuis. Al haar ribben, diverse borstwervels en haar sleutelbeen waren gebroken en zij is incontinent geraakt.4

De inzittende van de Mazda, mevrouw [slachtoffer 2] , heeft als gevolg van het verkeersongeval een licht schedelhersenletsel opgelopen en is korte tijd bewusteloos geweest. Daarnaast heeft zij meerdere kneuzingen en hematomen opgelopen. Bovendien is mevrouw [slachtoffer 2] twee dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis ter observatie. De laatste behandeling op grond van het verkeersongeval heeft plaatsgevonden op 28 september 2015. Mw. [slachtoffer 2] is tot en met 14 oktober 2015 arbeidsongeschikt verklaard geweest.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en daartoe, kort zakelijk weergegeven, het navolgende aangevoerd.

Er kunnen geen conclusies worden verbonden aan de op het wegdek aangetroffen remsporen. Ook kunnen geen conclusies worden getrokken met betrekking tot de gereden snelheid van verdachte en/of het overige verkeer kort voorafgaand aan het ongeval. De verklaring van verdachte, dat hij ongeveer 80 kilometer per uur reed, maakt dat niet anders. Voorts is en blijft onduidelijk of en zo ja in hoeverre sprake is geweest van filevorming.

De verdediging is van oordeel dat verdachte geen schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft aan het verkeersongeval.

Beoordeling door de militaire kamer

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) is vereist dat het gedrag van de verdachte aanmerkelijk of zeer onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam is geweest. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Gekeken moet worden naar het geheel van de gedragingen en/of nalatigheden van de verdachte, naar de aard en de concrete ernst van die gedragingen en/of nalatigheden en verder naar de omstandigheden waaronder die gedragingen en/of nalatigheden hebben plaatsgevonden. Daarbij wordt opgemerkt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het incident kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

In de onderhavige zaak leidt de militaire kamer uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de navolgende feitelijke gang van zaken af.

Verdachte, een militair beroepschauffeur, reed met zijn militaire vrachtauto over de Rijksweg A-1. Hij zag de verkeersborden waarbij gewezen werd op een verderop aangebrachte wegversmalling in verband met werkzaamheden aan die weg. Bovendien ging de weg, zoals ook aangegeven werd door een verkeersbord, met een dalingspercentage van 5% naar beneden. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij invoegend verkeer als gevolg van een wegversmalling filevorming kan ontstaan. Niet alleen verdachte als beroepschauffeur, maar elke automobilist weet dat men op zo’n moment extra alert moet zijn op al het overige verkeer.

Verdachte heeft verklaard dat hij, op het moment dat hij de verkeersborden aangevende dat er een wegversmalling zou komen waarnam, zijn snelheid heeft teruggebracht van 90 kilometer per uur naar 80 kilometer per uur. Hij heeft daarvoor de cruise control uitgeschakeld door licht te remmen en, omdat hij op een helling naar beneden reed, de vrachtauto te laten rollen, daarbij gebruik makend van de retarder rem.6

Achter verdachte reed zijn collega [getuige] , eveneens in een militaire vrachtauto. [getuige] heeft verklaard dat, toen zij te maken kregen met wegwerkzaamheden, het verkeer fors afremde wat resulteerde in een korte file. Hij schat de gereden snelheid tot dat moment op 85 à 87 kilometer per uur.7

Mevrouw [slachtoffer 2] , die in een blauwe Mazda 3 vóór de zilverkleurige Opel Astra reed, heeft verklaard dat ook zij reed over de Rijksweg A-1 en dat ze merkte dat het verkeer van de linker rijstrook naar de rechter rijstrook werd gestuurd, omdat er vermoedelijk wegwerkzaamheden waren. Zij reed al op de rechter rijstrook in een personenauto en had haar snelheid verminderd naar ongeveer 30 kilometer per uur. Op het moment dat zij in haar achteruitkijkspiegel keek, zag zij een zilverkleurig voertuig achter haar rijden dat eveneens remde en op dezelfde afstand achter haar bleef rijden. Toen zij nogmaals in haar achteruitkijkspiegel keek zag zij achter de zilverkleurige personenauto een vrachtwagen die, gemeten aan haar snelheid, met grote snelheid naderde. Zij merkte meteen dat het voor die vrachtwagen niet meer mogelijk was tijdig te remmen. Zij heeft hierop geprobeerd uit de rij langzaam rijdende auto’s weg te komen door naar links te sturen, maar zij voelde dat haar auto van achteren werd geraakt. Daarop is haar auto gedraaid en tegen de vangrail tot stilstand gekomen.8

Op het moment dat verdachte ineens een - volgens hem - zwarte auto snel dichterbij zag komen, heeft hij stevig geremd. Verdachte voelde dat zijn vrachtauto tegen die ‘zwarte’ auto (de militaire kamer begrijpt dat dit de blauwe Mazda 3 betreft) aankwam en dat de auto daardoor tegen de vangrail tot stilstand kwam.

De Opel Astra die direct voor verdachte reed, en waartegen zijn vrachtauto al was gebotst, heeft verdachte pas gezien - grotendeels onder zijn vrachtauto - toen hij uitstapte.9

De militaire kamer trekt uit het voorgaande de conclusie dat verdachte op het moment dat sprake was van een filevorming niet de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen door zijn snelheid voldoende te verminderen. In plaats daarvan heeft hij de vrachtauto laten uitrollen, terwijl hij wist dat hij reed op een weg die met 5% daalde. Verdachte zag ineens een auto snel naderbij komen. De rechtbank stelt vast dat dit de auto van [slachtoffer 2] is geweest. De Opel Astra die direct voor de vrachtauto bestuurd door verdachte reed, heeft verdachte in het geheel niet gezien. Verdachte heeft zijn vrachtauto derhalve niet tot stilstand kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze voor hem vrij was.

De collega van verdachte, [getuige] , die eveneens in een vrachtwagen achter verdachte reed, heeft wel gezien dat, toen zij te maken kregen met wegwerkzaamheden, het verkeer fors remde en dat er een file ontstond. Verdachte heeft naar het oordeel van de militaire kamer niet alleen de direct voor hem gereden personenauto (Opel) geheel over het hoofd gezien, maar ook heeft hij niet gezien dat als gevolg van de wegwerkzaamheden het verkeer voor hem afremde en dat er sprake was van filevorming. Als gevolg hiervan heeft verdachte zijn voertuig niet tijdig tot stilstand kunnen brengen en heeft hij een fatale aanrijding veroorzaakt. Onder deze omstandigheden kan niet langer worden gesproken van een kort moment van onoplettendheid. Verdachte was een door borden en door een goed waarneembare filevorming gewaarschuwd mens. Door desondanks niet adequaat te reageren, heeft hij naar het oordeel van de militaire kamer aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gereden.

Het bij mevrouw [slachtoffer 3] geconstateerde, hiervoor omschreven letsel merkt de militaire kamer aan als zwaar lichamelijk letsel.

Over het bij mevrouw [slachtoffer 2] geconstateerde letsel, ook hiervoor beschreven, is de militaire kamer van oordeel dat dit zodanig lichamelijk letsel is dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden tot gevolg heeft gehad.

3 Bewezenverklaring

De militaire kamer acht op grond van het voorgaande overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, waarbij de militaire kamer nog overweegt dat er geen causaal verband bestaat tussen de aanrijding tegen de Hyundai en het overlijden van de heer [slachtoffer 1] , respectievelijk de letsels van mevrouw [slachtoffer 3] en mevrouw [slachtoffer 2] . Derhalve zal de aanrijding van de Hyundai buiten de bewezenverklaring blijven.

Jegens verdachte wordt aldus bewezen verklaard dat:

hij op of omstreeks 10 september 2015, te of nabij Mehring, gelegen in de deelstaat Rijnland-Palts, Landkreis Trier-Saarburg), in de Bondsrepubliek Duitsland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, militair voertuig), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A-1, gaande in de richting Trier, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat hij, verdachte, terwijl het zicht voor hem niet werd beperkt of gehinderd en/of

terwijl middels in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerde borden werd gewezen op een wegversmalling en/of werkzaamheden aan die weg, waarbij het over de linker rijstrook van die weg (Rijksweg A-1) rijdende verkeer moest invoegen in het over de rechter rijstrook rijdende verkeer en/of

terwijl middels een in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd verkeersbord was aangegeven dat de daling van die weg 5% bedroeg en/of

sprake was van filevorming, waarbij de voor hem, verdachte, uit over die weg rijdende andere motorrijtuigen hun snelheid aanmerkelijk hadden teruggebracht en/of aldaar reden met een snelheid van ongeveer 30 kilometer per uur, althans een aanmerkelijk lagere snelheid dan de aldaar maximum toegestane snelheid van 80 kilometer per uur,

niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg (Rijksweg A-1) en/of

heeft hij, verdachte, niet de snelheid van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, militair voertuig) op zodanige wijze geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

is hij, verdachte, met een snelheid van ongeveer 83 kilometer per uur, althans met een gelet op de situatie aldaar te hoge snelheid, die file ingereden en/of gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een voor hem, verdachte, uit op die weg langzamer rijdend of stilstaand ander motorrijtuig (personenauto, merk Opel) en/of

waarbij, door de kracht en/of de inwerking van die botsing/aanrijding met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, militair voertuig) dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Opel) in botsing is gekomen met een ander motorrijtuig (personenauto, merk Mazda) en/of vervolgens

dat andere motorrijtuig (personenauto, merk Mazda) is gebotst of in aanrijding is gekomen met een zich daarvoor bevindend ander motorrijtuig (personenauto, mer Hyundai) en/of

althans botsingen of aanrijdingen tussen één of meer andere motorrijtuigen zijn ontstaan en aldus zich zodanig heeft gedragen dat (een) aan zijn, verdachtes, schuld te wijten verkeersongeval(len) heeft/hebben plaats gevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1] , werd gedood en/of (een) ander(en), te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , zwaar lichamelijk letsel of zodanig letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een feit betreft waardoor een ander wordt gedood,

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een feit betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uur subsidiair te vervangen door hechtenis voor de duur van 90 dagen, alsmede ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging verzocht dat bij het opleggen van een straf of maatregel rekening gehouden wordt met het reclasseringsrapport, de overschrijding van de redelijke termijn, de persoonlijke omstandigheden van verdachte alsmede het ontbreken van documentatie.

Beoordeling door de rechtbank

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 4 juli 2018;

- een voorlichtingsrapportage van de Reclassering Nederland d.d. 17 augustus 2018.

Verdachte heeft een zeer ernstig verkeersongeval veroorzaakt waarbij een persoon is gedood, een tweede persoon zwaar lichamelijk letsel en blijvende invaliditeit heeft opgelopen en een derde persoon gedurende enige tijd gehinderd werd in de uitoefening van de normale bezigheden.

Het verkeersongeval is veroorzaakt door verwijtbare nalatigheden van verdachte, doordat hij:

  1. onvoldoende heeft geanticipeerd op de situatie op de weg, terwijl hij wel voldoende was gewaarschuwd;

  2. onvoldoende op de weg heeft gelet, dan wel is blijven letten, waardoor hij de vóór hem rijdende auto’s niet respectievelijk te laat zag;

  3. onvoldoende daadkrachtig heeft gereageerd door te laat te remmen.

De militaire kamer is van oordeel dat de uitermate ernstige gevolgen van deze nalatigheden en de opeenstapeling van nalatigheden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaar-delijke rijontzegging zouden rechtvaardigen.

De militaire kamer constateert echter ook dat op het moment van uitspreken van dit vonnis, op enkele dagen na, 3 jaar zijn verstreken vanaf het ongeval op 10 september 2015.

Het eindproces-verbaal is reeds op 11 april 2016 bij het Openbaar Ministerie binnengekomen en enige valide reden waarom het vervolgens meer dan twee jaren duurt alvorens verdachte gedagvaard wordt, is niet gebleken. In de tussentijd heeft verdachte zich niet wederom schuldig gemaakt aan enig strafbaar feit, terwijl zijn leven wel een nieuwe (positieve) wending heeft genomen. Dit maakt dat de militaire kamer thans van oordeel is dat het opleggen van een gevangenisstraf niet langer opportuun is, ook niet in voorwaardelijke zin. Ook een onvoorwaardelijke rijontzegging, acht de militaire kamer om die reden niet meer opportuun.

Om toch de ernst van verdachte’s nalatigheden tot uitdrukking te brengen, acht de militaire kamer wel de maximale werkstraf passend en geboden. Voorts is de militaire kamer van oordeel dat de aan de voorwaardelijk op te leggen ontzegging van de rijbevoegdheid te koppelen proeftijd twee jaar moet zijn. De militaire kamer is van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten.

Tot slot houdt de militaire kamer rekening met de omstandigheid dat sprake is van een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn.

Conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zal daarom 10% korting worden toegepast bij het opleggen van de werkstraf. In plaats van 240 uur zal de militaire kamer een werkstraf opleggen voor de duur van 240 uur -/- 10% (24 uur) = 216 uur.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 6, 175, 176 en 178 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De meervoudige militaire kamer:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 216 (tweehonderdzestien) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 108 dagen;

 ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar;

 bepaalt, dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak, voorzitter, en mr. J.B.J. Driessen, rechters,

Kolonel mr. C.E.W. van de Sande, militair lid, in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 september 2018.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee, district Zuid, Brigade Brabant-Noord / Limburg-Noord, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27YN/15-003860A, gesloten op 20 januari 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het op 9 juli 2018 ontvangen doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Een proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse (pag. 34 e.v.); de verklaring van verdachte ter terechtzitting;

3 Een memorandum lijkschouwing (pag. 106);

4 Een proces-verbaal van bevindingen (pag. 114);

5 Een schriftelijk bescheid, te weten een doktersattest d.d. 7 december 2015 (afzonderlijk document);

6 Een proces-verbaal verhoor verdachte (pag.16), alsmede de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 juni 2018;

7 Een proces-verbaal verhoor getuige [getuige] (pag. 108);

8 Een proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 2] (pag. 159);

9 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 4 juni 2018;