Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3764

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
31-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 892
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft het verzoek aangeduid als een ‘informatieverzoek’. Zij heeft op 30 mei 2013 niet gewezen op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) en evenmin anderszins kenbaar gemaakt dat zij streeft naar openbaarheid van de opgevraagde documenten.

Eiseres heeft in het verzoek gewezen op een besluit van 28 maart 2013 waarbij is beslist op een Wob-verzoek van eiseres van 11 januari 2013. Op 19 april 2013 heeft eiseres bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2013 gemaakt.

De zojuist aangeduide omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leiden de rechtbank tot het oordeel dat het verzoek slechts kan worden aangemerkt als een verzoek om het feitelijk verstrekken van stukken in de zin van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en/of artikel 8:42, eerste lid, van de Awb, en niet tevens als een verzoek in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wob.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/892

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. H. van Drunen),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, thans de staatsecretaris van Economische Zaken en Klimaat, te Den Haag, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen [derde-partij]’, thans [derde-partij], te [woonplaats] (gemachtigde: mr. R.J.J.M.M. Metsemakers).

Procesverloop

Op 30 mei 2013 heeft eiseres aan verweerder verzocht om verstrekking van afschriften van onder meer een nader aangeduid besluit waarbij is beslist op een verzoek van een andere persoon om openbaarmaking van documenten.

Bij brief van 15 oktober 2013 heeft verweerder medegedeeld dat de op 30 mei 2013 gevraagde documenten geanonimiseerd aan eiseres zullen worden verstrekt.

Bij brief van 31 oktober 2013 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de documenten in kwestie tot nader order niet zullen worden verstrekt,.

Bij besluit van 12 januari 2015 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen de brieven ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep tegen het bestreden besluit ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De derde-partij heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is niet verschenen. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. De wetsartikelen waarnaar in deze uitspraak wordt verwezen, zijn opgenomen in de bijlage die aan deze uitspraak is gehecht.

2. Het verzoek van 30 mei 2013 (hierna: verzoek) luidt als volgt: “In uw besluit van

28 maart 2013 aan cliënte (referentie TRCNVWA/13/2354) maakt u gewag van een besluit van 21 februari 2013 met referentie NVWA/12/3864/Wob. Namens cliënte verzoek ik u mij een afschrift van dit besluit, de daarbij behorende bijlagen, maar ook van het initiërende verzoek, alsmede van alle stukken met betrekking tot een mogelijke bezwaar- en beroepsprocedure in deze zaak.”

Eiseres heeft het verzoek aangeduid als een ‘informatieverzoek’. Zij heeft op 30 mei 2013 niet gewezen op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) en evenmin anderszins kenbaar gemaakt dat zij streeft naar openbaarheid van de opgevraagde documenten.

Eiseres heeft in het verzoek gewezen op een besluit van 28 maart 2013 waarbij is beslist op een Wob-verzoek van eiseres van 11 januari 2013. Op 19 april 2013 heeft eiseres bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2013 gemaakt.

3. De zojuist aangeduide omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leiden de rechtbank tot het oordeel dat het verzoek slechts kan worden aangemerkt als een verzoek om het feitelijk verstrekken van stukken in de zin van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en/of artikel 8:42, eerste lid, van de Awb, en niet tevens als een verzoek in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wob. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van onder meer 1 september 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN5684), 15 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:384) en 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2431).

In het verlengde hiervan is de rechtbank van oordeel dat het verzoek niet kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Daarom kwalificeert de rechtbank de brieven niet als appellabele beschikkingen in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb, maar (slechts) als feitelijke handelingen. Die kwalificatie leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bezwaar tegen de brieven niet-ontvankelijk is.

4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Zij voorziet zelf in de zaak, door het bezwaar tegen de brieven alsnog niet-ontvankelijk te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 501 en de wegingsfactor 1).

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door de derde-partij gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 250,50 (0,5 punt voor het indienen van de schriftelijke uiteenzetting, met een waarde per punt van

€ 501 en de wegingsfactor 1).

p

7. Eiseres heeft gevraagd om vergoeding van (immateriële) schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor het beslechten van het geschil tussen haar en verweerder.

De redelijke termijn bedraagt in dit geval maximaal drie jaren, met dien verstande dat verweerder maximaal één jaar mag gebruiken voor het beslissen op het bezwaar tegen de brieven, en de rechtbank maximaal twee jaren voor het beslissen op het beroep. Hierbij neemt de rechtbank – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188) – in aanmerking dat de brieven vóór 1 februari 2014 aan eiseres zijn verzonden.

De redelijke termijn is begonnen op 11 november 2013, toen verweerder het bezwaar tegen de brieven had ontvangen. Op basis hiervan constateert de rechtbank dat de beslechting van het geschil tussen eiseres en verweerder bijna vijf jaren heeft geduurd. De redelijke termijn is dus met bijna twee jaren overschreden. Dit komt neer op vier tijdvakken van zes maanden, waarbij elk tijdvak van zes maanden recht geeft op een schadevergoeding van

€ 500. Eiseres maakt dus aanspraak op een vergoeding van in totaal € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Verweerder heeft meer dan één jaar gebruikt voor het beslissen op het bezwaar tegen de brieven. Daarom zal de rechtbank een bedrag van € 500 voor rekening van verweerder brengen. Dit betekent dat een bedrag van € 1.500 voor rekening van de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) komt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen de brieven niet-ontvankelijk

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit

  • -

    gelast dat verweerder het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht, groot € 167, vergoedt aan eiseres;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten die eiseres tijdens de beroepsprocedure heeft gemaakt, tot een bedrag van € 1.002;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten die de derde-partij tijdens de beroepsprocedure heeft gemaakt, tot een bedrag van € 250,50;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van schade, tot een bedrag van € 500, aan eiseres, wegens de overschrijden van de redelijke termijn voor het beslissen op bezwaar tegen de brieven;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van schade, tot een bedrag van € 1.500, aan eiseres, wegens de overschrijden van de redelijke termijn voor het beslissen op het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Koenraad, voorzitter, mr. W.P.C.G. Derksen en

mr. R.J. Jue, rechters, in tegenwoordigheid van R. Visscher, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

De griffier is niet in staat om de uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 1:3

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

4. (…).

Artikel 7:4

1. (…).

2. Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage.

3. (…).

4. (…).

5. (…).

6. (…).

7. (…).

8. (…).

Artikel 8:42

1. Binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en kan het een verweerschrift indienen. Indien de bestuursrechter om een verweerschrift heeft verzocht, dient het bestuursorgaan binnen vier weken een verweerschrift in.

2. (…).

Wet openbaarheid van bestuur

Artikel 3

1. Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2. (…).

3. (…).

4. (…).

5. (…).