Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3763

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
31-08-2018
Datum publicatie
03-09-2018
Zaaknummer
AWB - 15_ 891; 18_ 4357
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Samenvatting

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verplicht artikel 7:11, eerste lid, van de Awb het bestuursorgaan het resultaat van de heroverweging van een besluit neer te leggen in één beslissing op bezwaar, ook als tegen het te heroverwegen besluit twee of meer (ontvankelijke) bezwaren zijn gemaakt, aangezien over het lot van het te heroverwegen besluit na heroverweging ervan geen enkele onduidelijkheid mag blijven bestaan.

De rechtbank constateert dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb, door de beslissing op de bezwaren van derde-partij en eiseres niet in één besluit neer te leggen.

In het verlengde hiervan constateert de rechtbank dat derde-partij en eiseres niet in elkaars aanwezigheid zijn gehoord. Dit is in strijd met artikel 7:6, eerste lid, van de Awb. Van een uitzondering op deze regel, zoals verwoord in het tweede lid van dat artikel, is de rechtbank niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/891 en AWB 18/4357

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiseres] (hierna: [eiseres] ), te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. H.C. van Drunen),

[derde-partij] , thans ‘ [derde-partij] ’ (hierna: [derde-partij] ), te [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. R.J.J.M. Metsemakers),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, thans de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, verweerder.

[derde-partij] heeft als derde-partij heeft aan het geding met zaaknummer 15/891.

Procesverloop

Op 12 juli 2012 heeft [eiseres] aan verweerder gevraagd om een aantal documenten van en inzake [derde-partij] openbaar te maken (hierna: het Wob-verzoek).

Bij besluit van 23 juli 2013 heeft verweerder op het Wob-verzoek beslist (hierna: beslissing op het Wob-verzoek).

Op 6 augustus 2013 heeft [derde-partij] bezwaar gemaakt.

Op 30 augustus 2013 heeft [eiseres] bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 september 2014 heeft verweerder beslist op het bezwaar van [derde-partij] (hierna: beslissing op bezwaar 1).

Bij besluit van 12 januari 2015 heeft verweerder beslist op het bezwaar van [eiseres] (hierna: beslissing op bezwaar 2).

Op 12 februari 2015 heeft [eiseres] beroep ingesteld tegen beslissing op bezwaar 2. De rechtbank heeft het beroep van [eiseres] geregistreerd onder zaaknummer 15/891.

Op 19 juni 2015 heeft [derde-partij] te kennen gegeven dat zij als partij wil deelnemen aan de beroepsprocedure.

Bij besluit van 9 juli 2015 heeft verweerder voor de tweede keer beslist op het bezwaar van [eiseres] (hierna: beslissing op bezwaar 3)

Op 10 augustus 2015 heeft [derde-partij] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 22 september 2015 heeft verweerder voor de derde keer beslist op het bezwaar van [eiseres] (hierna: beslissing op bezwaar 4).

Op 6 april 2016 heeft [derde-partij] een nadere schriftelijke uiteenzetting gegeven. Op 31 mei 2016 heeft zij die uiteenzetting aangevuld.

De rechtbank heeft het beroep van [eiseres] en, naar nu blijkt, het beroep van [derde-partij] gezamenlijk behandeld tijdens de zitting van 8 augustus 2018. Daarbij waren de gemachtigden van [eiseres] en [derde-partij] aanwezig. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. De wetsartikelen waarnaar in deze uitspraak wordt verwezen, zijn opgenomen in de bijlage die aan deze uitspraak is gehecht.

2. Bij de beslissing op het Wob-verzoek heeft verweerder het Wob-verzoek van [eiseres] gedeeltelijk ingewilligd. Een aantal documenten van en inzake [derde-partij] is gedeeltelijk openbaar gemaakt.

Zowel [derde-partij] als [eiseres] hebben bezwaar tegen de beslissing op het Wob-verzoek gemaakt. Verweerder heeft deze bezwaren afzonderlijk afgehandeld. Deze handelwijze heeft geleid tot beslissing op bezwaar 1, gericht aan [derde-partij] , en tot beslissing op bezwaar 2, gericht aan [eiseres] .

Beslissing op bezwaar 1 is aan [derde-partij] bekendgemaakt maar niet aan [eiseres] meegedeeld.

Beslissing op bezwaar 2 is aan [eiseres] bekendgemaakt maar niet aan [derde-partij] meegedeeld.

[eiseres] en [derde-partij] zijn pas in de loop van deze procedure op de hoogte geraakt van het feit dat verweerder afzonderlijk op hun bezwaren heeft beslist. [eiseres] had aanvankelijk geen kennis van beslissing op bezwaar 1, en [derde-partij] had aanvankelijk geen kennis van beslissing op bezwaar 2.

Bij beslissing op bezwaar 3 is beslissing op bezwaar 2 gewijzigd. Beslissing op bezwaar 3 is aan [eiseres] bekendgemaakt maar niet aan [derde-partij] meegedeeld.

Beslissing op bezwaar 4 behelst het herstel van een bevoegdheidsgebrek in beslissing op bezwaar 3. Beslissing op bezwaar 4 is aan [eiseres] bekendgemaakt maar niet aan [derde-partij] meegedeeld.

3. Waarschijnlijk behelst beslissing op bezwaar 1 een wijziging van de beslissing op het Wob-verzoek, ten nadele van [eiseres] . Daarom kan [eiseres] zich niet verenigen met beslissing op bezwaar 1.

Beslissing op bezwaar 1 en beslissing op bezwaar 2 hangen onlosmakelijk met elkaar samen. Beide beslissingen op bezwaar hebben hetzelfde onderwerp: de beslissing op het Wob-verzoek. Daarom merkt de rechtbank het beroepschrift van [eiseres] tegen de beslissing op bezwaar 2 tevens aan als een beroepschrift tegen beslissing op bezwaar 1.

4. Beslissing op bezwaar 3 en beslissing op bezwaar 4 behelzen een wijziging van beslissing op bezwaar 2. Zij komen echter niet (geheel) tegemoet aan de wensen van [eiseres] . Daarom heeft het beroep van [eiseres] mede betrekking op deze beslissingen op bezwaar. Dit vloeit voort uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

5. De rechtbank constateert dat [derde-partij] zich evenmin kan verenigen met beslissing op bezwaar 3. Daarom merkt de rechtbank de nadere schriftelijke uiteenzetting van [derde-partij] d.d. 6 april 2016, zoals aangevuld op 31 mei 2016, tevens aan als een beroepschrift dat is gericht tegen beslissing op bezwaar 3. De brief van 6 april 2016, zoals aangevuld op 31 mei 2016, voldoet namelijk aan alle eisen die artikel 6:5, eerste lid, van de Awb stelt om een brief als beroepschrift aan te merken. De rechtbank heeft het beroep van [derde-partij] geregistreerd onder zaaknummer 18/4357.

Het beroep van [derde-partij] is ook tijdig ingediend. [derde-partij] raakte namelijk pas op de hoogte van beslissing op bezwaar 3 nadat de rechtbank een afschrift van deze beslissing op 29 maart 2016 aan [derde-partij] had verzonden. Binnen twee weken, te weten op 6 april 2016, heeft [derde-partij] aangegeven zich niet met beslissing op bezwaar 3 te kunnen verenigen.

Beslissing op bezwaar 3 is vervolgens aangepast bij beslissing op bezwaar 4. Nu beslissing op bezwaar 4 pas na het instellen van het beroep tegen beslissing op bezwaar 3 aan [derde-partij] bekend is geworden – namelijk dankzij een mededeling door [eiseres] tijdens de zitting – is de rechtbank van oordeel dat het beroep van [derde-partij] mede betrekking heeft op beslissing op bezwaar 4.

In het verlengde hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder beslissing op bezwaar 4 ten onrechte – want in strijd met het bepaalde in artikel 6:19, derde lid, van de Awb – niet aan de rechtbank heeft gezonden.

6. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verplicht artikel 7:11, eerste lid, van de Awb het bestuursorgaan het resultaat van de heroverweging van een besluit neer te leggen in één beslissing op bezwaar, ook als tegen het te heroverwegen besluit twee of meer (ontvankelijke) bezwaren zijn gemaakt, aangezien over het lot van het te heroverwegen besluit na heroverweging ervan geen enkele onduidelijkheid mag blijven bestaan.

De rechtbank constateert dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb, door de beslissing op de bezwaren van [derde-partij] en [eiseres] niet in één besluit neer te leggen.

In het verlengde hiervan constateert de rechtbank dat [derde-partij] en [eiseres] niet in elkaars aanwezigheid zijn gehoord. Dit is in strijd met artikel 7:6, eerste lid, van de Awb. Van een uitzondering op deze regel, zoals verwoord in het tweede lid van dat artikel, is de rechtbank niet gebleken. Zowel [derde-partij] als [eiseres] verklaarden tijdens de zitting geen problemen te hebben met het horen in elkaars aanwezigheid.

7. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zojuist geconstateerde gebreken – met toepassing van artikel 6:22 van de Awb – te passeren. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om verweerder – met behulp van de zogeheten ‘bestuurlijke lus’ als bedoeld in artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb – nog tijdens deze beroepsprocedure de gelegenheid tot herstel van de gebreken te bieden. Daarvoor zijn de gebreken te verstrekkend.

Daarom zal de rechtbank beide beroepen gegrond verklaren en de vier beslissingen op bezwaar vernietigen.

8. Dit heeft tot gevolg dat de verweerder wederom op de bezwaren van [derde-partij] en [eiseres] zal moeten beslissen. Daarvoor geeft de rechtbank verweerder de volgende aanwijzingen. Verweerder moet [eiseres] en [derde-partij] in elkaars aanwezigheid horen en vervolgens de beslissing op de bezwaren neerleggen in één besluit waartegen belanghebbenden beroep kunnen instellen. Dit besluit dient duidelijk te maken a. welke documenten geheel of gedeeltelijk openbaar zijn; b. welke passages zijn weggelakt; en c. om welke reden – als bedoeld in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur – documenten en passages niet openbaar zijn.

Verweerder krijgt twaalf weken voor het nemen van een nieuwe beslissing op de bezwaren, te rekenen vanaf de datum waarop deze uitspraak aan partijen zal worden verzonden. In dit kader vertrouwt de rechtbank erop dat [eiseres] en [derde-partij] binnen zeer afzienbare termijn aan verweerder specifiek duidelijk maken op welke documenten en passages hun gronden thans betrekking hebben.

9. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan [eiseres] en [derde-partij] de door hun betaalde griffierechten vergoedt.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door [eiseres] en [derde-partij] als eisende partijen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 501 en de wegingsfactor 1).

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door [derde-partij] als derde-partij gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 250,50 (0,5 punt voor het indienen van de schriftelijke uiteenzetting van 10 augustus 2015, met een waarde per punt van € 501 en de wegingsfactor 1).

11. [eiseres] heeft gevraagd om vergoeding van (immateriële) schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor het beslechten van het geschil tussen haar en verweerder.

12. De rechtbank oordeelt als volgt. De redelijke termijn bedraagt in dit geval maximaal drie jaren, met dien verstande dat verweerder maximaal één jaar mag gebruiken voor het beslissen op het bezwaar van [eiseres] , en de rechtbank maximaal twee jaren voor het beslissen op het beroep van [eiseres] . Hierbij neemt de rechtbank – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188) – in aanmerking dat de beslissing op het verzoek vóór 1 februari 2014 is genomen en bekendgemaakt.

De redelijke termijn is begonnen op 31 augustus 2013, toen verweerder het bezwaar van [eiseres] had ontvangen. Op basis hiervan constateert de rechtbank dat de beslechting van het geschil tussen [eiseres] en verweerder bijna vijf jaren heeft geduurd. De redelijke termijn is dus met bijna twee jaren overschreden. Dit komt neer op vier tijdvakken van zes maanden, waarbij elk tijdvak van zes maanden recht geeft op een schadevergoeding van € 500. [eiseres] maakt dus aanspraak op een vergoeding van in totaal € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

12. Verweerder heeft meer dan één jaar gebruikt voor het beslissen op het bezwaar van [eiseres] . Daarom zal de rechtbank een bedrag van € 500 voor rekening van verweerder brengen. Daarmee komt een bedrag van € 1.500 voor rekening van de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen van [eiseres] en [derde-partij] gegrond;

- vernietigt de vier beslissingen op bezwaar;

- draagt verweerder op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak wederom te beslissen op de bezwaren van [derde-partij] en [eiseres] en aan hen bekend te maken, met inachtneming van de aanwijzingen die de rechtbank aan verweerder heeft gegeven;

- gelast dat verweerder de voor het beroep met zaaknummer 15/891 betaalde griffierecht, groot € 167, vergoedt aan [eiseres] ;

- gelast dat verweerder de voor het beroep met zaaknummer 18/4357 betaalde griffierecht, groot € 338, vergoedt aan [derde-partij] ;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten die [eiseres] tijdens de beroepsprocedure heeft gemaakt, tot een bedrag van € 1.002;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten die [derde-partij] tijdens de beroepsprocedure heeft gemaakt, tot een bedrag van (1.002 + 250,50 =) € 1.252,50;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van schade, tot een bedrag van € 500, aan [eiseres] , wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor het beslissen op bezwaar van 30 augustus 2013;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van schade, tot een bedrag van € 1.500, aan [eiseres] , wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor het beslissen op het beroep van [eiseres] .

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Koenraad, voorzitter, en mr. W.P.C.G Derksen en mr. R.J. Jue, rechters, in tegenwoordigheid van R. Visscher, griffier.

griffier voorzitter

De griffier is niet in staat om de uitspraak mede te ondertekenen.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 6:5

1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;

d. de gronden van het bezwaar of beroep.

2. (…).

3. (…).

Bij het beroepschrift wordt zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, overgelegd.

Indien het bezwaar- of beroepschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van het bezwaar of beroep noodzakelijk is, dient de indiener zorg te dragen voor een vertaling.

Artikel 6:19

1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

2. (…).

3. Het bestuursorgaan stelt het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.

4. (…).

5. (…).

6. (…).

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Artikel 7:6

1. Belanghebbenden worden in elkaars aanwezigheid gehoord.

Ambtshalve of op verzoek kunnen belanghebbenden afzonderlijk worden gehoord, indien aannemelijk is dat gezamenlijk horen een zorgvuldige behandeling zal belemmeren of dat tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan geheimhouding om gewichtige redenen is geboden.

3. (…).

4. (…).

Artikel 7:11

1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

2. (…).

Artikel 8:51a

1. De bestuursrechter kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.

2. (…).

Wet openbaarheid van bestuur

Artikel 10

1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:

a. (…);

b. (…);

c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;

d. (…).

2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. (…);

b. (…);

c. (…);

d. (…);

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

f. (…);

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

3. (…).

4. (…).

5. (…).

6. (…).

7. (…).

8. (…).