Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3721

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
29-08-2018
Zaaknummer
05/841177-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Maximale werkstraf, voorwaardelijke gevangenisstraf en rijontzegging voor inrijden op persoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/841177-16

Datum uitspraak : 29 augustus 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

raadsman: mr. J.F. Schouwenaar, advocaat te Velp.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 augustus 2018.

1. De inhoud van de tenlastelegging 1

Aan verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging zware mishandeling dan wel mishandeling van [slachtoffer] door op hem af-/toe-/in te rijden, waardoor [slachtoffer] op de voorruit/voorkant van de auto terecht is gekomen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 1 mei 2016 is verdachte op de [straatnaam] in Doesburg met zijn auto op aangever [slachtoffer] af- en ingereden. Om de auto te ontwijken is [slachtoffer] de lucht in gesprongen.

Hij is vervolgens op de voorkant/voorruit van de auto beland.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging zware mishandeling.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] niet heeft willen aanrijden (en daarmee verwonden). Verder heeft hij verklaard dat de afstand te kort is geweest om hem te ontwijken.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft erkend dat hij op [slachtoffer] is af- en ingereden. De vervolgvraag is of daarmee ook het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan worden bewezen.

[slachtoffer] heeft hierover verklaard dat de auto optrok en recht op hem af – naar voren – reed. De auto kon hem – gezien de ruimte – passeren, maar deed dit niet. Aangever had geen tijd meer om opzij te springen en sprong daarom recht de lucht in. Hij klapte vervolgens tegen de voorruit en liep daardoor onder meer snijwonden in zijn rechter arm, schouder en rug op.4

De getuige [getuige] verklaart dat zij zag dat de auto snel optrok en zonder te remmen op [slachtoffer] (rechtbank: [slachtoffer]) in reed. [slachtoffer] kon de auto niet meer ontwijken. Als [slachtoffer] niet was opgesprongen, was hij onder de auto terecht gekomen, aldus de getuige. De getuige verklaart tot slot dat de voorruit van de auto helemaal was gebroken.5

Deze laatste omstandigheid vindt steun in het technisch onderzoek naar de auto van verdachte, waarbij – naast een deuk in de dakrand – een beschadigde en ingedrukte voorruit werd geconstateerd. Er was geen schade aan de voorzijde van de auto.6 Naar het oordeel van de rechtbank duidt zowel de schade aan de auto, die past bij een aanrijding waarbij een persoon omhoog is gesprongen,7 als het letsel van aangever op een forse klap van [slachtoffer] – met enige snelheid – tegen de auto.

Verdachte heeft zelf verklaard dat hij weg wilde. Hij reed eerst achteruit, reed daarna vooruit, gaf gas en zag [slachtoffer] toen voor hem staan. Verdachte reed door en remde niet. Vervolgens belandde [slachtoffer] op de voorruit van zijn auto.8

Gelet op al dit voorgaande en in het bijzonder de omstandigheid dat verdachte met enige snelheid op [slachtoffer] is afgereden en na het zien van [slachtoffer] met onverminderde snelheid – zonder te remmen – is blijven doorrijden, is de rechtbank van oordeel dat verdachte tenminste een aanmerkelijke kans op het rijden tegen [slachtoffer] dan wel over [slachtoffer] – en daarmee op zwaar lichamelijk letsel – in het leven heeft geroepen en heeft aanvaard. Zij acht de poging zware mishandeling (primair) bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 1 mei 2016 te Doesburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met voormeld opzet, met/in een door hem, verdachte, bestuurde auto op die [slachtoffer] is af-/toe-/ingereden, (waarbij die [slachtoffer] op (de voorkant/voorruit van) die auto terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van primair:

Poging tot zware mishandeling.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Verder is een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden gevorderd.

Hiertoe is aangevoerd dat het gaat om een ernstig feit dat grote gevolgen voor het slachtoffer heeft gehad. Verder is verdachte na het feit doorgereden en heeft hij het slachtoffer zonder hulp achtergelaten. Tot slot zijn de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals beschreven in het reclasseringsrapport, meegewogen en is rekening gehouden met het tijdsverloop.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht aan verdachte een werkstraf op te leggen. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte door de behandeling meer inzicht in zijn problematiek heeft gekregen en zijn leven hier ook beter op heeft aangepast. Verder is gewezen op het reclasseringsadvies waaruit geen contra-indicaties voor oplegging van een werkstraf volgen en het tijdsverloop dat niet aan de verdediging is te wijten. Voor wat betreft de ontzegging van de rijbevoegdheid heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft verklaard dat hij denkt dat hij door de situatie overprikkeld is geweest en daardoor fout, onnadenkend, heeft gehandeld. Het gaat inmiddels – na een langdurige behandeling – beter met hem.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard. De rechtbank heeft ook gelet op de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 25 juni 2018;

- een voorlichtingsrapportage van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gedateerd 26 juli 2018.

Verdachte heeft zich, door op [slachtoffer] in te rijden en niet te remmen, schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Door het oplettend handelen van [slachtoffer] , het omhoog springen op de auto, is erger voorkomen.

Als gevolg van de klap tegen de voorruit is [slachtoffer] echter wel gewond geraakt. Naast de snijwonden is later gebleken dat hij ook nekhernia heeft opgelopen. De klachten van deze hernia hebben [slachtoffer] zowel in de uitoefening van zijn werk als zijn hobby’s beperkt. Verder heeft het incident ook psychisch veel impact op hem gehad, zoals onder meer ook uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring volgt.

De rechtbank weegt mee dat het gaat om een ouder feit. De redelijke termijn is naar het oordeel van de rechtbank op 1 mei 2016 gaan lopen. Op die datum heeft de aanrijding plaatsgevonden en heeft verdachte zich als bestuurder bij de politie gemeld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak binnen twee jaar met een eindvonnis dient te zijn afgerond. Er kan hierop in geval

van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak en de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop uitzondering worden gemaakt. In dit geval is geen sprake van een bijzondere omstandigheid die het lange tijdverloop rechtvaardigt. De rechtbank is dan van oordeel dat sprake is van een schending van de redelijke termijn. Zij zal dit tot uitdrukking brengen in de straf.

Verdachte is in de afgelopen jaren meermalen voor geweldsdelicten veroordeeld. De delictsgeschiedenis van verdachte kenmerkt zich, aldus de reclassering, met agressie gerelateerde delicten. Verdachte heeft bij dit feit in mei 2016 zijn auto ingezet als wapen.

Uit het reclasseringsrapport volgt echter, naast dit patroon, ook dat bij verdachte inmiddels de diagnose PDD-nos is gesteld. Verdachte heeft hiervoor inmiddels een behandeling gevolgd die maakt dat hij zijn eerdere (agressieve) gedrag beter kan verklaren en begrijpen. Verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij vermoedt dat het feit een gevolg is geweest van het niet kunnen omgaan met de overvloed aan prikkels.

Verdachte heeft, ook tegenover de reclassering, verklaard baat te hebben gehad bij de behandeling. De behandeling heeft geleid tot meer zelfinzicht. Verdachte weet nu dat hij rust en regelmaat moet hanteren en voorzichtig moet zijn met allerlei externe prikkels. Hij heeft hier zijn leven inmiddels (met ook medicatie) op aangepast. Gelet op deze positieve ontwikkelingen na het feit – die de kans op herhaling ook hebben verkleind – en het ontbreken van verdere noemenswaardige problemen voordoen, adviseert de reclassering ook geen verder (verplicht) hulpverleningskader.

Op grond van al dit voorgaande en in het bijzonder gelet op de schending van de redelijke termijn, de positieve invloed van de behandeling en de omstandigheid dat er zich geen nieuwe feiten meer hebben voorgedaan, zal de rechtbank niet tot oplegging van een onvoorwaardelijk gevangenisstraf overgaan. Zij zal aan verdachte de maximale werkstraf van 240 uren, omgerekend gelijk aan vier maanden gevangenisstraf, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden (met een proeftijd van twee jaren) als stok achter de deur opleggen. Tot slot ziet de rechtbank met de officier van justitie aanleiding om aan verdachte – nu het feit rijdend in de auto is gepleegd – ook een rijontzegging voor de duur van twaalf maanden op te leggen.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.318,56 vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat een bedrag van € 1.818,56 (€ 818,56 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade) vermeerderd met de wettelijke rente kan worden toegewezen. Verder is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de hoogte van het gevorderde smartengeld te matigen tot een bedrag van € 1000,00 en de benadeelde partij voor wat betreft het verder gevorderde smartengeld niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.

Beoordeling door de rechtbank

Voor wat betreft de gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank dat deze niet is betwist. Deze schade (€ 818,56) komt voor toewijzing in aanmerking.

Met betrekking tot het smartengeld overweegt de rechtbank dat een bedrag van € 2.500,00 is gevorderd. Naast zoals overwogen onder meer de snijwonden en de nekhernia met diverse beperkingen in zijn werk en dagelijks leven tot gevolg, heeft het feit ook psychisch veel impact op de benadeelde gehad. Als gevolg van de littekens op zijn arm, rug en been wordt hij ook nog dagelijks aan het incident herinnerd.

De benadeelde heeft na het feit veel last van nachtmerries en een slechte nachtrust gehad. Dit heeft vervolgens geleid tot prikkelbaarheid en concentratieproblemen op school, werk en stage. Dit is ook van invloed geweest op zijn presentaties. Verder is de benadeelde angstig geworden, zowel in het verkeer als daarbuiten in bijvoorbeeld drukke situaties. De benadeelde is voor zijn klachten doorverwezen en inmiddels heeft hij na de diagnose PTSS onder meer EMDR-therapie gehad. Gelet op al dit voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat het feit zowel fysiek als geestelijk veel impact op de benadeelde heeft gehad.

Op grond van al het voorgaande en het smartengeld dat in vergelijkbare zaken wordt toegekend, zal de rechtbank het smartengeld in deze zaak naar billijkheid op een bedrag van € 1.500,00 begroten.

Concluderend is daarmee naar het oordeel van de rechtbank, op grond van de bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen tot een bedrag van € 2.318,56 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan de vordering voor het overige nog aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen. De gevorderde wettelijke rente is voor wat betreft het smartengeld toewijsbaar vanaf 1 mei 2016. Voor de ingangsdatum van de materiële schade komt de rechtbank na middeling van de schadedata op 1 juli 2016 als ingangsdatum van de wettelijke rente.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

  • -

    bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

o dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

En veroordeelt verdachte verder tot:

 een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

En tot slot:

 ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 2.318,56 (tweeduizenddriehonderdachttien euro en zesenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2016 voor het bedrag van € 1.500,00 (duizendvijfhonderd euro) en vanaf 1 juli 2016 voor een bedrag € 818,56 (achthonderdachttien euro en zesenvijftig eurocent) tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 2.318,56 (tweeduizenddriehonderdachttien euro en zesenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2016 voor het bedrag van € 1.500,00 (duizendvijfhonderd euro) en vanaf 1 juli 2016 voor een bedrag € 818,56 (achthonderdachttien euro en zesenvijftig eurocent) tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 33 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Linschoten (voorzitter), mr. J.M. Klep en mr.

J.J.H. van Laethem, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.T.P.J. Damen en A.B. Elbersen, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 augustus 2018.

BIJLAGE

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 1 mei 2016 te Doesburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met voormeld opzet, met/in een door hem, verdachte, bestuurde auto op die [slachtoffer] is af-/toe-/ingereden, (waarbij die [slachtoffer] op (de voorkant/voorruit van) die auto terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 1 mei 2016 te Doesburg [slachtoffer] heeft mishandeld door met/in een door hem, verdachte, bestuurde auto, op die [slachtoffer] af/toe/in te rijden (waarbij die [slachtoffer] op de voorkant/voorruit van die auto terecht is gekomen).

1 De volledige tenlastelegging is in de bijlage te vinden.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer [nummer] gesloten op 11 december 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 Het proces-verbaal van aangifte, p. 3-4 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 15 augustus 2018.

4 Het proces-verbaal van aangifte, p. 4.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 16.

6 Het proces-verbaal van technisch onderzoek, p. 24 t/m 26.

7 Het proces-verbaal van technisch onderzoek, p. 30.

8 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 augustus 2018.