Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3714

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
24-09-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6429
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag BPM gebaseerd op een CO2-uitstoot van 360 gram per kilometer. Voor een geslaagd beroep op artikel 110 VWEU is, gelet op de door verweerder onderbouwde stelling dat de op de Nederlandse markt zich bevindende referentieauto’s zijn belast op basis van een CO2-uitstoot van tenminste 360 gram per kilometer, onvoldoende te stellen dat de theoretische kans bestaat dat er referentieauto’s zijn geweest met een lagere CO2-uitstoot dan 360 gram per kilometer. Daarnaast geen onverbindendheid van de afschrijvingstabel, omdat deze mede tot stand is gekomen aan de hand van de waarden van btw-auto’s in plaats van enkel marge-auto’s. Eiseres kon namelijk kiezen de auto af te schrijven naar de werkelijke waarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-09-2018
V-N Vandaag 2018/2009
NTFR 2018/2365 met annotatie van Mr. M.W.C. Soltysik
V-N 2018/57.2.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 17/6429

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 28 augustus 2018

in de zaak tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 18 juli 2016 aangifte gedaan voor belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) ter zake van een auto van het merk Ferrari, type [A] . Op aangifte heeft eiseres een bedrag van € 23.439 aan BPM voldaan.

Verweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 1.671. Tevens is bij beschikking € 41 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 november 2017 de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 21 november 2017, ontvangen door de rechtbank op 23 november 2017, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018.

Namens eiseres zijn haar gemachtigde en mr. [B] verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde] .

Ter zitting heeft eiseres een nader stuk ingebracht. De rechtbank heeft daarop het onderzoek geschorst. Verweerder is in de gelegenheid gesteld te reageren op dit nadere stuk, waarna eiseres in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren. Op 9 juli 2018 heeft de rechtbank met instemming van partijen het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 18 juli 2016 aangifte voor de BPM gedaan in verband met de registratie in het kentekenregister van een personenauto van het merk Ferrari, type [A] (hierna: de auto). De auto bezit een benzinemotor. De eerste datum van toelating van de auto was [2011] en de kilometerstand op het moment van registratie was 10.385.

2. Voor de berekening van de verschuldigde BPM is eiseres uitgegaan van een CO2-uitstoot van 350 gram per kilometer. De in de aangifte berekende vermindering van BPM heeft eiseres gebaseerd op de forfaitaire afschrijvingstabel van artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling).

3. Verweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag BPM opgelegd die is gebaseerd op een CO2-uitstoot van 360 gram per kilometer.

Geschil

4. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of ten tijde van de aangifte zich op de Nederlandse markt referentieauto’s bevonden die lager waren belast. Ook is in geschil of de afschrijvingstabel verbindend is. Niet in geschil is dat de auto een CO2-uitstoot heeft van 360 gram per kilometer.

Beoordeling van het geschil

5. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) wordt de BPM voor een personenauto bepaald aan de hand van de in dat lid opgenomen tabel. Uit die tabel volgt dat de belastingdruk voor personenauto’s stijgt indien de CO2-uitstoot toeneemt.

6. Bij de berekening van BPM is het historische tarief uit 2014 toegepast. In artikel 9, elfde lid, van de Wet BPM (tekst 2014) is bepaald dat indien de CO2-uitstoot van een personenauto niet op een bij ministeriële regeling voorgeschreven wijze is aangetoond, deze voor benzinemotors wordt gesteld op 350 gram per kilometer. De bedoelde voorgeschreven wijze is opgenomen in artikel 6a van de Uitvoeringsregeling.

7. Op grond van artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) mag op een later ingevoerd product geen hogere belasting drukken dan op een vergelijkbaar, zich reeds op de Nederlandse markt bevindend product.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat zich op de Nederlandse markt geen referentieauto’s bevinden die zijn belast op basis van een lagere CO2-uitstoot dan 360. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft verweerder een lijst overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat alle zich op de Nederlandse markt bevindende referentieauto’s zijn belast op basis van een CO2-uitstoot van tenminste 360 gram per kilometer. Uit deze lijst blijkt ook dat de hierna door eiseres te noemen drie referentieauto’s belast zijn op basis van een CO2-uitstoot van tenminste 360 gram per kilometer.

9. Eiseres stelt dat de CO2-uitstoot van de auto gemaximeerd dient te worden op 350 gram per kilometer, omdat dit ook het geval zou zijn geweest, indien het gegeven van de uitstoot van de auto van 360 gram per kilometer niet bekend zou zijn geweest, bijvoorbeeld omdat geen certificaat van overeenstemming (CVO) aanwezig was of de auto zonder kentekenbewijs was ingevoerd. Omdat in die situaties op grond van artikel 9, elfde lid, van de Wet BPM (tekst 2014) de CO2-uitstoot op 350 gram per kilometer wordt gesteld, is het theoretisch mogelijk dat zich op de Nederlandse markt referentieauto’s bevinden of hebben bevonden met een lagere belastingdruk dan de auto van eiseres. Dit is in strijd met artikel 110 VWEU. Ter bekrachtiging van haar standpunt heeft eiseres een lijst overgelegd met drie referentieauto’s, waarvan de CO2-uitstoot niet is geregistreerd. Dat uit de door verweerder overgelegde lijst het tegendeel blijkt leidt volgens eiseres, gelet op de theoretische mogelijkheid dat er op de Nederlandse markt referentieauto’s zijn met een lagere belastingdruk, niet tot een andere conclusie.

10. De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres heeft de auto ingevoerd in juli 2016. Op dat moment is de belasting geheven en dus dient de auto voor de toepassing van artikel 110 van het VWEU te worden vergeleken met auto’s die zich op dat moment op de Nederlandse markt bevonden. Eiseres stelt zich daarbij – kort gezegd – op het standpunt dat het theoretisch niet ondenkbaar is dat er zich ten tijde van de invoer op de Nederlandse markt een referentieauto bevond met een lagere CO2-uitstoot. Daarmee heeft verweerder volgens eiseres niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast zodat de aanslag dient te worden vernietigd. Deze gedachtegang kan niet als juist worden aanvaard. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank met overlegging van de lijst zijn stelling, dat ten tijde van de invoer van de auto de op de Nederlandse markt zich bevindende referentieauto’s zijn belast op basis van een CO2-uitstoot van tenminste 360 gram per kilometer, voldoende gemotiveerd. In zoverre is dit geval anders dan de situatie als bedoeld in de uitspraak van Gerechtshof
’s-Hertogenbosch van 7 januari 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:15). Het ligt dan vervolgens op de weg van eiseres, teneinde aan haar stelplicht te (blijven) voldoen, om deze stelling gemotiveerd te betwisten. Niet voldoende is dan aan te voeren dat er in theorie een kans bestaat dat er zich ten tijde van de invoer van de auto op de Nederlandse markt een referentieauto bevond met een lagere CO2-uitstoot. Deze beroepsgrond van eiseres faalt derhalve.

Verbindendheid afschrijvingstabel

11. Op grond van artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet BPM wordt met betrekking tot gebruikte personenauto’s het bedrag aan belasting verminderd met de afschrijving op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen. In afwijking van het tweede lid wordt ingevolge het zesde lid de vermindering vastgesteld aan de hand van een forfaitaire afschrijvingstabel, mits daartoe een verzoek bij aangifte wordt gedaan. De forfaitaire afschrijvingstabel is opgenomen in artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling. Eiseres heeft voor de berekening van de verschuldigde BPM gebruik gemaakt van de forfaitaire afschrijvingstabel.

12. Volgens eiseres zijn de afschrijvingen in de forfaitaire afschrijvingstabel te laag en is hierdoor de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag vastgesteld. De onjuistheid bestaat er volgens eiseres in dat de tabel mede tot stand is gekomen aan de hand van waarden van auto’s die van ondernemers afkomstig zijn en omzetbelasting in zich dragen (“btw-auto’s”) in plaats van enkel uit de waarden van auto’s die van particulieren afkomstig zijn en verborgen omzetbelasting in zich dragen waarover bij verkoop door een ondernemer opnieuw omzetbelasting moet worden berekend (“marge-auto’s”). Gelet op deze onjuistheid is volgens eiseres de tabel onverbindend en dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd.

13. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar stelling dat de forfaitaire afschrijvingstabel is vervuild door BTW-auto’s niet cijfermatig heeft onderbouwd. Indien niettemin veronderstellenderwijs eiseres wordt gevolgd in haar stelling en ervan wordt uitgegaan dat BTW-auto’s leiden tot vervuiling van de forfaitaire afschrijvingstabellen dan nog leidt dit niet tot het door haar betoogde rechtsgevolg. Immers, het staat eiseres vrij om in plaats van aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel aangifte te doen te doen op basis van afschrijving naar werkelijke waarde. Reeds hierom faalt deze beroepsgrond.

14. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

15. Nu eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft aangevoerd, dient ook het beroep inzake de beschikking belastingrente ongegrond te worden verklaard.

16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in tegenwoordigheid van S. Lensink MSc, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 28 augustus 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.