Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3711

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
C/05/325931 / FA RK 17-2871
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Eén van partijen heeft een klacht ingediend over uitlatingen die de door de rechtbank benoemde bijzondere curator ex art. 1:250 BW heeft gedaan. Noch de wet noch de diverse Procesreglementen Familie- en Jeugdzaken bevatten een klachtenregeling bevatten voor dit soort klachten. Bij gebrek aan een dergelijke regeling, is de rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om kennis te nemen van de klacht en deze inhoudelijk te toetsen.

Bij de beoordeling van de klacht worden het “Werkproces benoeming bijzondere curator o.g.v. art. 1:250 BW” en de “Leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW” betrokken. In het rapport moet op inzichtelijke en consistente wijze worden uiteengezet op welke feiten, omstandigheden en bevindingen de conclusies van de bijzondere curator zijn gebaseerd. Deze feiten, omstandigheden en bevindingen moeten de getrokken conclusies kunnen rechtvaardigen.

De rechtbank verklaart de klacht ongegrond.

Met het advies van de bijzondere curator is de rechtbank onvoldoende geïnformeerd om te komen tot een beslissing. De Raad voor de Kinderbescherming wordt verzocht te rapporteren en adviseren omtrent de (on)mogelijkheden voor contactherstel tussen het kind en de moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0258
NJF 2019/119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/325931 / FA RK 17-2871

Datum uitspraak: 3 juli 2018

beschikking omgangsregeling

in de zaak van

[verzoekster] (nader te noemen: de moeder),

[woonplaats] ,

advocaat mr. B. Anik te Arnhem,

tegen

[verweerder] (nader te noemen: de vader),

[woonplaats]

advocaat mr. S. Scheimann te Rotterdam.

Het verdere verloop van de procedure

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank van 4 december 2017;

- het e-mailbericht van de vader van 25 januari 2018;

- het bericht, met bijlage, van mr. Scheimann van 5 februari 2018;

- de brief van de bijzondere curator van 27 februari 2018, met als bijlage het advies en rapport van 27 februari 2018;

- het bericht, met bijlage, van mr. Scheimann van 28 februari 2018;

- het bericht, met bijlage, van mr. Scheimann van 12 maart 2018;

- het bericht van mr. Anik van 23 maart 2018.

Ter zitting van 12 juni 2018 zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. B. Anik;

- de vader, bijgestaan door mr. S. Scheimann;

- de bijzondere curator [naam] ;

- een zittingsvertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (nader te noemen: de Raad).

Bij voormelde beschikking van 4 december 2017 heeft de rechtbank [naam] benoemd tot bijzondere curator voor de minderjarige:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

Aan de bijzondere curator zijn de volgende taken gegeven:

1. Het onderzoeken van de vraag of het in het belang van [minderjarige] is om statusvoorlichting te krijgen en, zo ja, of dat op dit moment zou kunnen c.q. moeten dan wel of het beter is om dat op een later moment te doen.

2. De vader voorlichten over (noodzaak van (tijdige)) statusvoorlichting, de wijze waarop statusvoorlichting zou kunnen plaatsvinden en hem eventueel te begeleiden in het geven van de statusvoorlichting aan [minderjarige] indien statusvoorlichting op dit moment in diens belang is.

3. Onderzoek doen naar de (on)mogelijkheden voor contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder.

De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht om schriftelijk verslag te doen van de uitvoering van voornoemde taken en in dat verslag ook (voor zover mogelijk) op de volgende vragen antwoord te geven:

a. Is het in het belang van [minderjarige] dat er contactherstel met de moeder plaatsvindt en, zo ja, welke (rand)voorwaarden moeten daarvoor aanwezig zijn?

b. Is contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] mogelijk zonder dat er statusvoorlichting heeft plaatsgevonden?

c. Zijn er nog andere feiten of omstandigheden die mogelijk relevant kunnen zijn voor de te nemen beslissing op het verzoek van de moeder om een omgangsregeling vast te stellen?

De rechtbank heeft de bijzondere curator in de gelegenheid gesteld uiterlijk 1 maart 2018 schriftelijk verslag te doen. Iedere verdere beslissing op het verzoek van de moeder is aangehouden.

De advocaat van de vader heeft op 28 februari 2018 verzocht een klacht van de vader tegen de bijzondere curator, door hem ingediend bij e-mailbericht van 25 januari 2018, in behandeling te nemen, dan wel een nieuwe bijzondere curator te benoemen, gelet op het ontbreken van de mogelijkheid om tegen de bijzondere curator een klacht in te dienen.

De behandeling van de klacht en de verdere inhoudelijke behandeling van de zaak hebben plaatsgevonden ter zitting van 12 juni 2018.

De beoordeling van de klacht

het toetsingskader voor de beoordeling van de klacht

Vooropgesteld moet worden dat noch de wet noch de diverse Procesreglementen Familie- en Jeugdzaken een klachtenregeling bevatten voor klachten die zijn gericht tegen een door de rechtbank benoemde bijzondere curator. Bij gebrek aan een dergelijke regeling, is de rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om kennis te nemen van de klacht van de vader en deze inhoudelijk te toetsen.

De wet en voormelde Procesreglementen bevatten geen omschrijving van de wijze waarop een bijzondere curator zijn taak dient te vervullen. Wel bestaat er een “Werkproces benoeming bijzondere curator o.g.v. art. 1:250 BW” (hierna: “het Werkproces”) met als bijlage de “Leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW” (hierna: “De Leidraad). De rechtbank zal dit Werkproces en deze Leidraad betrekken bij de beoordeling van de klacht.

Op grond van het Werkproces en de Leidraad vertegenwoordigt de bijzondere curator de minderjarige zowel in als buiten rechte. Hij heeft primair een bemiddelende rol en moet er getracht worden het conflict/de belangenstrijd in der minne op te lossen. De bijzondere curator dient ervoor te zorgen dat de belangen van het kind zo goed mogelijk belicht worden en dat zijn belangen worden meegewogen in de belangenstrijd/het conflict. Ook wordt deze verzocht om binnen het kader van de opdracht en taakomschrijving al datgene te doen wat in het belang van de minderjarige kan worden geacht. Het verslag bestaat uit (onder meer) een weergave van de gevoerde gesprekken, een weergave van de overige bevindingen van de bijzondere curator en een onderbouwd standpunt over het verzoek en over een eventueel verweer. Daarnaast moet worden vermeld en onderbouwd of de bijzondere curator, gelet op het resultaat van de gesprekken, toewijzing van het verzoek al dan niet in het belang van de minderjarige wordt geacht en onderbouwt hij dit standpunt.

Naast het voorgaande is van belang dat de bijzondere curator zich richt op het belang van het kind. Ook moet in het rapport op inzichtelijke en consistente wijze worden uiteengezet op welke feiten, omstandigheden en bevindingen de conclusies van de bijzondere curator zijn gebaseerd. Deze feiten, omstandigheden en bevindingen moeten de getrokken conclusies kunnen rechtvaardigen.

de klacht

In zijn e-mail van 25 januari 2018 heeft de vader gesteld dat de bijzondere curator tijdens de gesprekken op 12 december 2017 en 9 januari 2018 bij de bijzondere curator thuis uitgebreide en zeer persoonlijke informatie heeft gegeven over zijn privéleven. Het ging onder meer over seksueel misbruik van de bijzondere curator en zijn broer als jonge kinderen door de katholieke kerk. Verder heeft de bijzondere curator de situatie van de moeder vergeleken met dat van joodse moeders die in de Tweede Wereldoorlog hun baby’s opofferden om hen de gang naar het concentratiekamp te besparen, waarbij de suggestie is gewekt dat de vader vergelijkbaar is met een nazi en de moeder het slachtoffer is geweest van het naziregime. Bovendien heeft de bijzondere curator tijdens het gesprek van 9 januari 2018 opgetreden als adviseur van de moeder, zoals het adviseren over partneralimentatie, aldus de vader. De vader is van mening dat het gedrag van de bijzondere curator ongepast en onprofessioneel is.

Ter zitting van 12 juni 2018 is aan het voorgaande toegevoegd dat de bijzondere curator, ondanks aandringen van de vader, niet met [minderjarige] wilde spreken omdat hij dat niet nodig vond. Daarnaast heeft de raadsvrouw van de vader ter zitting inhoudelijke klachten over de rapportage van de bijzondere curator naar voren gebracht.

het verweer van de bijzondere curator

De bijzondere curator heeft ter zitting aangegeven dat hij zich niet herkent in de beschuldigingen die de vader uit. Het een en ander is óf niet gezegd, of in een andere context. De vader heeft na het eerste gesprek aangegeven dat hij het een fijn gesprek vond. De bijzondere curator heeft sterk de indruk dat de vader de klacht heeft ingediend omdat hij tijdens het tweede gesprek heeft aangegeven dat hij van mening was dat er omgang moest komen tussen [minderjarige] en zijn moeder, waar de vader het niet mee eens is.

het standpunt van de moeder

De moeder heeft het handelen van de bijzondere curator als prettig en niet als onprofessioneel ervaren. Bepaalde zaken die de vader aangeeft over het gesprek op 9 januari 2018 zijn anders gegaan dan hij stelt.

de beoordeling van de rechtbank

Vaststaat dat de bijzondere curator één-op-één gesprekken met beide ouders heeft gevoerd, met de vader op 12 december 2017 en met de moeder op 19 december 2017. Vervolgens heeft hij op 9 januari 2018 een gesprek gehad met beide ouders samen. In dat gesprek heeft hij aangegeven dat hij vond dat er omgang diende te komen tussen de moeder en [minderjarige] . Op 11 januari 2018 heeft mr. Scheimann de bijzondere curator per e-mail in overweging gegeven om zich terug te trekken omdat de vader van mening is dat de bijzondere curator ongepast en onprofessioneel heeft gehandeld. De bijzondere curator heeft daartoe geen aanleiding gezien en hij heeft de klacht niet (vooraf) bij de rechtbank gemeld. Hij heeft zijn rapport uitgebracht op 27 februari 2018.

Naar het oordeel van de rechtbank was het, ten behoeve van de transparantie, beter geweest als de bijzondere curator bij de rechtbank direct melding had gemaakt van de klacht, ook als hij zich daar niet in herkende. Opvallend genoeg staat daarover niets vermeld in voormelde Leidraad, terwijl in de “Leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:212 BW” (wel) staat aangegeven dat de bijzondere curator de rechtbank en de belanghebbenden onmiddellijk dient te informeren indien er belemmeringen worden ervaren in de uitoefening van de taak.

De rechtbank constateert dat de vader op bepaalde punten een onjuiste gang van zaken schetst. Zo staat vast dat de gesprekken, anders dan hij stelt, niet bij de bijzondere curator thuis plaatsvonden maar op diens kantoor (grenzend aan zijn huis). Verder is gebleken dat de bijzondere curator tijdens het gesprek op 9 januari 2018 heeft aangegeven dat hij [minderjarige] op neutraal terrein wilde spreken, maar dat de vader alleen akkoord ging met een gesprek met [minderjarige] bij hem thuis. Ook na dit gesprek heeft de bijzondere curator aangegeven dat hij graag een gesprek wilde met [minderjarige] . De vader heeft ter zitting dan ook ten onrechte verklaard dat de bijzondere curator geen gesprek wilde met [minderjarige] , ondanks aandringen van zijn kant. Verder hebben de moeder en de bijzondere curator ter zitting aangegeven dat in het gezamenlijk gesprek alleen is besproken dat de moeder geen kinderalimentatie betaalt; het woord partneralimentatie is niet genoemd. Dit is door de vader niet weersproken.

Ten aanzien van de gestelde ‘vergelijking’ met joodse moeders in de Tweede Wereldoorlog is het volgende gebleken.

De moeder heeft, toen [minderjarige] een paar maanden oud was, hem bij de vader achtergelaten. Dit is voor de vader onbegrijpelijk. De bijzondere curator heeft aangegeven hij de vader heeft proberen uit te leggen dat sommige moeders, onder uitzonderlijke omstandigheden of uit nood, afstand doen van hun kind. Ter illustratie heeft hij verwezen naar situaties die ook wel op televisie te zien zijn, zoals programma’s over de zoektocht van geadopteerde kinderen naar hun biologische moeder. Ook heeft hij verwezen naar ook een film waarin een joodse moeder in de Tweede Wereldoorlog, op transport naar een concentratiekamp, haar kind op een station achter laat in de hoop dat het wordt gevonden en zal overleven. De vader heeft niet betwist dat dit zo is besproken.

Gezien de gegeven toelichting en mede gezien de omstandigheid dat er ook andere illustraties zijn gegeven, is het aannemelijk dat de bijzondere curator het een en ander naar voren heeft gebracht in het kader van zijn taak om vader te overtuigen van de noodzaak om statusvoorlichting te geven aan [minderjarige] – welke statusvoorlichting toen nog niet had plaatsgevonden – en in een poging om bij de vader enig begrip te kweken voor de situatie van de moeder (zoals zij die heeft ervaren) en waarom zij [minderjarige] (mogelijk) bij hem achter liet. Het is niet aannemelijk dat de bijzondere curator de situatie van de moeder heeft vergeleken met die van joodse moeders in de Tweede Wereldoorlog met (andere) slachtoffers van het naziregime noch dat hij de vader heeft vergeleken met een nazi.

Ten aanzien van de informatie die de bijzondere curator heeft gegeven over zijn privéleven, is het volgende van belang.

De bijzondere curator heeft aangegeven dat er op 12 december 2017 eerst het ‘formele’ gesprek met de vader heeft plaatsgevonden. Toen het formele gesprek klaar was, hebben zij nog even wat gedronken met de partner van de vader, die uren op hem had moeten wachten. Er is toen, tijdens een informeel gesprek, over ‘koetjes en kalfjes’ gesproken. De bijzondere curator heeft op dat moment dingen over zijn privéleven verteld, waaronder dat hij en zijn broer in hun jeugd op het klein seminarie hadden gezeten en dat de bijzondere curator later bedenkingen had over waarom zijn broer daarmee was gestopt. De bijzondere curator ontkent dat (hij heeft gezegd dat) hij en zijn broer door functionarissen van de katholieke kerk seksueel zijn misbruikt. De vader heeft de geschetste gang van zaken niet weersproken.

Hoewel het beter was geweest als de bijzondere curator bepaalde informatie over zijn privéleven (of dat van zijn broer) voor zich had gehouden – ook al was dat in een informeel gesprek – is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat hij tegen de vader heeft gezegd dat hij en/of zijn broer het slachtoffer zijn geweest van seksueel misbruik door de katholieke kerk. Mogelijk heeft de vader zelf die invulling gegeven aan de uitlatingen van de bijzondere curator.

Aangezien in de schriftelijke klacht van de vader niet is geklaagd over de kwaliteit van het rapport van de bijzondere curator, kan hetgeen daarover ter zitting is aangevoerd niet worden betrokken bij de beoordeling van de klacht. Dat wordt in dit kader dan ook buiten beschouwing gelaten maar het wordt wel bij de inhoudelijke beoordeling betrokken.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de bijzondere curator ongepast of onprofessioneel heeft gehandeld, dan wel heeft opgetreden in de hoedanigheid van adviseur van de moeder. De klacht is dan ook ongegrond.

De verdere beoordeling van het geschil

Het advies van de bijzondere curator

De bijzondere curator rapporteert en adviseert in zijn verslag - kort gezegd - het volgende. De vader ziet de noodzaak van statusvoorlichting in en heeft daarmee een begin gemaakt.

Er zijn geen aanwijzingen dat omgang met de moeder nadelig zal zijn voor de veiligheid en gezondheid van [minderjarige] . De moeder is bereid mee te werken aan een voorzichtig en gefaseerd contactherstel met [minderjarige] . De bijzondere curator beveelt aan dat ouders onder professionele begeleiding (bijvoorbeeld Ouderschap Blijft van Lindenhout) werken aan herstel van het onderlinge vertrouwen en aan een betere en meer gelijkwaardige onderlinge communicatie. Ook kan in een dergelijk traject fasegewijs toegewerkt worden naar omgang tussen [minderjarige] en de moeder (zonder toezicht) gedurende 2 à 3 dagen per maand en tijdens vakanties. Indien de vader geen medewerking wil verlenen aan contactherstel of aan herstel van vertrouwen tussen de ouders, dan wordt geadviseerd om [minderjarige] onder toezicht te stellen.

Ter zitting is nog het volgende naar voren gebracht. Kijkend naar de ontwikkeling van een kind, is het voor elk kind belangrijk dat het weet wie zijn ouders zijn. Het is het beste als het kind dat zo vroeg mogelijk weet. Ook voor [minderjarige] is het goed om te weten wie zijn werkelijke moeder is en om haar te kennen. Bij de ouders bestaat geen ruimte om tot afspraken te komen over de omgang. Het is belangrijk dat het contact tussen zoon en moeder gestalte gaat krijgen en dat er normale omgang kan zijn. De beschrijving van de vader en de moeder in het rapport geeft weer hoe de bijzondere curator hen heeft ervaren tijdens de gesprekken. Er zit een mate van subjectiviteit in deze bevindingen maar deze zijn ook gebaseerd op zijn kennis en ervaring. Er is geprobeerd een zorgvuldig rapport op te stellen en om een beeld te schetsen van wat er aan de hand is. Het rapport is geschreven vanuit het belang van het kind en het belang van moeder omdat [minderjarige] bij zijn vader verblijft; had [minderjarige] bij de moeder verbleven dan was er juist (met name) gekeken naar het belang van de vader. Tijdens het eerste gesprek is aan de orde geweest hoe de vader statusvoorlichting zou kunnen geven aan [minderjarige] . Hij heeft tijdens het gezamenlijk gesprek verteld dat hij dat heeft gedaan en hoe. Het traject is echter nog niet af. Waarschijnlijk is het voor [minderjarige] nog niet helemaal duidelijk hoe het zit.

Het nadere standpunt van de moeder

Door en namens de moeder is aangevoerd dat zij het eens is met wat er in het rapport wordt aangegeven. Het belangrijkste wat ouders hebben aangegeven tijdens de lange gesprekken is eruit gefilterd en staat in het rapport. Er is deugdelijk onderzoek gedaan. Er wordt aangegeven dat omgang tussen [minderjarige] en moeder noodzakelijk is en dat het bij zal dragen aan een betere sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . Dit wordt geadviseerd vanuit pedagogisch oogpunt en vanuit de kennis van de bijzondere curator als orthopedagoog. Veel zaken die genoemd worden, zijn herkenbaar vanuit het raadsrapport uit 2013. Er is eigenlijk niks veranderd. Er bestaat geen reden om het rapport terzijde te schuiven. De vader probeert het proces te traineren om de omgang te belemmeren, zoals hij al eerder heeft gedaan. Dit doet hij door het indienen van de klacht en door de benoeming van een nieuwe bijzondere curator voor te stellen. De moeder wil alles doen om te werken aan contactherstel tussen haar en [minderjarige] . Zij is alleen niet bereid om met de vader rond de tafel te zitten, ook niet met professionele begeleiding, omdat zij verwacht dat de vader zich dan wederom manipulatief zal gedragen. Zij ziet dan ook niets in een traject bij Lindenhout waarbij ouders het gesprek met elkaar aan moeten gaan.

Het nadere standpunt van de vader

Namens de vader is aangevoerd dat de rapportage niet deskundig is opgesteld, onder meer omdat de rapportage partijdig is en bovendien onvoldoende onderbouwd. De bijzondere curator neemt het verhaal van de moeder voor waar aan, zonder onderzoek naar de feiten, naar de juistheid van het verhaal van de moeder of naar de leefsituatie van partijen. In de conclusies staan zijn privémening en het verhaal van de moeder. De conclusie had moeten zijn dat de verhalen van de ouders tegenstrijdig zijn. Er wordt aangegeven dat het in het algemeen goed is als een kind contact heeft met de moeder. Maar er is niet gekeken naar de specifieke situatie van [minderjarige] ; het is niet zichtbaar dat de risico’s in kaart zijn gebracht. Het advies dat er contact moet zijn tussen [minderjarige] en de moeder is gedaan uitgaande van het recht van de moeder op contact met haar kind. Daarbij is niet gekeken naar de belangen van [minderjarige] . Er wordt geadviseerd om eventueel een ondertoezichtstelling uit te spreken maar er worden geen ontwikkelingsbedreigingen aangegeven. Om deze reden, en vanwege het ontbreken van draagvlak bij de vader, wordt verzocht geen rekening te houden met het rapport en een nieuwe bijzondere curator te benoemen.

Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming

De Raad staat achter het advies van de bijzondere curator ten aanzien van de professionele hulpverlening en de omgang. Er blijkt niet van zwaarwegende contra-indicaties voor de omgang. Het is voor kinderen van cruciaal belang dat zij weten wie hun vader en moeder is. [minderjarige] heeft van jongs af aan eigenlijk geen kans gehad om zich te hechten aan moeder. Het is begrijpelijk dat de vader [minderjarige] wil beschermen tegen eventuele nieuwe teleurstellingen. Het contact dan maar afhouden, is pedagogisch gezien geen goed antwoord. Beide ouders hebben een ouderlijke verantwoordelijkheid ten aanzien van het herstellen van het contact. Daar is professionele hulp voor nodig. Ook is het proces van statusvoorlichting nog niet afgerond. Een traject bij Lindenhout kan bij dit alles goed helpen. Als de ouders daar niet voor open staan, is een raadsonderzoek geïndiceerd.

De beoordeling van het advies en het rapport van de bijzondere curator

Uit het rapport en het verhandelde ter zitting blijkt dat de bijzondere curator (impliciet) alle taken heeft volbracht die aan hem zijn gegeven, te weten het onderzoeken van de vraag of het in het belang van [minderjarige] is om statusvoorlichting te krijgen, het voorlichten van de vader over de noodzaak van tijdige statusvoorlichting en de wijze waarop statusvoorlichting zou kunnen plaatsvinden en het doen van onderzoek naar de (on)mogelijkheden voor contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder. De gestelde vragen zijn in meer of mindere mate beantwoord. Ook is er een advies gegeven. De bijzondere curator wordt daarom van zijn taak ontheven.

Ten aanzien van het advies, wordt het volgende overwogen.

Het is niet taak van de bijzondere curator is om aan waarheidsvinding te doen. Daarom wordt het verwijt dat de bijzondere curator geen diepgravend onderzoek heeft gedaan naar (de juistheid van het gestelde over) de persoonlijke leefsituatie van de moeder ten onrechte gemaakt. Bovendien blijkt uit de weergave van de gesprekken in de rapportage dat de beleving van partijen – over hoe hun relatie was, wat zich tijdens de relatie en daarna heeft voorgedaan – erg afwijken. Dit betekent dat er in deze zaak ook bijna geen feiten vastgesteld kunnen worden. Het kan dan ook niet anders dan dat de bijzondere curator zijn advies grotendeels moest baseren op zijn professionele kennis, de (tegenstrijdige) verhalen en zijn bevindingen c.q. indruk van partijen. Een indruk van [minderjarige] heeft hij niet kunnen krijgen omdat hij hem niet te spreken heeft gekregen. Omdat het advies mede is gebaseerd op de indruk die de bijzondere curator heeft gekregen van partijen, kan het niet anders dan dat de rapportage een subjectieve component heeft. Dat betekent echter niet dat het advies niet deugdelijk is. Wel is het juist daarom belangrijk dat inzichtelijk wordt gemaakt waar de conclusies en het advies van de bijzondere curator op zijn gebaseerd.

De rechtbank constateert dat in de rapportage over bepaalde zaken – waarover de ouders geen overeenstemming hebben – conclusies worden getrokken uitgaande van de beleving van de moeder over die zaken. Het is dan niet duidelijk waarom er niet wordt uitgegaan van de beleving van de vader. Een voorbeeld daarvan is hoe de verzorging van [minderjarige] en van de huishouding was geregeld was. Ook wordt niet aangegeven waarop de “Beschouwing” is gebaseerd dat geen sprake is geweest van een gelijkwaardige relatie, onder meer omdat vader “zeer dominant” en moeder “kwetsbaar” is. Door het een en ander wordt de indruk gewekt dat de bijzondere curator sympathiek tegenover (de positie van) de moeder stond en dat hij een negatieve indruk had van de vader.

De (subjectieve) indruk van hetgeen voor, tijdens en na de relatie is gebeurd, geeft daar weliswaar een gekleurd beeld van maar de rechtbank stelt vast dat het advies daar niet (alleen) op is gebaseerd. Het advies, dat er omgang moet zijn tussen de moeder en [minderjarige] , is ten eerste onderbouwd met het gegeven dat een kind in zijn algemeenheid het recht heeft om zijn beide ouders te kennen en daar contact mee te hebben en dat dit contact doorgaans ook van belang is voor een goede sociaal-emotionele ontwikkeling van een kind. Deze kennis heeft de bijzondere curator vanuit zijn professie als orthopedagoog. De Raad deelt dit uitgangspunt ook. Ten tweede is het advies onderbouwd met de bevinding van de bijzondere curator dat er geen aanwijzingen zijn dat omgang met de moeder nadelig zal zijn voor de veiligheid en gezondheid van [minderjarige] . Om deze redenen stelt de bijzondere curator dat omgang met de moeder ook voor [minderjarige] positief zal bijdragen aan zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Het advies wordt dan ook gegeven vanuit het belang van [minderjarige] , niet vanuit het belang van de moeder. Ook wordt gesteld dat, gezien de situatie, ouders professionele begeleiding nodig hebben en dat anders mogelijk een ondertoezichtstelling nodig is. Dat zijn de randvoorwaarden voor de omgang. Het advies is summier maar niet onlogisch. Uit de weergave van de gesprekken met partijen blijkt immers niet dat de veiligheid en gezondheid van [minderjarige] in het geding zijn geweest bij de moeder, behalve dat de moeder hem een verkeerde de zetpil heeft gegeven. In dat verband gaat de bijzondere curator uit van een vergissing van de moeder en niet van kwaad opzet. Gezien de verstoorde verstandhouding tussen partijen, zoals blijkend uit de gesprekken, is ook het advies om de omgang gefaseerd op te bouwen en partijen te laten begeleiden door een professionele instantie ook begrijpelijk.

De rechtbank is van oordeel dat er aan deze zaak een aantal bijzondere aspecten kleeft. Zo is er niet alleen sprake van een enorm wantrouwen maar ook van animositeit tussen de ouders. De families van partijen en de cultuur spelen nog steeds een rol in de onderlinge verhoudingen, hetgeen complicerend kan werken. Verder heeft de moeder [minderjarige] twee keer verlaten, één keer bij het verbreken van de relatie en in 2015. De vraag is of dit belemmerend zou kunnen werken bij het herstellen van contact tussen de moeder en [minderjarige] . Ook rijst de vraag of contactherstel mogelijk is als de vader voor dit contact nog steeds geen emotionele toestemming kan geven of als de onderlinge verhoudingen van partijen niet verbetert. In het advies wordt niet (kenbaar) ingegaan op dit eventueel belemmerende factoren zijn voor het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] . Daarnaast heeft de rechtbank zorgen over het effect op [minderjarige] ontwikkeling indien de moeder, als het proces van contactherstel (wederom) moeilijk verloopt, daar (weer) mee zou stoppen. Tot slot wordt in het advies niet ingegaan op de vraag of omgang mogelijk is zonder ondertoezichtstelling of een ouderbemiddelingstraject.

Daar het voorgaande komt dat ter zitting is gebleken dat de moeder niet bereid is om een traject van ouderschapsbemiddeling in te gaan met de vader. De vader heeft ook niet aangegeven daartoe bereid te zijn. De bijzondere curator heeft in overweging gegeven om [minderjarige] in een dergelijk geval onder toezicht te stellen maar daartoe is noch door hem noch door één van partijen een verzoek ingediend. Bovendien kan op dit moment niet worden geoordeeld dat aan de criteria voor een (voorlopige) ondertoezichtstelling wordt voldaan.

Vanwege het voorgaande is de rechtbank met het advies onvoldoende geïnformeerd om te komen tot een beslissing. De rechtbank ziet geen aanleiding om een nieuwe bijzondere curator te benoemen. Wel zal, gezien het voorgaande, de Raad worden verzocht te rapporteren en adviseren omtrent de (on)mogelijkheden voor contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder. Bij het onderzoek zullen ook de hierboven vermelde bijzondere aspecten betrokken dienen te worden. De Raad wordt verzocht op 16 oktober 2018 pro forma te rapporteren en daarbij de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Is het in het belang van [minderjarige] dat er contactherstel met de moeder plaatsvindt en, zo ja, welke (rand)voorwaarden moeten daarvoor aanwezig zijn?

  2. Indien vraag 1. met “ja” wordt beantwoord, welke mogelijkheden zijn er voor een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder en hoe zou die regeling dan moeten worden vormgegeven?

  3. Zijn er factoren – zoals bijvoorbeeld veiligheidsoverwegingen – die de omgang belemmeren? Zo ja, welke? Hoe en op welke termijn zijn deze factoren op te heffen?

  4. Is contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder mogelijk indien de verstandhouding tussen de ouders niet verbetert en er bij (één van) de ouders geen bereidheid is om een traject te volgen om hierin verbetering te brengen of als de vader [minderjarige] geen emotionele toestemming kan geven voor het contact met zijn moeder?

  5. Heeft [minderjarige] (voldoende) statusvoorlichting gehad? Zo nee, wat moet er op dit punt nog gebeuren?

  6. Zijn er in het onderzoek andere feiten of omstandigheden gebleken die mogelijk relevant kunnen zijn voor de te nemen beslissing op het verzoek van de moeder om een omgangsregeling vast te stellen?

Derhalve wordt als volgt beslist.

De beslissing

De rechtbank:

1. verklaart de klacht tegen de bijzondere curator ongegrond;

2. ontslaat de bijzondere curator uit zijn taak;

3. verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek te doen, te rapporteren en te adviseren, zoals hiervoor is overwogen

4. houdt iedere verdere beslissing aan tot een nader te plannen zitting (liefst) in de maand november of december 2018 en verzoekt de Raad uiterlijk twee weken voorafgaande aan de zitting de rechtbank schriftelijk te berichten over de uitkomsten van het Raadsonderzoek en verzoekt de advocaten van de ouders uiterlijk 15 juli 2018 hun verhinderdata voor de maanden november 2018 tot en met januari 2019 aan de rechtbank kenbaar te maken opdat meteen een zittingsdatum kan worden bepaald.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. C.D.G. van IJzendoorn als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2018.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.