Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3659

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-08-2018
Datum publicatie
24-08-2018
Zaaknummer
05/004243-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor het samen met anderen telen van hennep en stelen van elektriciteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/004243-18

Datum uitspraak : 24 augustus 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres 1].

Raadsman: mr. B. van Nimwegen, advocaat te Zeist.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 augustus 2018.

1. De inhoud van de tenlastelegging 1

De officier van justitie verwijt verdachte dat hij in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 26 oktober 2017:

  • -

    samen met een of meer anderen ongeveer 284 hennepplanten, een grote hoeveelheid, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval aanwezig heeft gehad (primair). Dan wel dat verdachte het pand dat op zijn naam stond ter beschikking heeft gesteld voor de teelt/het kweken van hennepplanten (subsidiair). Daarbij gaat het om hennep zoals vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst II (feit 1, primair).

  • -

    samen met een of meer anderen een hoeveelheid elektriciteit heeft gestolen van [benadeelde] en dat hij deze elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak of verbreking (feit 2).

Dit betekent, kort gezegd, dat de officier van justitie verdachte ervan beschuldigt dat hij samen met een ander of anderen een hennepkwekerij heeft onderhouden dan wel dat de kwekerij onder hem aanwezig was. Indien dat niet kan worden bewezen stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte een pand dat op zijn naam stond ter beschikking heeft gesteld voor een hennepkwekerij. De officier van justitie zegt tot slot dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het illegaal, buiten de meter om, afnemen van stroom voor die hennepkwekerij samen met een of meer anderen.

2 Inleiding

In deze zaak bekent de verdachte dat hij een hennepkwekerij onderhield in een woning die hij op zijn naam huurde. Hij bekent ook dat de stroom ten behoeve van deze hennepkwekerij buiten de meter om werd afgenomen, doordat er enkele kabels waren verlegd. Omdat verdachte dit heeft bekend, staan deze feiten vast. Dit betekent dat de rechtbank de bewezenverklaring van deze feiten niet nader hoeft te motiveren.

De rechtbank heeft wel een tweetal andere vragen over de feiten te beantwoorden, namelijk:

- heeft verdachte enkel het pand dat op zijn naam stond beschikbaar gesteld voor de hennepteelt of had hij zelf ook een volwaardige rol bij het in stand houden van de hennepkwekerij en de diefstal van de stroom samen met een ander of anderen?

In juridische termen noemt men dit het verschil tussen medeplichtigheid en medeplegen. Hierbij is voor het medeplegen noodzakelijk is dat sprake is van een voldoende bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn mededader(s) in tegenstelling tot de medeplichtigheid waarbij de verdachte enkel een hulpvaardige rol heeft.

- kan bewezen worden dat verdachte gedurende de gehele periode van 1 oktober 2014 tot en met 26 oktober 2017 de hennepkwekerij heeft onderhouden en de stroom illegaal heeft afgenomen of moet deze periode worden ingekort?

De rechtbank zal in dit vonnis allereerst de vaststaande feiten gedetailleerder weergeven. Daarna gaat zij in op de twee bovenstaande vragen. Dan stelt de rechtbank vast of sprake is van een strafbaar feit en een strafbare dader. Als dat zo is, kan zij een straf en/of een strafrechtelijke maatregel opleggen. Tot slot gaat de rechtbank in op de strafoplegging, de hoogte van de straf en de redenen hiervan. Het gevaar dat een hennepkwekerij en illegale stroomafname opleveren voor de veiligheid van personen die zich nietsvermoedend in de naburige woningen bevinden, wordt hierin meegenomen.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

De hennepkwekerij (feit 1)

Op 26 oktober 2017 is in een woning aan de [adres 2] in Tiel een hennepkwekerij aangetroffen met 284 hennepplanten. Dit is hennep, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst II.3 Deze woning wordt gehuurd door verdachte. Hij is de eigenaar van de hennepkwekerij.4

De diefstal van elektriciteit (feit 2)

Op 26 oktober 2017 werd in de meterkast van de woning aan de [adres 2] in Tiel geconstateerd dat het zegel van de hoofdaansluitkast verbroken was. Er was een illegale elektriciteitsaansluiting gemaakt die buiten de meter om liep naar de hennepplantage. Hierbij is een hoeveelheid stroom van [benadeelde] illegaal afgenomen.5 Verdachte was hiervan op de hoogte.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onderhouden van een hennepkwekerij (feit 1) en de diefstal van stroom (feit 2) en dat hij dit samen met anderen heeft gedaan. Dit betekent dat verdachte volgens de officier van justitie dus bewust en nauw heeft samengewerkt met een of meer anderen, zodat het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen. Tot slot vindt de officier van justitie dat ook de volledige periode zoals deze bij beide feiten is tenlastegelegd kan worden bewezen. Daartoe voert zij aan dat de verklaring van verdachte ter terechtzitting op dit punt ongeloofwaardig is, nu hij bij de politie zelf heeft verklaard dat de kwekerij 3,5 jaar in zijn huurwoning heeft gezeten en deze verklaring steun vindt in de aangifte van Liander en de Meld Misdaad Anoniem melding.

Het standpunt van de verdediging

De advocaat van verdachte stelt dat niet kan worden bewezen dat verdachte een wezenlijke rol had in het onderhouden van de hennepkwekerij. Immers hij heeft niet vrijwillig aan dit feit meegewerkt, zodat de bewuste en nauwe samenwerking niet kan worden bewezen. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde medeplegen. Ten aanzien van de periode bij beide feiten vindt de advocaat dat de rechtbank moet uitgaan van de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting, namelijk dat de hennepkwekerij er zat vanaf het moment dat hij zijn baan bij het café is verloren. De tenlastegelegde periode moet dan ook worden ingekort.

Beoordeling door de rechtbank

De rol van verdachte bij de hennepkwekerij en de diefstal van de stroom

Ter terechtzitting verklaart verdachte dat hij van twee Poolse mannen twee slaapkamers in de woning die hij huurde vol moest zetten met hennepplanten. Deze mannen hebben ook de elektriciteit voor de hennepkwekerij aangelegd. Van de Poolse mannen heeft verdachte een voedingsschema voor de hennepplanten gekregen. Hij heeft zich aan dit schema gehouden om de hennepplanten goed te verzorgen.7 Bij de politie heeft verdachte verklaard dat de Poolse mannen de hennepkwekerij samen met hem helemaal hebben ingericht. De Polen hebben ook telkens het materiaal en de voeding voor de hennepplanten geregeld. Verdachte heeft zelf een keer geholpen bij het knippen van de hennepplanten.8

De Poolse mannen hebben het mogelijk gemaakt dat de hennepkwekerij in de huurwoning van verdachte werd opgezet en dat deze in werking kon blijven, door te zorgen voor de benodigde voeding voor de planten en andere goederen. Verdachte heeft in dienst van deze Poolse mannen niet alleen zijn huurwoning beschikbaar gesteld voor de hennepkwekerij, maar hij heeft ook de planten verzorgd en onderhouden, meegeholpen met het knippen van de hennepplanten en de hennepkwekerij beheerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte een grote en belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het draaiende houden van de hennepkwekerij die de Poolse mannen bij hem hadden opgezet. Dat verdachte dit niet vrijwillig heeft gedaan heeft de advocaat onvoldoende aannemelijk gemaakt. Er is in deze zaak dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de twee Poolse mannen. Het maakt hierbij niets uit dat de gegevens van de Poolse mannen niet bekend zijn, omdat het volgens de tenlastelegging enkel moet gaan om ‘een of meer anderen’. De rechtbank vindt dan ook bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het telen van 284 hennepplanten, oftewel het in stand houden van de in werking zijnde hennepkwekerij in zijn huurwoning (feit 1 primair). De rechtbank vindt het niet bewezen dat verdachte dit in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gedaan, nu zij daarvoor geen aanwijzingen in het dossier terug kan vinden.

Verder blijkt uit bovenstaande dat de Poolse mannen de elektriciteit van de huurwoning van verdachte hebben omgelegd. Het stond al vast dat verdachte hiervan op de hoogte was. De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte deze elektriciteit dus niet alleen heeft omgelegd. Dit feit heeft verdachte ook gepleegd met ‘een of meer anderen’. De bewuste en nauwe samenwerking bestaat er in dit geval uit dat verdachte op de hoogte was van het omleggen van de elektriciteit door de Poolse mannen en dat hij hier ook gebruik van heeft gemaakt ten behoeve van de hennepkwekerij. Ook ten aanzien van de diefstal van de elektriciteit kan dus het medeplegen worden bewezen (feit 2).

De pleegperiode

De rechtbank gaat bij het vaststellen van de periode waarin verdachte bovenstaande feiten heeft gepleegd, anders dan de officier van justitie, uit van zijn verklaring zoals hij deze heeft afgelegd ter terechtzitting (en eerder al bij de politie), nu de rechtbank dit een redelijke verklaring vindt.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de kweekcyclus van de hennepplanten 13 weken bedroeg. Tussen twee volledige kweken zat ongeveer 1 maand á 1,5 maand. Verdachte heeft ongeveer 6 oogsten gehad, waarvan er 1 á 2 zijn mislukt.9 De rechtbank concludeert dat verdachte 5 succesvolle oogsten heeft gehad, die een kweekcyclus hadden van 13 weken. Als de rechtbank hier de tussenpozen en de mislukte oogst bij rekent, komt zij uit op een periode van in totaal ongeveer twee jaren dat de hennepkwekerij in werking is geweest.

De rechtbank vindt op grond van het voorgaande dan ook bewezen dat verdachte de in werking zijnde hennepkwekerij heeft onderhouden en de elektriciteit heeft gestolen in de periode van 1 oktober 2015 tot en met 26 oktober 2017. De rechtbank kort hiermee de tenlastegelegde periode dus in.

4 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1 primair.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 26

oktober 2017 te Tiel in de uitoefening van beroep of bedrijf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 284, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 284 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 26

oktober 2017, in ieder geval in de periode van 22 mei 2017 tot en met 26 oktober 2017 te Tiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 69.872 kWh, althans een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit/goed onder zijn/haar binnen hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Voor zover in de tenlastelegging duidelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Dit werkt niet in het nadeel van verdachte en zijn verdediging.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 (primair):

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldigen het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking

6 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur waarvan 120 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering adviseert, te weten een meldplicht, CoVa-training en meewerken aan schuldhulpverlening en een re-integratietraject. Hierbij houdt de officier van justitie rekening met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De advocaat van verdachte vindt dat alleen een voorwaardelijke werkstraf moet worden opgelegd. Hij onderbouwt dit met de fysieke gezondheid van verdachte, die ervoor zorgt dat verdachte niet kan werken. Het is nog niet duidelijk wanneer verdachte weer aan het werk kan, omdat onzeker is hoe snel zijn gezondheid verbetert.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank houdt bij de bepaling van de op te leggen straf rekening met de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals naar voren is gekomen bij het onderzoek ter terechtzitting, waarbij onder meer het volgende is meegenomen:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, van 28 juni 2018;

- een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, van 7 augustus 2018.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het telen van hennep in een woning die op zijn naam staat. Softdrugs kunnen bij langdurig gebruik leiden tot schade voor de gezondheid en houden bovendien druggerelateerde criminaliteit in stand. Verdachte heeft voor het telen van de hennep en het in stand houden van de hennepkwekerij, ook gebruikt gemaakt van een illegale stroomvoorziening. Naast het benadelen van de energieleverancier levert dit ook grote veiligheidsrisico’s op. Deze risico’s zijn nog eens ernstig vergroot, omdat de stroomvoorziening was aangebracht in een woonhuis. Het aanwezige brandgevaar brengt dan ook nog eens grote risico’s met zich voor de naastgelegen panden en woonhuizen, waarin zich nietsvermoedende andere personen bevinden. Verdachte heeft zich kennelijk niet bezig gehouden met deze ernstige mogelijke gevolgen. Dit neemt de rechtbank mee in het nadeel van verdachte.

In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank mee dat verdachte ter terechtzitting heeft aangetoond spijt te hebben van zijn handelen. Verder heeft hij zelf geen opbrengsten uit de hennepkwekerij overgehouden. Sterker nog, door de hennepkwekerij zit verdachte financieel aan de grond. Dit neemt echter niet weg dat de rechtbank vindt dat verdachte wel een straf verdient voor de door hem gepleegde feiten. De rechtbank zal hierbij de officier van justitie volgen in haar eis en legt een werkstraf op voor de duur van 180 uur waarvan 120 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering adviseert, te weten een meldplicht, CoVa-training en meewerken aan schuldhulpverlening en een re-integratietraject. Dit betekent dat verdachte enkel 60 uur nu moet gaan werken. De overige 120 uur blijven open staan, maar die hoeft hij niet te verrichten als hij zich gedurende de proeftijd van 3 jaar goed aan de genoemde voorwaarden houdt. Hij mag gedurende deze tijd ook geen strafbare feiten plegen.

De bijzondere voorwaarden legt de rechtbank op, zodat verdachte de kans krijgt om zijn financiële situatie op orde te krijgen en hij kan re-integreren in de maatschappij. Op deze manier zal ook het recidiverisico verminderen, nu de door verdachte gepleegde feiten met name vanuit financieel oogpunt zijn begaan. Onder ‘de beslissing’ zijn de bijzondere voorwaarden nader uitgewerkt.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 311 van het Wetboek van Strafrecht

en de artikelen 3, 11 en 13 van de Opiumwet.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een werkstraf gedurende 180 (honderdtachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de werkstraf groot 120 (honderdtwintig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

o meewerkt aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

o zich binnen vijf werkdagen na het ingaan van de proeftijd, tussen 13.30 en 16.30 uur bij de Reclassering Nederland meldt op het adres [adres 3]. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

o actief deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

o de reclassering inzicht geeft in zijn financiën en schuld en meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP);

o meewerkt aan een traject gericht op het verkrijgen van dagbesteding.

 geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Bruins (voorzitter), mr. W.L.F. Prisse en mr. S. Boot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 augustus 2018.

BIJLAGE I

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2014 tot en met 26

oktober 2017 te Tiel in de uitoefening van beroep of bedrijf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 284, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 284 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

een of meer onbekend gebleven personen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 26 oktober 2017 te Tiel in de uitoefening van beroep of bedrijf, met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres 2]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 284, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 284 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan), tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2014 tot en met 26 oktober 2017 te Tiel, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2014 tot en met 26

oktober 2017, in ieder geval in de periode van 22 mei 2017 tot en met 26 oktober 2017 te Tiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 69.872 kWh, althans een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit / goed onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

1 De volledige inhoud van de tenlastelegging is te vinden in Bijlage I.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam 1] van de politie Eenheid Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 2018012193, gesloten op 8 januari 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, p. 3 en 4.

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 76 en 77 en de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 augustus 2018.

5 Het proces-verbaal van aangifte van [naam 2], namens [benadeelde], p. 14 en 15.

6 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 augustus 2018.

7 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 augustus 2018.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 78 en 80

9 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 augustus 2018.