Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3622

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
27-08-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1366
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Beroep niet tijdig beslissen (6:12 lid 2 Awb). Beslistermijn (art. 236 lid 2 Gemeentewet). Opschorting beslistermijn alleen na herstel verzuim brief (art. 7:10 lid 2 en art. 6:6 Awb). Ingebrekestelling per e-mail in dit geval geldig (art. 2:15 lid 4 Awb). Dwangsom verbeurd (art. 4:17 Awb). Wettelijke rente over dwangsom (art. 4:100 Awb). Geen misbruik van recht. Naheffingsaanslag is te hoog, want er was wel parkeerbelasting betaald, maar iets te weinig (verkeerde zone). Alleen het meerdere is na te heffen voor een uur (art. 20 AWR en art. 234 Gemeentewet). Geen wettelijke rente over proceskostenvergoeding en griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-08-2018
V-N Vandaag 2018/1822
FutD 2018-2319
NLF 2018/1994 met annotatie van Mark Smits
Belastingblad 2018/409 met annotatie van R.T. Wiegerink
V-N 2018/57.22.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/1366

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2018

in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van gemeente Wageningen, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 16 maart 2018 waarbij het bezwaar van eiseres tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (aanslagnummer [000] ) ongegrond is verklaard.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2018.

Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en [A] .

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 1.260 moet betalen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2018 tot het tijdstip van voldoening;

- vermindert de naheffingsaanslag parkeerbelasting tot € 61,20;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 750;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiseres te vergoeden;

- bepaalt dat de toegewezen bedragen (de dwangsom, de proceskosten en het griffierecht) moeten worden overgemaakt op het rekeningnummer van de gemachtigde ( [001] ten name van [B] ).

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 19 mei 2017 een auto van 19.01 tot 21.00 uur geparkeerd op [A-straat 1] te [Q] . Eiseres heeft de auto digitaal voor het parkeren aangemeld voor zone [002] met een uurtarief van € 1,40. De auto stond geparkeerd in zone [003] met een uurtarief van € 1,60 en een maximale parkeerduur van één uur. Om 20.38 uur heeft verweerder aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 62,60 bestaande uit € 1,60 parkeerbelasting en € 61 kosten.

2. Bij e-mail van 26 juni 2017, verzonden naar het algemene e-mailadres van verweerder, heeft de gemachtigde van eiseres bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting. Bij brief van 17 juli 2017 heeft verweerder de gemachtigde van eiseres verzocht te reageren op eerder door hem ondernomen contactpogingen. De gemachtigde van eiseres heeft bij e-mail van 20 juli 2017 verweerder verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen en een factuur met omzetbelasting uit te reiken voor de in rekening gebrachte parkeerbelasting en kosten. Op 19 september 2017 heeft verweerder dit verzoek beantwoord en de op de naheffingsaanslag betrekking hebbende stukken aan de gemachtigde verstuurd. Verweerder heeft geen factuur met omzetbelasting uitgereikt voor de in rekening gebrachte parkeerbelasting en kosten.

3. Bij brief van 30 november 2017, verzonden op 1 december 2017, heeft verweerder aan de gemachtigde van eiseres verzocht te reageren op de in september toegestuurde stukken en heeft verzocht aan te geven of eiseres haar bezwaar wil handhaven. Daarbij is opgemerkt dat als binnen twee weken niets is vernomen, het bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard wegens ontbreken van de motivering.

4. Bij e-mail van 15 december 2017, gericht aan het e-mailadres van de bezwaarbehandelaar, heeft eiseres de gronden van haar bezwaren kenbaar gemaakt. Deze gronden waren: “Ik ben van mening dat de naheffingsaanslag onbevoegdelijk is opgelegd. Daarnaast is er wel degelijk belasting betaald zodat de naheffingsaanslag onterecht is opgelegd. Subsidiair brengen de omstandigheden van het geval mee dat het opleggen van de naheffingsaanslag onterecht is.” In deze e-mail heeft de gemachtigde ook verzocht te worden gehoord in het bezwaar. Ook heeft hij verweerder in gebreke gesteld, omdat verweerder voor de in rekening gebrachte parkeerbelasting en kosten nog geen factuur met omzetbelasting had uitgereikt.

5. Bij e-mail van 19 januari 2018, verzonden naar het algemene e-mailadres van verweerder, heeft de gemachtigde van eiseres verweerder in gebreke gesteld voor het beslissen op bezwaar. In de e-mail staat vermeld:

“Ook stel ik u in gebreke omdat u ten onrechte (de beslistermijn is namelijk al verstreken) nog geen beslissing op bezwaar n.a.v. het door mij namens betrokkene ingediende bezwaarschrift met dagtekening 26 juni 2017 tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting ( [004] ) heeft genomen ik maan u dan ook aan z.s.m. doch uiterlijk binnen 14 dagen na ontvangst van deze e-mail een besluit op bezwaar te nemen anders zal ik aanspraak maken op door u te verbeuren dwangsommen en zo nodig beroep instellen wegens het niet tijdige beslissen.”

6. Bij brief van 21 februari 2018 heeft verweerder gereageerd op de e-mail van 15 december 2017 en heeft verweerder eiseres uitgenodigd voor een hoorzitting op 14 maart 2018. Op de e-mail van 19 januari 2018 heeft verweerder niet gereageerd. De e-mail is wel op die dag ontvangen bij verweerder, maar is pas na de uitspraak op bezwaar bij de bezwaarbehandelaar terecht gekomen.

7. Op 13 maart 2018 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank in verband met niet tijdig beslissen op bezwaar. Op 14 maart 2018 heeft de hoorzitting telefonisch plaatsgevonden. Hiervan is geen verslag gemaakt. Op 16 maart 2018 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan.

8. In geschil is of het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar ontvankelijk is. Daarbij is van belang of de beslistermijn al was overschreden. Verder is in geschil of verweerder aan eiseres een dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar. Dit geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres verweerder op de juiste wijze in gebreke heeft gesteld. Tot slot is in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.

9. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslistermijn is verstreken en dat verweerder een dwangsom is verschuldigd. Zij verzoekt om vergoeding van de dwangsom, het griffierecht en de proceskosten, inclusief rente over alle drie deze bedragen.

Beslistermijn verstreken?

10. Verweerder stelt dat de beslistermijn is gaan lopen vanaf 15 december 2017, omdat toen het bezwaar pas is gemotiveerd. Eiseres heeft dit betwist onder verwijzing naar artikel 7:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De rechtbank is van oordeel dat uit dit artikel volgt dat de beslistermijn alleen wordt opgeschort door een brief waarin is verzocht de bezwaargronden aan te vullen in de zin van artikel 6:6 van de Awb (hierna: herstel verzuimbrief). De brief van verweerder van 17 juli 2017 is niet een dergelijke brief, omdat deze alleen over het horen gaat. Alleen de brief van 1 december 2017 kan als een herstel verzuimbrief worden aangemerkt. Dit betekent dat de beslistermijn opgeschort is geweest tussen 1 december 2017 en de e-mail van 15 december 2017 van gemachtigde waarin de bezwaargronden zijn opgenomen. Op grond van artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet is de beslistermijn in afwijking van de Awb verlengd tot het einde van het kalenderjaar waarin het bezwaar is ingediend, in dit geval tot 31 december 2017. De termijn is opgeschort geweest met 15 dagen en is daarom geëindigd op 15 januari 2018. De ingebrekestelling van 19 januari 2018 is dus ingediend na het verstrijken van de beslistermijn.

Geldige ingebrekestelling?

11. Verweerder erkent de ontvangst van de e-mail met ingebrekestelling op 19 januari 2018. Hij stelt echter dat de ingebrekestelling niet geldig is, omdat deze alleen schriftelijk of per DigiD kan worden verstuurd en de ingebrekestelling per e-mail is verstuurd. Bovendien is de e-mail niet naar de bezwaarbehandelaar verstuurd, maar naar het algemene e-mailadres van verweerder. Het gevolg daarvan was dat de bezwaarbehandelaar pas op de hoogte kwam van de ingebrekestelling na de uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft zich coulant opgesteld en heeft veel belang gehecht aan het horen. Het zou onredelijk zijn als het gevolg hiervan is dat een dwangsom is verschuldigd, aldus verweerder.

12. De gemachtigde van eiseres heeft er terecht op gewezen dat de e-mail van 15 december 2017 zonder probleem is ontvangen en behandeld, terwijl deze e-mail ook een ingebrekestelling bevatte, zij het voor een ander punt. De gemachtigde heeft daaruit afgeleid dat in gebreke stellen per e-mail mogelijk was, net zoals ook het instellen van bezwaar per e-mail kon plaatsvinden.

13. De rechtbank is het met de gemachtigde eens dat hij er onder deze omstandigheden op mocht vertrouwen dat een ingebrekestelling per e-mail kon plaatsvinden. Bovendien had verweerder op grond van artikel 2:15, vierde lid, van de Awb aan de gemachtigde moeten berichten dat een ingebrekestelling per e-mail werd geweigerd als hij reden zag voor weigering. Verweerder heeft dat niet gedaan. De conclusie is dat de ingebrekestelling van 19 januari 2018 geldig is.

Beroep niet tijdig beslissen

14. In de ingebrekestelling van 19 januari 2018 heeft de gemachtigde verweerder een termijn van 14 dagen gegeven om op het bezwaar te beslissen. De uitspraak op bezwaar had dus uiterlijk op 2 februari 2018 gedaan moeten worden. Dit is niet gebeurd en daarom kon de gemachtigde een beroep niet tijdig beslissen indienen op grond van 6:12, tweede lid, van de Awb. Dit beroep is dus ontvankelijk en gegrond.

Dwangsom

15. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet tijdig beslist op het bezwaar. Na de geldige ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17 van de Awb heeft verweerder daarom een dwangsom verbeurd voor elke dag dat hij in gebreke is geweest. Verweerder was vanaf 3 februari 2018 in gebreke tot en met de verzending van de uitspraak op bezwaar op 16 maart 2018. Dit zijn 42 dagen, waarmee het wettelijke maximum is bereikt. De maximale dwangsom van € 1.260 is dus verschuldigd. De rechtbank heeft deze dwangsom daarom toegewezen.

16. Op grond van artikel 4:100 van de Awb is over de dwangsom de wettelijke rente verschuldigd. De ingangsdatum daarvan is 12 mei 2018. De berekening is als volgt. Op grond van artikel 4:18 van de Awb is de uiterste datum voor het vaststellen van de dwangsom veertien dagen na 16 maart 2018, dus 30 maart 2018. De betalingstermijn voor de dwangsom is – naar in Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 48 en 49 wordt aangenomen – zes weken na 30 maart 2018. Dit is 12 mei 2018. Op dat moment is het verzuim als bedoeld in artikel 4:100 van de Awb ingetreden. Daarom heeft de rechtbank de rente over de dwangsom vanaf die datum toegewezen.

17. Verweerder heeft tegen toekenning van de dwangsom aangevoerd dat de gemachtigde erop heeft aangestuurd dat de termijnen voor het doen van uitspraak op bezwaar ongemerkt zouden verstrijken. Volgens verweerder is hij juist coulant geweest in de termijnen, aangezien hij meerdere malen de gemachtigde heeft verzocht een hoorzitting in te plannen, maar daarop door de gemachtigde niet is gereageerd. De rechtbank heeft begrip voor de frustratie van verweerder, juist omdat het beleid is om coulant te zijn met termijnen. Maar gemachtigde gebruikt de mogelijkheden die de wet hem biedt en dat is nu eenmaal toegestaan. Bovendien heeft verweerder van de wetgever al een extra lange beslistermijn gekregen, in dit geval in plaats van zes weken meer dan zes maanden. Daarbij komt dat de vertraging niet alleen aan de gemachtigde te wijten is, maar ook aan verweerder zelf. Tijdens de beslistermijn heeft verweerder immers twee maal vrij lang niets ondernomen (tussen 20 juli 2017 en 9 september 2017 en tussen 19 september 2017 en 30 november 2017). Van misbruik van recht voor toekenning van de dwangsom is daarom geen sprake. Andere gronden om op basis van de stellingen van verweerder af te wijken van de wettelijke regeling over de dwangsom, heeft de rechtbank niet kunnen vinden.

Naheffingsaanslag

18. De rechtbank heeft tijdens de zitting aan de gemachtigde gevraagd of het klopt dat geen gronden zijn gericht tegen de naheffingsaanslag. In reactie daarop heeft de gemachtigde gezegd dat hij een brief van de rechtbank had verwacht om zijn gronden tegen de na het beroep gedane uitspraak op bezwaar te kunnen formuleren. Nu die brief er niet is geweest, heeft hij deze gronden niet schriftelijk ingediend. Hij heeft opgemerkt dat het voor hem lastig is om op de zitting alsnog gronden te formuleren. Hij heeft hiervoor echter geen uitstel gevraagd, zodat de rechtbank er vanuit gaat dat hij de gronden tijdens de zitting voldoende heeft kunnen formuleren. De gemachtigde heeft ter zitting verwezen naar de gronden in bezwaar en hij heeft gesteld dat eiseres nog een kaartje heeft laten kopen door een vriendin bij de juiste automaat. Verder heeft hij aangevoerd dat eiseres de naheffing onredelijk vindt, omdat ze wel had betaald, zij het in de verkeerde zone en dus voor een iets te laag tarief.

19. De rechtbank is het met verweerder eens dat niet geloofwaardig is dat eiseres een kaartje bij de juiste automaat zou hebben laten kopen. Zij had immers juist digitaal parkeerbelasting voldaan. De stelling dat verweerder de naheffingsaanslag parkeerbelasting onbevoegd zou hebben opgelegd, is niet uitgewerkt of onderbouwd. Niet valt in te zien waarom verweerder onbevoegd zou zijn geweest. Ook het beroep op onredelijkheid kan niet tot verlaging van de naheffingsaanslag leiden, omdat de rechtbank de redelijkheid niet kan beoordelen.

20. De stelling van gemachtigde dat eiseres wel had betaald, is voor de rechtbank echter aanleiding de rechtsgronden aan te vullen door aan te nemen dat bedoeld is een beroep op artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) te doen. Uit dit artikel volgt dat verschuldigde belasting die is betaald, niet kan worden nageheven. Eiseres heeft € 1,40 per uur betaald, terwijl zij € 1,60 per uur had moeten betalen. Zij heeft dus € 0,20 per uur te weinig betaald. Omdat bekend is dat eiseres om 19.01 uur is begonnen met parkeren en de aanslag is opgelegd om 20.38 uur, is de naheffingsaanslag opgelegd na iets meer dan 1,5 uur. Op dat moment had eiseres dus ongeveer € 0,30 te weinig parkeerbelasting betaald. Alleen dat bedrag kan op grond van artikel 20 van de AWR worden nageheven. De omstandigheid dat eiseres langer dan een uur parkeerde op een plek waar parkeren alleen is toegestaan voor maximaal een uur, kan niet tot naheffing leiden, omdat deze situatie niet onder artikel 20 van de AWR te brengen is. Op grond van artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet wordt voor 1 uur nageheven, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan één uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan. Hoewel aannemelijk is dat eiseres langer dan 1,5 uur geparkeerd heeft, was dit niet zonder betaling. Daarom kan slechts voor 1 uur, dus € 0,20 worden nageheven. De naheffingsaanslag moet dus worden verlaagd tot € 0,20 voor de parkeerbelasting plus € 61 voor de kosten (op grond van artikel 10 van de Verordening). De stelling uit de bezwaarfase dat de kosten disproportioneel zijn, baat eiseres niet. Verweerder mag deze kosten op grond van de wet in rekening brengen. De kosten zijn wel hoog ten opzichte van het te weinig betaalde bedrag, maar het gaat erom dat de kosten voor controle en opleggen van naheffingsaanslagen hieruit bekostigd moeten worden.

21. Weliswaar heeft de rechtbank tijdens de zitting niet aan verweerder gevraagd te reageren op deze aanvulling van de rechtsgronden, waardoor verweerder wellicht nu wordt verrast. Maar de rechtbank heeft er vanwege proceseconomische redenen voor gekozen de beslissing toch zo te nemen, omdat het beroep toch al gegrond was door de dwangsom en omdat de verlaging van de aanslag een heel klein bedrag betreft. Bovendien hoopt de rechtbank hiermee te voorkomen dat gemachtigde namens eiseres in hoger beroep gaat en op deze grond gelijk krijgt, met de bijbehorende extra proceskostenvergoeding.

22. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn ook de beroepen tegen de dwangsombeschikking en de naheffingsaanslag parkeerbelasting gegrond verklaard.

23. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 750 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de telefonische hoorzitting met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 0,5). Hoewel de wegingsfactor van een zaak als deze in beginsel op 1 dient te worden vastgesteld, is de rechtbank uitgegaan van een wegingsfactor 0,5, omdat verweerder daarom heeft verzocht en de gemachtigde daarmee ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk heeft ingestemd.

24. Omdat het beroep gegrond is, dient verweerder ook het griffierecht van € 46 te vergoeden.

25. Conform het verzoek in het beroepschrift dient verweerder de proceskostenvergoeding, het griffierecht en de dwangsom over te maken op het rekeningnummer van de gemachtigde. De door eiseres gegeven machtiging geeft de gemachtigde namelijk de bevoegdheid deze bedragen aan te nemen.

26. Over het griffierecht en de proceskostenvergoeding is verweerder geen rente verschuldigd. De artikelen 8:74 en 8:75 van de Awb bieden daarvoor geen grondslag. Die bepalingen hebben een exclusief en limitatief karakter en voorzien alleen in de vergoeding van de (nominale) bedragen aan griffierecht en proceskosten, en niet in vergoeding van rente daarover (zie Hoge Raad 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8049 en Centrale Raad van Beroep van 7 juli 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5516).

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van S. Lensink MSc, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.