Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3611

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-08-2018
Datum publicatie
23-10-2018
Zaaknummer
05/820105-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor art. 6 WVW en ovar voor art. 5 WVW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/820105-17

Datum uitspraak : 10 augustus 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1951 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Raadsvrouw: mr. V.W.A.M. van de Port, advocaat te Harderwijk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 juli 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 april 2017 te Puiflijk in de gemeente Druten, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de Noord-Zuid en/of gaande in de richting Nijmegen, daarmee rijdende op de uit twee rijstroken, bestaande weg, de Maas en Waalweg (N322),

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

ter hoogte van de aan die weg (de Maas en Waalweg (N322) gelegen afslag Horssen, niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Maas en Waalweg (N322) en/of

naar rechts heeft gestuurd en/of naar rechts is gegaan en/of geheel of gedeeltelijk in de gezien zijn, verdachtes rijrichting rechter berm van die weg (de Maas en Waalweg (N322) is terecht gekomen en/of

naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of geheel of gedeeltelijk op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer op die weg (de Maas en Waalweg (N322)) is terecht gekomen en/of

in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of

in strijd met het gestelde in artikel 76 lid 1 van voormeld reglement , zich aan de linkerzijde van een ter plaatse op het wegdek tussen de rijstroken van die weg (de Maas en Waalweg (N322)) aangebrachte dubbele doorgetrokken streep, inhoudende: "Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevindt, mag niet worden overschreden en/of bestuurders

mogen zich niet links van en doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen" , heeft bevonden en/of

geheel of gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Maas en Waalweg (N322) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Maas en Waalweg (N322)) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) werd gedood en/of anderen (genaamd [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 22 april 2017 te Puiflijk in de gemeente Druten, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de Noord-Zuid en/of gaande in de richting Nijmegen, daarmee heeft gereden op de uit twee rijstroken, bestaande weg, de Maas en Waalweg (N322) en

ter hoogte van de aan die weg (de Maas en Waalweg (N322) gelegen afslag Horssen, naar rechts heeft gestuurd en/of naar rechts is gegaan en/of geheel of gedeeltelijk in de gezien zijn, verdachtes rijrichting rechter berm van die weg (de Maas en Waalweg (N322) is terecht gekomen en/of

naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of geheel of gedeeltelijk op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer op die weg (de Maas en Waalweg (N322)) is terecht gekomen en/of

in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of

in strijd met het gestelde in artikel 76 lid 1 van voormeld reglement , zich aan de linkerzijde van een ter plaatse op het wegdek tussen de rijstroken van die weg (de Maas en Waalweg (N322)) aangebrachte dubbele doorgetrokken streep, inhoudende: "Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevindt, mag niet worden overschreden en/of bestuurders mogen zich niet links van en doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen" , heeft bevonden en/of

geheel of gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Maas en Waalweg) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Maas en Waalweg(N322)) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 22 april 2017 reed verdachte met zijn auto over de Maas en Waalweg (N322). Hij kwam uit de richting van Druten en reed in de richting van Nijmegen. Ter hoogte van de afslag Horssen raakte het voertuig van verdachte met de rechterwielen in de berm.2 Verdachte reed recht op het “UIT-bord” af dat in de berm tussen de afrit en de hoofdrijbaan staat.3 Verdachte heeft zijn auto vervolgens naar links gestuurd, waarbij hij met zijn auto op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer terecht kwam. Op deze rijstrook kwam het voertuig van verdachte frontaal in aanrijding met het voertuig van [slachtoffer 1] , die als gevolg hiervan kwam te overlijden.4 Zijn zoons [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , die bij hem in de auto zaten, zijn als gevolg van het ongeval ernstig gewond geraakt.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden en dat het ongeval dus aan verdachtes schuld te wijten is.

Verdachte heeft niet of onvoldoende opgelet. Hij heeft zijn voertuig niet goed op de weg gehouden, is teveel naar rechts gereden en (deels) in de berm terecht gekomen. Vervolgens heeft verdachte zijn voertuig bij het bijsturen niet onder controle gehad. Hierdoor kwam hij op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer terecht en er heeft een frontale aanrijding plaatsgevonden als gevolg waarvan [slachtoffer 1] is overleden en zijn zoons [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.

De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op verontschuldigbare onmacht toekomt. Hiertoe is aangevoerd dat het niet aannemelijk is dat verdachte een black out heeft gehad. Verdachte was zich immers bewust van wat er om hem heen gebeurde. Dat blijkt volgens de officier van justitie uit de volgende omstandigheden. Verdachte kan zich de hele dag, tot aan het moment van het ongeval, nog herinneren. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij zag dat hij naar rechts reed, terwijl hij juist rechtdoor richting Nijmegen wilde rijden. Hij was zich er dus van bewust dat hij de afslag niet wilde nemen. Ook heeft hij verklaard dat hij naar links heeft gecorrigeerd. Weliswaar concluderen de door verdachte geconsulteerde neurologen dat een mogelijke wegraking veroorzaakt zou kunnen zijn door ‘post stroke’ epilepsie, maar dat daarvan sprake is geweest is naar het oordeel van de officier van justitie in het licht van het vorenstaande onvoldoende aannemelijk.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd voor de duur van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde. Gelet op de omstandigheden bij het ongeval, het rijgedrag van verdachte, de consistente verklaringen van verdachte, de toestand van verdachte na het ongeval en de medische informatie van de neurologen is het aannemelijk dat er voor en ten tijde van het ongeval sprake was van een epileptische aanval bij verdachte. Niet bewezen kan dan ook worden dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Beoordeling door de rechtbank

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde overweegt de rechtbank als volgt. Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft een andere betekenis dan het begrip schuld dat in het normale spraakgebruik gehanteerd wordt. Schuld komt in beeld, als een verdachte een bepaald gevolg (bijvoorbeeld letsel of de dood) duidelijk niet heeft willen veroorzaken, maar hem dat gevolg toch verweten kan worden, omdat hij anders had kunnen en moeten handelen.

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is vereist dat het rijgedrag van verdachte zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam is geweest. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van de gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Het uiteindelijke gevolg van de gedragingen van de verdachte weegt niet mee bij deze beoordeling. Hoe ernstig de gevolgen ook zijn, de schuld moet beoordeeld worden zonder het uiteindelijke gevolg daarin mee te wegen.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto niet zoveel mogelijk rechts gehouden en is met zijn auto in de rechterberm terecht gekomen. Hierna heeft hij naar links gestuurd, is hij over de dubbel doorgetrokken streep heen gereden en op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer terecht gekomen. Op deze weghelft is hij vervolgens frontaal in botsing gekomen met een tegemoetkomende personenauto. Naar het oordeel van de rechtbank kan zulk rijgedrag in beginsel tot de conclusie leiden dat verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeluk aan zijn schuld (zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994) te wijten is. Dat kan echter anders zijn indien feiten en omstandigheden zijn aangevoerd en aannemelijk zijn geworden waaruit volgt dat van zodanige schuld niet kan worden gesproken. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde.

Door de verdediging is hier een beroep op gedaan. Voor het honoreren van een beroep op verontschuldigbare onmacht is vereist dat verdachte aannemelijk maakt dat hij buiten zijn eigen schuld in een toestand is geraakt waarin hij lichamelijk of geestelijk niet in staat was naar behoren te functioneren.

Verdachte stelt dat hij zich de hele dag kan herinneren tot het moment vlak voor het ongeval. Van het ongeval zelf kan hij zich niets herinneren. Verdachte heeft verklaard dat hij ter hoogte van de afslag Druten/Horssen onbewust het gevoel had dat zijn auto naar rechts reed en dacht ‘hé, ik moet terug sturen naar links om rechtdoor te blijven rijden’. Verdachte wilde niet de afslag nemen richting Druten of Horssen, maar wilde rechtdoor blijven rijden richting Nijmegen om vervolgens de afslag Deest te nemen. Hij corrigeerde dus naar links. Verdachte heeft verder verklaard dat hij geen “UIT-bord” heeft gezien. Hij kan zich ook niet meer herinneren dat hij bomen langs de weg heeft zien staan en heeft niet in de verte een viaduct waargenomen. Verdachte weet alleen dat hij op het moment van het ongeval niet bij bewustzijn was. Het eerste wat hij zich weer kan herinneren, na het ongeluk, is dat hij de lucht zag en het plafond van de ambulance.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit deze verklaring van verdachte niet volgt dat verdachte zich bewust moet zijn geweest van zijn omgeving. Integendeel, verdachte heeft zelf verklaard dat hij onbewust het gevoel dat dat zijn auto naar rechts ging. Ook uit zijn verklaring dat hij de afslag Druten/Horssen niet wilde nemen, maar rechtdoor wilde blijven rijden richting de afslag Deest volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij zich hiervan op dat moment daadwerkelijk bewust was. Verdachte reed namelijk regelmatig over deze weg en wist dus dat hij de afslag Deest moest nemen om naar huis te gaan. Bovendien was hem de informatie over de plek en de omstandigheden rond het ongeval aan het begin van het zakelijk verhoor medegedeeld door de verbalisant.

De verklaring van verdachte, dat hij ten tijde van het ongeval niet bij bewustzijn was, wordt ondersteund door medische informatie die door de verdediging is overgelegd. Uit de stukken van de neurologen volgt namelijk het volgende. De neurologen schrijven dat de wegraking voorafgaand aan het ongeval, vanwege urine-incontinentie, een wisselend neurologisch beeld en mogelijke post-ictale verwardheid, kan passen bij een epileptische aanval. De MRI-scan toont, kortgezegd, een herseninfarct aan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat dit infarct naar het oordeel van de neurologen waarschijnlijk jaren geleden al heeft plaatsgevonden. De neurologen concluderen in hun brief van 28 september 2017 dat de wegraking, gezien het herseninfarct met corticale betrokkenheid, het meest waarschijnlijk veroorzaakt zou kunnen zijn door post-stroke epilepsie.

Verdachte heeft in het verleden twee keer eerder te maken gehad met een wegraking. Door de neurologen is ten aanzien van deze eerdere wegrakingen opgemerkt dat in deze gevallen waarschijnlijk sprake was van flauwvallen door een afname in de bloedstroom. Dit is dus een heel andere oorzaak dan die van de derde wegraking voorafgaand aan het ongeval, namelijk een epileptische aanval. Het was voor verdachte – die niet bekend was met epilepsie – dan ook niet voorzienbaar dat hij een dergelijke aanval zou krijgen. Om die reden kan verdachte niet verantwoordelijk worden gehouden voor de wegraking en kan het verdachte tevens niet worden verweten dat hij zijn voertuig korte tijd niet onder controle had.

Gelet op al het vorenstaande, en omdat verdachte ook anderszins geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij is weggeraakt, is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan dat verdachte schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft gehad aan het verkeersongeval waarbij [slachtoffer 1] is komen te overlijden en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. De rechtbank acht het bestanddeel ‘schuld’ niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de feiten die hiervoor reeds zijn vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van verdachte gevaar op de weg hebben veroorzaakt. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze delictsomschrijving bevat geen schuldbestanddeel en verontschuldigbare onmacht staat daarom aan een bewezenverklaring niet in de weg. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de vrijspraak van het primair tenlastegelegde is de rechtbank echter van oordeel dat er voor wat betreft het gekwalificeerde sprake is van afwezigheid van alle schuld (in de vorm van verontschuldigbare onmacht). Dit betekent dat verdachte geen verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank zal verdachte daarom ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde ontslaan van alle rechtsvervolging.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 22 april 2017 te Puiflijk in de gemeente Druten, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de Noord-Zuid en/of gaande in de richting Nijmegen, daarmee heeft gereden op de uit twee rijstroken bestaande weg, de Maas en Waalweg (N322) en

ter hoogte van de aan die weg (de Maas en Waalweg (N322)) gelegen afslag Horssen, naar rechts heeft gestuurd en/of naar rechts is gegaan en/of geheel of gedeeltelijk in de gezien zijn, verdachtes rijrichting rechter berm van die weg (de Maas en Waalweg (N322)) is terecht gekomen en/of

naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of geheel of gedeeltelijk op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer op die weg (de Maas en Waalweg (N322)) is terecht gekomen en/of

in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of

in strijd met het gestelde in artikel 76 lid 1 van voormeld reglement, zich aan de linkerzijde van een ter plaatse op het wegdek tussen de rijstroken van die weg (de Maas en Waalweg (N322)) aangebrachte dubbele doorgetrokken streep, inhoudende: "Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevindt, mag niet worden overschreden en/of bestuurders mogen zich niet links van en doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen", heeft bevonden en/of

geheel of gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Maas en Waalweg) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Maas en Waalweg (N322)) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de overtreding:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Zoals de rechtbank hiervoor onder punt 2 reeds heeft overwogen is verdachte niet strafbaar, omdat is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde feit van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. J.M. Hamaker en mr. J.H. Steverink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Warringa en mr. A. van de Vendel, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 augustus 2018.

mr. Y.H.M. Marijs en mr. J.H. Steverink zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten [naam 1] en [naam 2] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017182906, gesloten op 10 november 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 39.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 70.

4 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 39-40; proces-verbaal van verhoor getuige, p. 70.

5 Geneeskundige verklaringen, p. 49, 51.