Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3531

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-08-2018
Datum publicatie
13-08-2018
Zaaknummer
05/740222-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontuchtige handelingen met minderjarigen en kinderporno.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0645
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/740222-18

Datum uitspraak : 13 augustus 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1975 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres 1] ,

thans gedetineerd te P.I. HvB Grave (Unit A + B) te Grave,

raadsvrouw: mr. C.R. Pirone, advocaat te Tilburg.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 juli 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot 1 maart 2018 te Zutphen, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van 12 jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten: - het brengen van zijn penis in haar vagina, in ieder geval tussen haar schaamlippen; - het zich door haar laten aftrekken en/of laten betasten aan zijn penis, en/of - het ejaculeren op haar lichaam;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot 1 maart 2018 te Zutphen, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten: - het brengen van zijn penis tegen haar vagina; - het zich door haar laten aftrekken en/of laten betasten aan zijn penis, en/of - het ejaculeren op haar lichaam;

2.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 31 januari 2018 te Zutphen, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten - het betasten van de billen en/of de borsten van die [slachtoffer 2] ; - het liggen op die [slachtoffer 2] ; - het kussen van die [slachtoffer 2] op haar mond, en/of - het aan die [slachtoffer 2] tonen van zijn geslachtsdeel;

3.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 29 november 2016 tot en met 24 april 2018 te Zutphen, een aantal afbeeldingen/multimediafiles (filmpjes) van (telkens) (een) seksuele gedraging(en) waarbij een persoon was betrokken die de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, danwel één of meer gegevensdragers bevattende die afbeeldingen/

multimediafiles (PC), in zijn bezit heeft gehad en/of één of meerdere van die afbeelding(en)/

multimediafile(s) heeft vervaardigd en/of verworven, welke afgebeelde seksuele gedraging(en) in algemene zin (telkens) heeft/hebben bestaan uit de geheel en/of gedeeltelijk naakt poserende

minderjarige [slachtoffer 1] , geboortedatum [geboortedatum 2] , terwijl zij naakt poseert en/of seksueel contact heeft met verdachte (waarbij hij haar vagina lijkt te penetreren met zijn penis) en waarbij de afbeeldingen (aldus) telkens een onmiskenbaar seksuele strekking hebben en/of strekken tot seksuele prikkeling);

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 primair, feit 2 en feit 3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw refereert zich met betrekking tot de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen ten aanzien van de feit 1 primair:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 52 tot en met 66;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 juli 2018;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 225 tot en met 228;

- het proces-verbaal van bevindingen p. 201 tot en met 210.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 81 tot en met 107;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 juli 2018;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 233 tot en met 239.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 201 tot en met 210;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 242 tot en met 244;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 juli 2018.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Primair

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot 1 maart 2018 te Zutphen, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van 12 jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten:

- het brengen van zijn penis in haar vagina, in ieder geval tussen haar schaamlippen;

- het zich door haar laten aftrekken en/of laten betasten aan zijn penis, en/of

- het ejaculeren op haar lichaam;

2.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 31 januari 2018 te Zutphen, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het betasten van de billen en/of de borsten van die [slachtoffer 2] ;

- het liggen op die [slachtoffer 2] ;

- het kussen van die [slachtoffer 2] op haar mond, en/of

- het aan die [slachtoffer 2] tonen van zijn geslachtsdeel;

3.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 29 november 2016 tot en met 24 april 2018 te Zutphen, een aantal afbeeldingen/multimediafiles (filmpjes) van (telkens) (een) seksuele gedraging(en) waarbij een persoon was betrokken die de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, dan wel één of meer gegevensdragers bevattende die afbeeldingen/

multimediafiles (PC), in zijn bezit heeft gehad en/of één of meerdere van die afbeelding(en)/

multimediafile(s) heeft vervaardigd en/of verworven, welke afgebeelde seksuele gedraging(en) in algemene zin (telkens) heeft/hebben bestaan uit de geheel en/of gedeeltelijk naakt poserende

minderjarige [slachtoffer 1] , geboortedatum [geboortedatum 2] , terwijl zij naakt poseert en/of seksueel contact heeft met verdachte (waarbij hij haar vagina lijkt te penetreren met zijn penis) en waarbij de afbeeldingen (aldus) telkens een onmiskenbaar seksuele strekking hebben en/of strekken tot seksuele prikkeling).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 3:

Een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die de leeftijd van achttien jaar nog niet het bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd

en

Het vervaardigen van een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die de leeftijd van achttien jaar nog niet het bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achtenveertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en oplegging van de bijzondere voorwaarden als door de reclassering geformuleerd. Verder heeft de officier van justitie gevorderd de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de strafeis van de officier van justitie dient te worden gematigd. De raadsvrouw is van mening dat er bij de op te leggen straf meer rekening dient te worden gehouden met strafoplegging in soortgelijke zaken. Zij heeft hierbij gewezen op een aantal uitspraken. Daarnaast is zij van mening dat aan de op te leggen voorwaarden een kortere proeftijd dient te worden opgelegd dan geëist.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft twee jonge meisjes, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , seksueel misbruikt. De meisjes waren vriendinnetjes van zijn dochter. Het misbruik van [slachtoffer 1] begon toen zijn 10 jaar oud was en heeft anderhalf jaar geduurd. Verdachte is manipulatief en berekenend te werk gegaan. Hij heeft meermalen situaties gecreëerd met de vooropgezette bedoeling seks te hebben met [slachtoffer 1] en hij heeft daar vervolgens opnames van gemaakt. Daarnaast heeft verdachte zich opgedrongen aan het slachtoffer [slachtoffer 2] en haar seksueel benaderd, omdat hij haar een mooi en lief meisje vond. Verdachte was onstuitbaar; ook op een moment waarop zijn zoon hem met [slachtoffer 2] betrapte, is hij doorgegaan met het misbruik. Verdachte is grenzen overgegaan die hij nooit had mogen overgaan. De enige verklaring die verdachte hiervoor heeft gegeven is dat hij nieuwsgierig was naar seks met kinderen. Verdachte heeft hierbij op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen van het misbruik op de (seksuele) ontwikkeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en zich alleen laten leiden door zijn eigen behoeftes. Hij heeft het vertrouwen dat de meisjes in hem mochten hebben op zeer ernstige wijze beschaamd. Daarbij heeft hij zich geen enkel moment afgevraagd welke invloed het misbruik van de vriendinnetjes van zijn dochter zou kunnen hebben op zijn dochter. Ook haar vertrouwen heeft hij beschaamd. Verder rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij niet uit zichzelf met het misbruik is gestopt, ook al wist hij dat hij fout bezig was. Het zijn [slachtoffer 2] en de dochter van verdachte geweest, die op school aan de bel hebben getrokken, waardoor bekend werd wat verdachte had gedaan.

De rechtbank weegt mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

In het rapport van het psychologisch onderzoek van [naam 1] is vermeld dat verdachte, eerst op het moment dat hem gevraagd wordt wat voor een effect zijn handelen op de meisjes heeft gehad, aangeeft dat hij zich zorgen over hen maakt. Tot dat moment heeft hij op geen enkele wijze aangegeven zich zorgen te maken over de slachtoffers. Verdachte heeft aangegeven dat de ten laste gelegde feiten te maken hadden met een soort nieuwsgierigheid. Het feit dat verdachte grensoverschrijdend gedrag bij [slachtoffer 1] voor langere tijd gecontinueerd heeft en het feit dat verdachte daarna met [slachtoffer 1] [slachtoffer 2] opnieuw grensoverschrijdend gedrag heeft laten zien, wijst er volgens de psycholoog op dat er sprake is van iets anders dan nieuwsgierigheid en veronderstelt pedofiele belangstelling. Het gedrag van verdachte rechtvaardigt het stellen van de diagnose pedofiele stoornis. Vanwege die stoornis kan worden gesteld dat er een verband is met het plegen van het ten laste gelegde. Het lijkt erop dat deze pedofiele stoornis zich pas de afgelopen jaren voor het eerst gemanifesteerd heeft.

Het recidiverisico voor soortgelijke feiten kan op korte termijn als laag ingeschat worden. Op wat meer langere termijn lijkt het recidiverisico als laag tot matig ingeschat te moeten worden. De toekomstige opstelling van verdachte met betrekking tot zijn pedofiele gedrag en het effect van een behandeling zal daarbij een rol spelen. Een beschermende factor is dat de vrouw van verdachte duidelijk heeft gemaakt dat hernieuwd pedofiel gedrag van verdachte in de toekomst onherroepelijk zal leiden tot een scheiding. Ook schuld- en schaamtegevoelens van verdachte en de opstelling van zijn familie en gezin kan helpen om het recidiverisico laag te houden. Rapporteur adviseert om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Verdachte was zich wel bewust van het onrechtmatige van zijn handelen, maar hij slaagde er niet in om af te zien van de seksuele contacten met de vriendinnen van zijn dochter. Rapporteur adviseert een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek en begeleiding.

De reclassering heeft op 25 juli 2018 en rapport over verdachte uitgebracht. Verdachte wil meewerken aan behandeling, maar kan zich nog niet neerleggen bij de gestelde diagnose van pedofiele stoornis. Verder valt op dat hij slechts beperkt zijn verantwoordelijkheid neemt voor wat hij gedaan heeft, waarbij hij een deel van de verantwoordelijkheid bij één van de slachtoffers legt. Hiermee neemt hij een externaliserende houding aan.

Er is bij verdachte een laag risico op recidive op korte termijn en een laag gemiddeld risico op langere termijn. Het werken aan gedragsverandering door middel van een behandeling zal van invloed zijn op de eventuele vermindering van de kans op recidive. Verdachte is gemotiveerd om een behandeling te volgen. Er is sprake van beperkt probleem- en ziektebesef en daarom is het geïndiceerd om deze behandeling op te nemen als bijzondere voorwaarde, gekoppeld aan een toezicht bij Reclassering Nederland met een ruime proeftijd. De proeftijd met bijzondere voorwaarden en een voorwaardelijk strafdeel vormen een stok achter de deur voor verdachte om zich te blijven conformeren aan de ingezette behandeling en om op die manier te komen tot een vermindering van de kans op recidive en de kans op letselschade. De reclassering adviseert een meldplicht, een ambulante behandeling (forensische behandelinstelling), een contactverbod en vermijden van kinderporno.

Alles overwegende komt de rechtbank tot oplegging van de door de officier van justitie geëiste straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van achtenveertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren. Voor oplegging van een onvoorwaardelijk strafdeel van kortere duur, zoals de raadsvrouw heeft bepleit, ziet de rechtbank vanwege de ernst van de feiten geen aanleiding. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de lange periode van het misbruik en de zeer jonge leeftijd van de slachtoffers. Voor oplegging van een proeftijd van kortere duur zoals bepleit door de raadsvrouw, ziet de rechtbank evenmin aanleiding omdat juist bij dit soort delicten het van belang is het gedrag van verdachte gedurende langere tijd te monitoren. Het is aan de reclassering om te beoordelen hoe lang en intensief de begeleiding en het toezicht moeten duren. De rechtbank is van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en deze proeftijd nodig is om dit risico voldoende terug te dringen.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank verder de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en zijn blanco strafblad meegewogen.

De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en zij zal deze, om de hierboven bedoelde reden ook dadelijk uitvoerbaar verklaren. Gelet op de feiten waaraan verdachte schuldig is bevonden en hetgeen door de psycholoog en de reclassering is gerapporteerd over het risico op herhaling, is de rechtbank van oordeel dat aan de wettelijke voorwaarden daarvoor wordt voldaan.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] , vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordiger [naam 2] , heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van

€ 10.104,70, bestaande uit € 10.000,- immateriële schade (smartengeld) en € 104,70 materiële schade (reiskosten, parkeerkosten en reiskosten voor de behandeling in hoger beroep) te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] geheel zal toewijzen vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede dat de rechtbank aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit tot matiging van de immateriële schade van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . Er is aansluiting gezocht bij zaken die niet overeenkomen met deze zaak. De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de materiële schade.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het onder feit 1 en feit 3 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 68,92, zijnde reiskosten en parkeerkosten. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2016. De reiskosten die betrekking hebben op een eventuele behandeling in hoger beroep zijn nog niet gemaakte kosten die in deze procedure niet kunnen worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor dat deel van de vordering.

Verder is vast komen te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het onder feit 1 en feit 3 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.

De begroting van immateriële schade is voorbehouden aan de rechtbank en de rechtbank zal de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid bepalen op € 5.000,- waarbij zij in het bijzonder heeft gelet op het volgende:

- het slachtoffer is gedurende een periode van anderhalf jaar meermalen ernstig aangetast in haar lichamelijke integriteit;

- het slachtoffer was nog jong.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2016. Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank tevens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] , vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordiger [naam 3] , heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.546,25, bestaande uit € 1.500,- immateriële schade (smartengeld), € 46,25 materiële schade (reiskosten) en een p.m.-post waaraan geen bedrag is verbonden te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] zal toewijzen tot een bedrag van € 1.546,25 vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede dat de rechtbank aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit tot matiging van de immateriële schade van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de materiële schade.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het onder feit 2 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 46,25 zijnde reiskosten. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2017. De rechtbank zal de vordering met betrekking tot de gederfde inkomsten niet-ontvankelijk verklaren, nu dat deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het onder feit 2 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 1.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2017 voor immateriële schade redelijk en billijk en zal dit bedrag toewijzen.

7b. De beoordeling van het beslag

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen computer aan het verkeer dient te worden onttrokken, nu het bewezenverklaarde feit met dit voorwerp is begaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangegeven dat zij zich met betrekking tot het inbeslaggenomen goed refereert aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is, met de officier van justitie van oordeel dat de inbeslaggenomen, niet teruggegeven computer dient te worden onttrokken aan het verkeer. Het betreft een computer waarop afbeeldingen en filmpjes staan van kinderpornografische aard. Het bewezenverklaarde feit is met betrekking tot dit voorwerp begaan, terwijl het ongecontroleerde bezit van dat voorwerp in strijd is met de wet of het algemeen belang omdat dit voorwerp nog steeds kinderpornografisch materiaal bevat.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36b, 33c, 57, 240b, 244 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van achtenveertig maanden;

● bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot zes maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op vijf jaren wordt bepaald;

 stelt de algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- zich ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal

verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als

bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden

toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de

medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 stelt de bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich uiterlijk achtenveertig uur na het einde van zijn detentie zal melden bij de reclassering. Daarna dient hij zich op afspraak zo vaak bij de reclassering te melden als deze instelling dat nodig vindt;

- dient mee te werken aan behandeling door een forensisch behandelinstelling, aan te wijzen door de reclassering. De behandeling start zo snel mogelijk na de detentie en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

- geen direct contact en geen indirect contact (post, mail, telefoon, sociale media) mag hebben met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] , [adres 2] , en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] , [adres 3] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod, nodig vindt. De politie zal toezicht houden op handhaving van dit contactverbod;

- zich onthoudt van seksueel getint communiceren met minderjarigen;

- zich onthoudt van gedrag dat is gericht op een digitale omgeving waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen;

- zich onthoudt van gedrag dat is gericht op een digitale omgeving waarin over seksuele handelingen waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd.

De rechtbank geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht

op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden (behoudens het contactverbod) en

verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

De rechtbank beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op

grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, uit te oefenen

toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze

uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de

opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een computer, kleur zwart;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

● veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 en feit 3 tot betaling van schadevergoeding

aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 5.068,92, vermeerderd

met de wettelijke rente vanaf 1 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening

en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de

benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 5.068,92, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 60 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

● veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 4 tot betaling van schadevergoeding aan de

benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 1.546,25, vermeerderd met de

wettelijke rente vanaf 1 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met

betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij

gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 1.546,25, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 25 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. J.A.P. Bakker en mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van E.I. van Aalst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 augustus 2018.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [naam 4] , brigadier van de politie-eenheid Oost-Nederland, district Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018154794-44, gesloten op 19 juni 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.