Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3497

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
05/96.074389.18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Termijnoverschrijding bij bloedonderzoek artikel 8 WVW. Onherstelbaar vormverzuim. Geen schending strikte waarborgen, geen bewijsuitsluiting maar strafvermindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2018/NaN met annotatie van Hulst, J.W. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/96.074389.18

Datum uitspraak : 07 augustus 2018

Tegenspraak

schriftelijk vonnis van de politierechter

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres]

.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juli 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 11 augustus 2017, te Rumpt, gemeente Geldermalsen, een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegensverkeerwet 1994, te weten

amfetamine en/of cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 130 microgram amfetamine per liter bloed en/of 1,1 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 11 augustus 2017, te Rumpt als bestuurder van een voertuig (personenauto), voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten drugs, (amfetamine en/of cannabis), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan, -al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kan verminder, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat was.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Termijnoverschrijding bloedafname, onherstelbaar vormverzuim

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, kort gezegd, het feit dat bij verdachte niet binnen de termijn van anderhalf uur, zoals opgenomen in artikel 12, derde lid van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (Besluit van 14 december 2016, Stb, 2016, 529, geldend ten tijde van de verdenking; hierna: het Besluit) bloed voor bloedonderzoek is afgenomen, niet dient te leiden tot uitsluiting van de resultaten van dat onderzoek voor het bewijs en dat volstaan kan worden met de constatering dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.

De politierechter overweegt als volgt.

Naar aanleiding van een melding over gevaarlijk rijgedrag trof de politie de bewuste auto aan op een parkeerplaats. Verbalisanten troffen de bestuurder liggend aan op de voorstoel en zagen een half opgerookte jont in het middenconsole. De bestuurder van het voertuig maakte drukke en ongecontroleerde bewegingen met zijn lichaam en verklaarde die nacht drugs te hebben gebruikt. Na onderzoek werd verdachte aangemerkt als bestuurder en werd hij omstreeks 16:45 uur aangehouden wegens verdenking van het rijden onder invloed van drugs.

Verbalisanten vorderden verdachte omstreeks 16:45 uur mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Hij blies een P. Verdachte gaf toestemming voor een bloedonderzoek. Om 20:50 uur werd bloed afgenomen.

Verbalisanten verklaren dat de bloedafname meer dan 90 minuten na de staandehouding heeft plaatsgevonden omdat de arts verhinderd was en niet eerder kon komen. Aanvullend verklaren verbalisanten dat niet bekend is waarom de arts te laat was.

Artikel 12 lid 3 Besluit bepaalt dat de bloedafname geschiedt uiterlijk binnen anderhalf uur nadat verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek als bedoeld in artikel 4 (onderzoek psychomotorische functies en oog- en spraakfuncties) of 8 (speekseltest) of, indien die vordering niet is gedaan, het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en verdachte dat aanleiding was om verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. Van die termijn kan alleen afgeweken worden indien sprake is van bijzondere omstandigheden, aldus het Besluit.

De politierechter stelt op grond van het procesdossier vast dat de mededeling van verdachte dat hij die avond drugs had gebruikt, aanleiding is geweest voor de vraag aan verdachte om zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. Dit betekent dat 16.45 uur het relevante tijdstip is voor aanvang van de termijn voor de bloedafname. Gelet op het tijdstip van bloedafname (20.50 uur), betekent dit dat de bloedafname ruim 2,5 uur te laat heeft plaatsgevonden. De vraag is vervolgens of deze termijnoverschrijding gevolgen heeft en zo ja welke.

In de Nota van toelichting (Nota) op het Besluit is ter verduidelijking van het begrip “bijzondere omstandigheden” het volgende opgenomen:

Uiterlijk binnen anderhalf uur na het moment waarop de verdachte is gevorderd om mee te werken ...., moet van hem bloed worden afgenomen. Na die termijn mag geen bloed meer van hem worden afgenomen en gaat hij vrijuit, tenzij er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Een voorbeeld van een dergelijke omstandigheid is de situatie dat de verdachte ernstige verwondingen heeft opgelopen bij een verkeersongeval en een arts oordeelt dat bij hem tijdelijk geen bloed kan worden afgenomen omdat hij zo snel mogelijk moet worden behandeld. Een bijzondere omstandigheid kan ook zijn dat een arts of verpleegkundige buiten zijn toedoen, bijvoorbeeld omdat hij opgeroepen wordt voor het verrichten van een levensreddende handeling, niet op tijd beschikbaar is. Het enkele feit dat een arts of verpleegkundige tegen de met hem door de politie gemaakte afspraken niet aanwezig is om bloed af te nemen, maakt van die omstandigheid echter geen bijzondere omstandigheid. In het geval waarin de bloedafname bij de verdachte meer dan anderhalf uur na aanvang van de hiervoor genoemde termijn heeft plaatsgevonden, is het van belang dat de bijzondere omstandigheid die daaraan ten grondslag heeft gelegen, in het proces-verbaal wordt opgenomen opdat naderhand kan worden getoetst of inderdaad daarvan sprake is geweest.”.

De politierechter is van oordeel dat het procesdossier onvoldoende concrete informatie bevat over de reden van de termijnoverschrijding. Niet vermeld is immers om welke reden de arts verhinderd was en niet eerder kon komen, zodat evenmin kan worden vastgesteld of dit dan een bijzondere omstandigheid als bedoeld in de Nota oplevert. De termijnoverschrijding in deze zaak kan dus niet gerechtvaardigd worden.

Dit betekent dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. De Wegenverkeerswet en het Besluit houden niets in met betrekking tot de gevolgen van de overschrijding van die termijn.

Gevolgen onherstelbaar vormverzuim: geen bewijsuitsluiting, wel strafvermindering

De politierechter is van oordeel dat met de vaststelling dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim niet kan worden volstaan. Voor dat oordeel is het volgende van belang.

Hoewel de passage in het Besluit “Na die termijn mag geen bloed meer van hem worden afgenomen en gaat hij vrijuit (…)” een verbod lijkt in te houden om na 90 minuten nog bloed af te nemen, gaat de politierechter niet van een dergelijk vergaande uitleg uit. Het begrip “bijzondere omstandigheden” is immers niet gedefinieerd in de Nota, de daar genoemde gevallen betreffen geen limitatieve opsomming en blijkens de Nota dienen de bijzondere omstandigheden achteraf te worden getoetst. Verder: de woorden “vrijuit gaan” lijken veeleer terug te grijpen op het vrijuit gaan doordat door tijdsverloop de concentratie werkzame stof van de drug onder de grenswaarde is gezakt (zie de Nota, p. 25, 3e alinea en p. 26, 2e alinea) dan te impliceren dat een verdachte moet worden “losgelaten” na ommekomst van de anderhalf uur of niet meer vervolgd kan worden.

Verder: volgens vaste rechtspraak is van "een onderzoek" als bedoeld in artikel 8 WVW slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd (ECLI:NL:HR:2012:BW6206). De vraag is of de termijn van anderhalf uur onderdeel uitmaakt van het stelsel van strikte waarborgen waarmee het bloedonderzoek is omgeven. Is een dergelijke waarborg niet nageleefd, dan mag de uitkomst van het bloedonderzoek niet voor het bewijs gebruikt worden; artikel 359a Sv is in dat geval niet van toepassing.

Er moet volgens vaste rechtspraak onderscheid worden gemaakt tussen voorschriften die behoren tot de procedure strekkend tot een onderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW enerzijds en voorschriften met betrekking tot het daar bedoelde onderzoek als zodanig (het stelsel van strikte waarborgen) anderzijds (ECLI:NL:HR:2014:3616; ECLI:NL:HR:2015:2502).

De politierechter is van oordeel dat de termijn van anderhalf uur wel hoort tot de procedure strekkende tot een onderzoek van het afgenomen bloed, maar niet tot de voorschriften met betrekking tot het in artikel 8 WVW bedoelde bloedonderzoek zelf. De termijn van anderhalf uur vormt dus geen onderdeel van het stelsel van strikte waarborgen waarmee dat bloedonderzoek is omgeven.

Anders is dit bij het ademonderzoek; daar gaat het wel om een strikte waarborg. De 20-minutentermijn bij het ademonderzoek dient immers te voorkomen dat nog aanwezige resten mondalcohol het resultaat van de ademanalyse beïnvloeden: te vroeg blazen kan om die reden een vals-positief en dus onbetrouwbaar resultaat opleveren.

Het buiten de termijn van anderhalf uur afnemen van bloed tast echter niet de juistheid van de resultaten van het onderzoek als zodanig aan. Het feit dat een lagere concentratie wordt gemeten als gevolg van het op een later tijdstip afnemen van bloed, staat immers los van de vraag of het onderzoek aan dat bloed als zodanig juist en op betrouwbare wijze is uitgevoerd.

Uit de slotzin van artikel 12 lid 3 Besluit volgt verder dat de termijn van anderhalf uur niet geldt als het onderzoek alleen plaatsvindt om de hoeveelheid alcohol vast te stellen. In tegenstelling tot drugs en geneesmiddelen breekt alcohol volgens een vast patroon af, kan dit na vele uren nog aantoonbaar zijn en kan de hoeveelheid alcohol teruggerekend worden. Dit geeft steun aan de uitleg dat het voorschrift van bloedafname binnen anderhalf uur ertoe strekt te waarborgen dat voortvarend wordt gehandeld zodat kostbare (opsporings- en onderzoeks-)tijd en capaciteit alleen wordt besteed aan mensen die naar verwachting vervolgd kunnen worden en verdachten zo kort mogelijk en zo min mogelijk hun vrijheid wordt ontnomen. Geen van de redenen die de wetgever heeft gebracht tot het stellen van de termijn van anderhalf uur (samengevat: 1. voorkomen onderzoek in dan niet meer bewijsbare zaken, 2. voorkomen onnodig ophouden verdachte) ziet dus op de juistheid en betrouwbaarheid van het bloedonderzoek (en daarmee de juistheid van het resultaat) als zodanig.

De termijn maakt naar het oordeel van de politierechter daarom geen onderdeel uit van het hiervoor vermelde stelsel van strikte waarborgen. Dit betekent dat aan de hand van artikel 359a Sv bepaald dient te worden of en zo ja aan het vormverzuim rechtsgevolgen moeten worden verbonden.

In dat verband wordt overwogen dat de wetgever voor een termijn van anderhalf uur heeft gekozen omdat de werkzame stof van een bewustzijnsbeïnvloedend middel steeds meer in het bloed afbreekt naarmate de tijd verstrijkt. Daardoor wordt het risico groter dat de bestuurder tegen wie op grond van artikel 4 en/of 8 van het Besluit een verdenking van drugsgebruik is gerezen vrijuit gaat; niet omdat hij niet boven de grenswaarde aan het verkeer deelnam, maar alleen omdat door het verstrijken van de tijd de concentratie (die ieder half uur halveert) van de werkzame stof van die drug onder de grenswaarde is gekomen. Vanuit oogpunt van verkeersveiligheid is dit ongewenst. Dat nadeel kent bovendien als keerzijden dat achteraf bezien, de bestuurder onnodig zijn vrijheid is ontnomen en de betrokken opsporingsambtenaar en arts of verpleegkundige onnodig inspanningen hebben geleverd.

Naar het oordeel van de politierechter is een niet-ontvankelijkverklaring niet aan de orde. Gelet op het belang van het geschonden voorschrift (het beperken van onnodig verlies van (opsporings- en onderzoeks-)capaciteit van politie en artsen enerzijds en anderzijds achteraf het onnodig vrijheid ontnemen aan verdachten), de ernst van het verzuim (de mate van termijnoverschrijding) en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt (gevolgen voor verdachte), ziet de politierechter geen reden om op grond van artikel 359a Sv de resultaten van het bloedonderzoek vanwege de termijnoverschrijding uit te sluiten van het bewijs. Het belang van verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, kan niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang. Wel ziet de politierechter bij bewezenverklaring aanleiding voor strafvermindering omdat verdachte tegen de bedoeling van de betreffende bepaling van het Besluit in, fors langer (2,5 uur) dan nodig was op het politiebureau is opgehouden voor (bloed)onderzoek.

Bewijsmiddelen 1

Getuige [getuige]2 verklaarde dat hij op vrijdag 11 augustus 2017, omstreeks 16:00 uur, op de autosnelweg A15 reed. Hem viel een personenauto [merk] met kenteken [kenteken] op. De bestuurder van die auto ging behoorlijk slingerend over de weg. Hij zag dat het bijna mis ging en dat de auto met een ander motorvoertuig in botsing kwam. De [merk] ging ineens op de vluchtstrook ging rijden en reed toen weer de snelweg op. De bestuurder deed dit behoorlijk ongecontroleerd en veroorzaakte toen bijna weer een aanrijding. De bestuurder van de [merk] kreeg bijna een aanrijding met een vrachtwagen. Getuige keek in de auto en zag dat er een (1) persoon in de auto zat. Het viel hem op dat de bestuurder erg grote ogen had. Getuige heeft toen de politie gebeld.

Verbalisanten troffen verdachte kort na de melding aan bij een tankstation in Rumpt langs de A153. Na het bekijken van camerabeelden van het tankstation stelden zij vast dat verdachte de auto bestuurde.4

Het hiervoor beschreven politieonderzoek leidde tot de afname van bloed bij verdachte. Door het NFI is gerapporteerd dat de hoeveelheid THC (cannabis) 1,1 microgram per liter bloed bedraagt en de hoeveelheid amfetamine 130 microgram per liter bloed. De grenswaarden van deze stoffen liggen indien in combinatie gebruikt op 1,0 microgram per liter respectievelijk 25 microgram per liter bloed 5.

De politierechter overweegt dat het dossier geen enkele aanwijzing bevat dat het bloedonderzoek zelf niet op de juiste wijze is uitgevoerd; de juistheid van het resultaat van het onderzoek is dus gewaarborgd.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de auto bestuurd heeft. Hij had GHB en amfetamine gebruikt en geblowd. Dit had hij voor het laatst die ochtend rond 05.00 of 06.00

uur gedaan. Hij wist dat hij niet mocht rijden omdat hij die nacht nog gebruikt had6.

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen acht de politierechter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte onder invloed van een strafbare hoeveelheid amfetamine en cannabis een auto heeft bestuurd, zoals primair ten laste gelegd.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de politierechter is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij, op of omstreeks 11 augustus 2017, te Rumpt, gemeente Geldermalsen, een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerwet 1994, te weten

amfetamine en/of cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 130 microgram amfetamine per liter bloed en/of 1,1 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van veertien maanden.

Verdachte heeft verklaard dat hij 3 maanden in Engeland is geweest om behandeld te worden voor zijn drugsprobleem. Hij werkt als zzp-er in de bouw, is weer thuis gaan wonen, kan financieel rondkomen, reist met openbaar vervoer maar overweegt te stoppen met zijn werk als hij zijn rijbewijs nog een paar maanden moet missen.

De politierechter heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij is onder meer gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 26 juni 2018, waaruit blijkt dat verdachte de afgelopen 5 jaar meerdere keren voor soortgelijke zaken met justitie in aanraking is gekomen, waarbij artikel 63 Sr van toepassing is.

De politierechter heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft na gebruik van amfetamine en cannabis als bestuurder van een personenauto deelgenomen aan het verkeer. De politierechter rekent verdachte in het bijzonder aan dat hij zeer gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond op de snelweg en daarmee medeweggebruikers in gevaar heeft gebracht.

De LOVS-oriëntatiepunten kennen geen tabel voor rijden onder invloed van drugs. Voor de hoogte van de strafmaat heeft de politierechter gelet op de mate waarin de grenswaarden zijn overschreden. Strafverzwarend zijn het gevaarlijke rijgedrag en de recidive. Volgens informatie van het CBR is verdachtes rijbewijs sinds 19 juli 2017 ongeldig verklaard (reden: geschiktheid). In het voordeel van verdachte wordt gelet op artikel 63 Sr en de omstandigheid dat verdachte naar zijn zeggen een behandeling voor zijn drugsprobleem heeft ondergaan. Dit alles brengt de politierechter ertoe om aansluiting te zoeken bij schaal XI van de oriëntatiepunten. Het hierboven vermelde rechtsgevolg van het vormverzuim, zal de politierechter echter nog in de werkstraf verdisconteren. Daarbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat door verdachte geen specifiek nadeel is gesteld door een onnodig en onterecht lang verblijf op het politiebureau.

Gelet op de ernst van het vormverzuim resulteert dat in dit geval in een forfaitaire strafkorting van 50% op de werkstraf zodat aan verdachte wordt opgelegd een werkstraf voor de duur van 30 uur (subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis). Daarnaast zal verdachte, van wie het rijbewijs ongeldig is verklaard, een voorwaardelijke rijontzegging worden opgelegd voor de duur van 9 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De politierechter:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een werkstraf gedurende 30 (dertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden;

 bepaalt, dat deze bijkomende straf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei, politierechter, in tegenwoordigheid van A. Ok, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 augustus 2018.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2017449598, ingekomen bij het CVOM op 19 maart 2018, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] , p. 11

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 15

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 13

5 Rapport NFI d.d. 30 augustus 2017, p. 19-20

6 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 30