Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3479

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-08-2018
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
05/881673-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering van ruim € 8.000 uit hoofde van zijn beroep als financieel adviseur. Beroep op het ontbreken van de wederrechtelijke toe-eigening verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-08-2018
FutD 2018-2180
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/881673-17

Datum uitspraak : 7 augustus 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1945 te [geboorteplaats]

wonende aan [adres] ,

raadsman: mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juli 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 januari

2010 tot en met 21 maart 2017 te Elst, gemeente Overbetuwe, althans in Nederland, (telkens)

opzettelijk (in totaal) 8462 euro, in elk geval enig geldbedrag, dat/die

geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [slachtoffer ] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte (telkens) uit

hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking en/of van zijn beroep van/als

financieel adviseur, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 januari

2010 tot en met 21 maart 2017 te Elst, gemeente Overbetuwe, althans in Nederland, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer (in totaal) EUR 8462,-), in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer ] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[bedrijfsnaam] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 januari 2010 tot en met 21 maart 2017 te Elst, gemeente Overbetuwe, althans in Nederland,

(telkens)

opzettelijk (in totaal) 8462 euro, in elk geval enig geldbedrag, dat/die

geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [slachtoffer ] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte(n), en welk(e) goed(eren) verdachte(n) (telkens) uit hoofde van een persoonlijke dienstbetrekking en/of van een beroep van/als financieel adviseur, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend,

tot welk(e) feit(en) hij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, en/of aan welk(e) verboden gedraging(en) hij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

en/of

[bedrijfsnaam] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 januari 2010 tot en met 21 maart 2017 te Elst, gemeente Overbetuwe, althans in Nederland,

(telkens)

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer (in totaal) EUR 8462,-), in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer ] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

tot welk(e) feit(en) hij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven, en/of aan welk(e) verboden gedraging(en) hij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

2A. Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig verklaard dient te worden. Volgens de raadsman vormt de tenlastelegging zoals nu geformuleerd een cumulatieve tenlastelegging. De verschillende ten laste gelegde feiten zijn onderling echter tegenstrijdig, zodat dit tot nietigheid van de dagvaarding zou moeten leiden.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de gestelde nietigheid het volgende.

De rechtbank leest de tenlastelegging zo, dat de opsteller kennelijk heeft bedoeld als subsidiair verwijt ten opzichte van de verduistering, een diefstal van enig geldbedrag ten laste te leggen. Meer subsidiair heeft de opsteller bedoeld ten laste te leggen de verduistering of diefstal door verdachte als feitelijk leidinggever van een onderneming. Dat komt tot uitdrukking in het tussen de beschrijving van de verschillende ten laste gelegde feiten opgenomen woord ‘of’. De rechtbank volgt het betoog van de raadsman voorzover dit ziet op het tussen de beschrijving van de verschillende ten laste gelegde feiten opgenomen woord ‘en’. Dit woord impliceert, zoals door de raadsman betoogd, inderdaad een cumulatie. Deze cumulatie is innerlijk tegenstrijdig en leidt derhalve tot nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van het woord ‘en’.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding voor het overige geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

2B. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden, dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, te weten verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking zich heeft.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is voor een bewezenverklaring van één van de ten laste gelegde feiten en stelt dat de rechtbank verdachte dient vrij te spreken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte wederrechtelijk heeft gehandeld.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat aangever, hierna te noemen: ‘ [slachtoffer ] ’, in 2008 kampte met financiële problemen en werd gedwongen zijn eigen huis te verkopen. Via zijn eigen bank is [slachtoffer ] in aanraking gekomen met verdachte. Sindsdien maakte [slachtoffer ] gebruik van de financiële dienstverlening van verdachte en heeft hij verdachte gemachtigd zijn belastingzaken te verzorgen.2 [slachtoffer ] verklaart dat hij verdachte – om het hoofd te bieden aan de schulden die hij had – heeft gemachtigd om het rekeningnummer voor de voorlopige belastingteruggave die [slachtoffer ] ontving, te wijzigen naar een bankrekening van verdachte met het nummer [rekeningnummer] . Dit is gedaan voor de jaren 2010 en 2014. Verdachte zou met deze bedragen de openstaande schuld van [slachtoffer ] bij de Stadsbank in [plaats 1] aflossen.3 Overigens wordt de beoordeling van de zaak bemoeilijkt doordat zowel de afspraken als de oorspronkelijke schuldenpositie slecht zijn gedocumenteerd door de aangever en verdachte. Van verdachte zou als professioneel financieel adviseur op deze punten immers een voortrekkersrol verwacht mogen worden.

Op 25 maart 2016 wordt [slachtoffer ] tijdens een verkeerscontrole staande gehouden. Aan deze verkeerscontrole deed ook de Belastingdienst mee. Op dat moment blijkt [slachtoffer ] dat hij belastingschulden heeft. Dat geeft aanleiding voor [slachtoffer ] om een kennis te benaderen met het verzoek hem inzicht te verschaffen in de status en de omvang van zijn belastingschulden. Deze kennis komt er vervolgens achter dat [slachtoffer ] – ondanks de verkoop van zijn eigen woning in 2008 – nog steeds ieder jaar voorlopige teruggaven van de Belastingdienst heeft ontvangen. Bij deze voorlopige teruggaven ging de Belastingdienst er steeds vanuit, dat [slachtoffer ] een eigen woning bezat en dat hij dus recht had op teruggaven van een deel van de door hem betaalde hypotheekrente. Bij de daadwerkelijke belastingaangifte aan het einde van ieder jaar kwam vervolgens vast te staan dat [slachtoffer ] helemaal geen recht had op deze teruggave, zodat er per saldo een schuld van [slachtoffer ] aan de Belastingdienst ontstond.4

Ook is [slachtoffer ] gebleken dat hij zijn volledige schuld aan de Stadsbank in [plaats 1] zelf heeft afgelost door maandelijkse inhoudingen op zijn inkomen.5 Daarmee staat vast dat verdachte de door hem ontvangen bedragen niet heeft aangewend om deze schuld af te lossen. [slachtoffer ] doet via onder meer zijn schoonzoon en zijn advocaat navraag bij verdachte, maar het blijft onduidelijk hoe verdachte de ontvangen bedragen heeft aangewend. [slachtoffer ] heeft vervolgens aangifte gedaan.

Naar aanleiding van deze aangifte wordt een onderzoek gestart. In het kader van dit onderzoek wordt een overzicht van alle belastingschulden en uitbetalingen van en aan [slachtoffer ] opgevraagd bij de Belastingdienst. Uit het naar aanleiding van de bestudering van deze overzichten opgemaakte proces-verbaal blijkt dat in 2010, 2013 en 2014 door een Belastingdienst een totaalbedrag van € 8.462 is overgemaakt op het rekeningnummer [rekeningnummer] .6 Dat komt overeen met de verklaring van [slachtoffer ] . Vervolgens wordt van de rekening met het nummer [rekeningnummer] een overzicht van alle rekeningafschriften bij de bank over de periode 1 januari 2010 tot 1 maart 2013 opgevraagd. Uit het naar aanleiding van de bestudering van deze afschriften opgemaakte proces-verbaal blijkt dat in de jaren 2010, 2013 en 2014 de Belastingdienst verschillende bedragen uit heeft gekeerd op deze rekening, met in de omschrijving de naam en/ of het BSN-nummer van [slachtoffer ] .7 In totaal gaat het om een bedrag van € 8.863,48.

Op 7 november 2017 wordt verdachte tijdens een verhoor gevraagd naar hoe hij de door hem ontvangen teruggaven heeft aangewend.8 Tijdens dit verhoor verklaart verdachte dat [slachtoffer ] hem toestemming heeft gegeven een deel van de teruggaven achter te houden, zodat hij dit kon verrekenen met de kosten voor de door hem verrichte werkzaamheden. Het overige deel verklaart verdachte gebruikt te hebben om schuldeisers van [slachtoffer ] mee af te lossen. Welke schuldeisers dat waren, dat weet verdachte niet meer. Naar aanleiding van dit verhoor wordt ook [slachtoffer ] nogmaals gehoord.9 Tijdens dit verhoor verklaart [slachtoffer ] dat hij niet bekend is met een gemaakte afspraak, inhoudende dat verdachte de teruggaven mocht verrekenen met de kosten voor door hem verleende diensten. Ook heeft hij geen bewijzen ontvangen, waaruit blijkt dat verdachte schulden van [slachtoffer ] heeft betaald met het restant.

Voor strafbaarheid ingevolge artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de verdachte zich de goederen wederrechtelijk toe-eigent en dat het opzet van de verdachte op die wederrechtelijke toe-eigening is gericht. Van wederrechtelijke toe-eigening is sprake als de verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een aan een ander toebehorend goed. Hiervan kan ook sprake zijn indien gelden aan verdachte zijn overgedragen met een zeker vooraf bepaald doel en verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert en of voor andere doeleinden heeft aangewend dan wel indien teruggave van die gelden door verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt.

In het licht van vorenstaand juridisch kader is dus van belang welke bevoegdheden tot gebruik van de gelden verdachte zich ten opzichte van [slachtoffer ] heeft toegemeten.

Zoals blijkt uit de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen heeft verdachte in 2010, 2013 en 2014 gelden op zijn bankrekening uitgekeerd gekregen, die toebehoren aan [slachtoffer ] . [slachtoffer ] verklaart dat hij verdachte – als zijn financieel adviseur – toestemming heeft gegeven om deze bedragen op zijn rekening te ontvangen, in de veronderstelling dat verdachte daarmee schulden van [slachtoffer ] zou aflossen.

Uit de in het dossier aanwezige rekeningafschriften blijkt echter dat verdachte met enige regelmaat direct na de ontvangst van de aan [slachtoffer ] toebehorende teruggaven andere, consumptieve, uitgaven doet. Zo ontvangt verdachte onder andere op 15 januari 2014, op 15 mei 2014 en op 16 juni 2014 een bedrag van € 288 van de Belastingdienst. Deze bedragen worden door verdachte na ontvangst direct aangewend voor consumptieve doeleinden, zoals uitgaven in diverse winkels, uitgaven voor brandstof en een bezoek aan een dierentuin.10

Dat verdachte de door hem ontvangen gelden heeft aangewend voor het vooraf bepaalde doel om schulden van [slachtoffer ] af te lossen, is echter op geen enkele wijze aannemelijk geworden en wordt op geen enkele wijze gestaafd door de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

Dat verdachte zich een deel van de door de belastingdienst gestorte gelden mocht toe-eigenen ter vergoeding voor verleende diensten is evenmin aannemelijk geworden. In de aangifte heeft [slachtoffer ] verklaard dat er naast de inhouding op de kredietsom van € 2.200 ten behoeve van [bedrijfsnaam] , twee facturen door verdachte zijn verstuurd en door [slachtoffer ] zijn voldaan voor een bedrag van € 307,91 en dat aan verdachte jaarlijks contant een bedrag van € 150 werd betaald. Uit vorenstaande verklaringen en gebeurtenissen in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat verdachte de gelden die de belastingdienst - ten behoeve van [slachtoffer ] - op zijn bankrekening had gestort tegen de afspraken in voor andere doeleinden heeft aangewend, waaronder consumptieve uitgaven zoals hiervoor omschreven en als vergoeding voor verdachte, die zich deze gelden daarmee dus wederechtelijk heeft toegeëigend.

De tenlastelegging ziet op de periode van 28 januari 2010 tot en met 21 maart 2017. Uit de in het dossier aanwezige stukken blijkt dat verdachte in die periode in totaal een bedrag van

€ 8.312 aan teruggaven toebehorende aan [slachtoffer ] ontvangen heeft, in tegenstelling tot het door de officier van justitie gestelde bedrag van € 8.462. De rechtbank zal voor de bewezenverklaring derhalve uitgaan van een totaalbedrag van € 8.312.

Concluderend

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het wederrechtelijke toe-eigenen van gelden die toebehoren aan [slachtoffer ] en die hij uit hoofde van zijn beroep van financieel adviseur onder zich heeft gekregen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 januari

2010 tot en met 21 maart 2017 16 augustus 2014 te Elst, gemeente Overbetuwe, althans in Nederland, (telkens)

opzettelijk (in totaal) € 8.312 euro, in elk geval enig geldbedrag, dat/die

geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [slachtoffer ] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte (telkens) uit

hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking en/of van zijn beroep van/als

financieel adviseur, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

‘verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zicht heeft’.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van drie jaren en voorts, tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de officier van justitie geëist dat aan verdachte een ‘beroepsverbod’ voor de duur van 5 jaren zal worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd en heeft verder geen verweer gevoerd ten aanzien van (de omvang van) de straf of eventueel op te leggen maatregel.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 14 juni 2018. Verdachte is niet verschenen ter zitting, zodat er niet meer bekend is geworden over zijn persoon en de omstandigheden van de verdachte dan wat reeds volgt uit het dossier.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van een aantal jaren meermalen schuldig gemaakt aan verduistering van geldbedragen toebehorende aan [slachtoffer ] , die hij uit hoofde van zijn beroep als financieel adviseur onder zich had. [slachtoffer ] heeft hierdoor niet alleen financieel aanzienlijk nadeel geleden, maar ook is het vertrouwen dat hij mocht stellen in zijn financieel adviseur ernstig beschaamd. [slachtoffer ] is tot ontdekking van deze misstanden gekomen, doordat hij is staande gehouden door de politie bij een verkeerscontrole waar ook de Belastingdienst aan deelnam. Dat verdachte [slachtoffer ] al die tijd in het ongewis heeft gelaten over zijn financiële situatie en [slachtoffer ] zich daardoor op deze wijze van zijn situatie bewust is geworden, rekent de rechtbank verdachte aan.

Daarnaast is de rechtbank gebleken dat verdachte – alhoewel lang geleden – al eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Dat is geweest in 1990 en 2009. Deze veroordelingen vallen buiten de formele recidivetermijn. De rechtbank zal niet om die reden een hogere straf opleggen. Wel zal verdachte, zoals gevorderd door de officier van justitie, worden ontzet uit zijn recht het beroep als financieel adviseur uit te oefenen voor de duur van 5 jaren.

De rechtbank komt alles in acht nemende tot de conclusie dat zij de voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een werkstraf voor de duur van 100 uren, zoals geëist door de officier van justitie, passend en geboden vindt. Ook vindt de rechtbank het net als de officier van justitie van belang te voorkomen, dat verdachte nogmaals in de gelegenheid komt strafbare feiten zoals het onderhavige te plegen.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De heer [slachtoffer ] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 21.622.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat voor het bepalen van de schade van de benadeelde partij aansluiting wordt gezocht bij het tenlastegelegde, te weten een bedrag ad € 8.462, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente. Ook heeft de officier van justitie geëist de schadevergoedingsmaatregel van toepassing te verklaren. Voor het overige heeft de officier van justitie geëist de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, zodat de gang naar de burgerlijk rechter voor de benadeelde partij nog open staat.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van

€ 8.312 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu niet is komen vast te staan dat dit gedeelte van haar vordering in direct verband staat tot de bewezenverklaarde strafbare feiten.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De benadeelde partij vordert tevens vergoeding van de rechtsbijstandskosten die zij heeft gemaakt ter verkrijging van (een gedeeltelijke) schadevergoeding in de onderhavige strafprocedure. Deze kosten, die toewijsbaar zijn op de voet van artikel 592a Sv, worden aan de hand van het geldende liquidatietarief kantonzaken vastgesteld op een bedrag van

€ 250.

Tot slot acht de rechtbank ook de gevorderde wettelijke rente toewijsbaar. De grondslag voor de vordering van wettelijke rente is gelegen in artikel 6:119 BW. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf de dag dat de uitbetaling door de Belastingdienst van de verschillende bedragen op de rekening met het nummer [rekeningnummer] heeft plaatsgevonden tot en met de dag der algehele voldoening.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 36f, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 100 (honderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

ontzet verdachte van het recht het beroep van adviseur in de financiële sector uit te oefenen voor de duur van 5 (vijf) jaren;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer ] , van een bedrag van 8.312 (drieëntachtighonderdtwaalf euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat de uitbetaling door de Belastingdienst van de verschillende bedragen op de rekening met het nummer [rekeningnummer] heeft plaatsgevonden tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 veroordeelt verdachte tot betaling van de rechtsbijstandskosten die de benadeelde partij [slachtoffer ] heeft gemaakt, vastgesteld op een bedrag van € 250;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer ] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer ] , een bedrag te betalen van € 8.312 (drieëntachtighonderdtwaalf euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat de uitbetaling door de Belastingdienst van de verschillende bedragen op de rekening met het nummer [rekeningnummer] heeft plaatsgevonden, tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 2 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.E. ter Hart (voorzitter), mr. A.G. Coumans en mr. M.F. Gielissen , rechters, in tegenwoordigheid van D. Waizy, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 augustus 2018.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer ON46017076, gesloten op 5 december 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte, pag. 19 – 23.

3 Proces-verbaal van aangifte, pag. 19 – 23.

4 Proces-verbaal van verdenking, pag. 25 – 28.

5 Het schriftelijk bescheid inhoudende een overzicht van de Sociale Bank Centraal [plaats 2] van 15 april 2016, pag. 397 - 404.

6 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 314 – 315.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 343 – 345.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 413 – 416.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige, pag. 418 – 419.

10 Het schriftelijk bescheid inhoudende een kopie van de bankafschriften van de bankrekening met het nummer [rekeningnummer] , pag. 127 – 131.