Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3436

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
AWB - 17_4642, 18_1127 en 18_1129
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:2199, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder terecht de omgevingsvergunning voor het strijdige gebruik van het perceel heeft geweigerd. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat door het gebruik van het perceel door eiseres 2 de belangen van de omliggende functie ‘Wonen’ onevenredig worden geschaad. Het maximale geluidsniveau op de gevel van de woning aan de Papegaaiweg 8 in de avond en de nacht overschrijdt de grenswaarde.

Verder komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel door eiseres 2 en het gebruik van het perceel als caravanstalling. Er is geen concreet zicht op legalisatie. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De rechtbank is verder niet gebleken van omstandigheden op basis waarvan verweerder van handhavend optreden had moeten afzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: 17/4642, 18/1127 en 18/1129

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres 1,

[eiseres] , te [woonplaats], eiseres 2,

tezamen eisers

(gemachtigde: mr. A.A. Robbers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn te Apeldoorn, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiseres 1 gelast het strijdige gebruik van de panden op het perceel [adres] in [woonplaats] uiterlijk 19 augustus 2016 te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 19 april 2017 (het primaire besluit 2) heeft verweerder een omgevingsvergunning geweigerd.

Bij besluit van 24 juli 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres 1 tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard.

Bij afzonderlijke besluiten van 17 januari 2018 (de bestreden besluiten 2 en 3) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2018. De zaken zijn gelijktijdig behandeld. Namens eisers zijn verschenen [eiseres] en [eiseres], bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. C. van Olst, mr. E.S. Fikkert, G. Kornneef en T.C. Janssen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres 1 is eigenaresse van het perceel [adres] in [woonplaats] en verhuurt het pand op het perceel. Een gedeelte van het pand wordt sinds 14 december 2015 aan eiseres 2 verhuurd. Zij gebruikt het pand voor het exploiteren van een transportbedrijf. Verder wordt het pand verhuurd aan de [bedrijf], [bedrijf], [bedrijf] en [bedrijf]. Voorheen was in het pand het bedrijf Nemef gevestigd.

Het ter plaatse geldende bestemmingsplan is ‘[woonplaats] en buitengebied’. Het perceel heeft de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf: stamp-, pers-, dieptrek- en forceerbedrijf’.

Op 7 januari 2016 en 28 juni 2016 heeft een toezichthouder van verweerder geconstateerd dat het pand op het perceel wordt gebruikt in strijd met het bestemmingsplan en dat het pand niet voldoet aan de eisen die gelden voor de brandveiligheid. Verweerder heeft vervolgens aan eiseres 1 een last onder dwangsom opgelegd. Hierna is het gebruik van het pand door [bedrijf], [bedrijf] en [bedrijf] beëindigd. Verweerder heeft voor het gebruik van het pand door de [bedrijf] een omgevingsvergunning verleend. Eiseres 2 heeft voor het gebruik van het pand op 12 januari 2017 een omgevingsvergunning aangevraagd. Verweerder heeft deze omgevingsvergunning geweigerd, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 4.6.1 van de regels van het bestemmingsplan (de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid).

Weigering van de omgevingsvergunning (zaken 18/1127 en 18/1129)

2. Tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik van het perceel door eiseres 2 in strijd is met het bestemmingsplan. Partijen verschillen echter van mening of verweerder met toepassing van artikel 4.6.1 van de regels van het bestemmingsplan de gevraagde omgevingsvergunning had moeten verlenen.

2.1

Eisers voeren ter onderbouwing van hun betoog dat verweerder de omgevingsvergunning had moeten verlenen met toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, het volgende aan. Sinds eiseres 2 het pand gebruikt is sprake van een afname van de milieubelasting op de leefomgeving.

Ten eerste veroorzaakt het gebruik van het perceel door eiseres 2 geen geluidshinder die onaanvaardbaar is voor de leefomgeving. Dat blijkt uit het akoestische rapport van Know How Acoustics van 11 juli 2017. De overschrijding van de grenswaarde van het maximale geluidniveau op de gevel van de woning aan de [adres] kan worden weggenomen door het aanleggen van een openbare weg voor de ontsluiting van het verkeer van en naar eiseres 2 en van en naar andere inrichtingen op het bedrijventerrein. Hierdoor worden de grenzen van de inrichting van eiseres 2 veranderd, waardoor de afstand tot de omliggende woningen groter wordt. Dat heeft als gevolg dat de grenswaarde niet meer wordt overschreden. Dat blijkt uit het aanvullende rapport van Know How Acoustics van 8 december 2017. Eisers wijzen er verder op dat de geluidhinder ook al aanwezig was toen Nemef nog op het perceel gevestigd was. Nemef was een groot bedrijf, dat veel vrachtverkeer aantrok. Verder zijn de bewoners van de [adres] werknemers van eiseres 2 en hebben zij geen bezwaar tegen de geluidhinder.

Ten tweede blijkt niet dat de verkeersaantrekkende werking onevenredig is toegenomen door het gebruik van het perceel door eiseres 2. Verweerder heeft geen onderzoek gedaan naar de verkeersbewegingen toen Nemef nog op het perceel gevestigd was. In die periode vond volgens hen continu vrachtverkeer plaats. Het is dan ook onjuist dat er toen sprake was van één vrachtwagenvervoersbeweging per etmaal, zoals verweerder stelt. Bovendien zijn in de metingen in september 2017 niet de verkeersbewegingen meegenomen van de grote voertuigen van loonbedrijven in de straat. Dat komt omdat de metingen zijn uitgevoerd in het seizoen dat deze voertuigen voor het overgrote gedeelte niet in gebruik zijn, aldus eisers.

2.2

Artikel 4.6.1 van de planregels luidt:

“ Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het in lid 4.1 onder a bepaalde teneinde de vestiging van bedrijfstypen toe te staan die niet zijn genoemd in de Lijst van toegelaten bedrijfstypen, dan wel voorkomen in een hogere categorie dan in het betreffende bestemmingsvlak is toegestaan, en die naar hun aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijfstypen die ter plaatse bij recht zijn toegestaan, met dien verstande dat de belasting van het (leef)milieu en het landschap in de omgeving alsmede de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig mogen toenemen en de belangen van de omliggende functies ook anderszins niet onevenredig mogen worden geschaad.”

2.3

De vraag die de rechtbank eerst zal beantwoorden is of door het gebruik van het perceel door eiseres 2 de belangen van de omliggende functie ‘Wonen’ onevenredig worden geschaad.

2.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit het geval is. Uit het akoestische rapport blijkt namelijk dat het maximale geluidsniveau op de gevel van de woning aan de [adres] in de avond en de nacht 72 dB(A) bedraagt. De grenswaarde voor het maximale geluidsniveau in de avond en de nacht bedraagt, met ontheffing, 65 dB(A). Dat betekent dat er een overschrijding plaatsvindt van 7 dB(A).

Het door eisers voorgestelde alternatief, het aanleggen van een openbare weg voor de ontsluiting van het verkeer van en naar eiseres 2 en van en naar andere inrichtingen op het bedrijventerrein, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft namelijk toegelicht dat de gemeente Apeldoorn niet mee wil werken aan het aanleggen van deze openbare weg, nog daargelaten dat verweerder diende te beslissen op de aanvraag zoals die voorlag en er op verweerder dus geen plicht rust om zo’n alternatief mee te nemen in de besluitvorming.

Het argument van eisers dat er dezelfde mate van geluidhinder was toen Nemef nog op het perceel gevestigd was leidt niet tot een ander oordeel. Eisers hebben dit niet onderbouwd met informatie over de grootte van Nemef en het vrachtverkeer van en naar Nemef.

Dat de bewoners van de [adres] werknemers zijn van eiseres 2 en geen problemen hebben met de overschrijding van de grenswaarde doet aan het oordeel van de rechtbank niet af.

De beroepsgrond slaagt niet.

3. Dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de belangen van de omliggende functie ‘Wonen’ onevenredig worden geschaad leidt reeds tot de conclusie dat verweerder de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd. Om die reden zal de rechtbank de kwestie van de verkeersaantrekkende werking onbesproken laten.

4.1

Eisers voeren vervolgens aan dat verweerder de door hen ingediende rapportages over de brandveiligheid van het pand mee had moeten nemen in de besluitvorming van de omgevingsvergunning. Eisers hebben deze rapportages namelijk ingediend op verzoek van verweerder, aldus eisers.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de door eisers ingediende rapportages over de brandveiligheid van het pand niet heeft meegenomen in de besluitvorming van de omgevingsvergunning. Bij de beoordeling of wordt voldaan aan de voorwaarden van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid wordt door verweerder namelijk niet getoetst of het pand aan de eisen van brandveiligheid voldoet. De beroepsgrond slaagt niet.

5. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Last onder dwangsom (zaak 17/4642)

6. De rechtbank zal vervolgens het beroep van eiseres 1 bespreken tegen het ongegrond verklaren van het bezwaar tegen het primaire besluit 1 (de last onder dwangsom). Ter zitting heeft eiseres 1 toegelicht dat het beroep zich richt tegen het gebruik van het perceel door eiseres 2 en het gebruik van het perceel als caravanstalling.

7. Niet in geschil is dat verweerder op zichzelf bevoegd is om handhavend op te treden. In geschil is of verweerder gehouden is om dat te doen.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

8. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat het enkele feit dat verweerder niet mee wil werken aan legalisatie voldoende is om aan te nemen dat daarop geen concreet zicht bestaat (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3575). Verweerder heeft de omgevingsvergunning voor het gebruik van het perceel door eiseres 2 geweigerd. Verder wil verweerder niet meewerken aan het gebruik van het perceel als caravanstalling. Dat betekent dat er geen sprake is van concreet zicht op legalisatie.

9. Vervolgens komt de vraag of verweerder had moeten afzien van handhavend optreden omdat dat onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

10.1

Eiseres 1 voert, over het gebruik van het perceel als caravanstalling, aan dat

W. Bijsterbosch op 12 december 2014 per e-mail toestemming heeft verleend voor dit gebruik. Eiseres 1 mocht er daarom op vertrouwen dat verweerder geen last onder dwangsom zou opleggen voor dit gebruik, aldus eiseres 1.

10.2

De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiseres 1 als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1314).

10.3

In de e-mail van Bijsterbosch staat dat de stalling en reparatie van caravans, vanwege de leegstand van het pand, een acceptabele oplossing is conform het bestemmingsplan. Bijsterbosch is blijkens de ondertekening van de e-mail coördinator grote projecten ruimtelijke leefomgeving en vergunningverlening Wabo. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat Bijsterbosch niet bevoegd is om namens verweerder een toezegging te doen over het gebruik van het perceel. Eiseres 1 heeft dat erkend. Reeds om die reden slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet.

10.4

De rechtbank is verder niet gebleken van omstandigheden op basis waarvan verweerder van handhavend optreden had moeten afzien.

11. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om handhavend op te treden.

12. Ook dit beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T. Gelo, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.