Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:337

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-01-2018
Datum publicatie
26-01-2018
Zaaknummer
05/720288-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging in nabijheid middelbare school, waarbij onder meer een auto is gebruikt om op tegenstander in te rijden, hetgeen wordt gekwalificeerd als poging doodslag. Voor bewijs is geput uit de talloze filmopnames die door scholieren zijn gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/720288-16

Datum uitspraak : 26 januari 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

raadsvrouw: mr. A. van der Poel, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 januari 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 16 september 2016 te Wageningen openlijk, te weten op of aan

de openbare weg, de Hollandseweg, in elk geval op of aan een openbare weg,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] welk geweld bestond uit:

- het met een personenauto, zijnde een [auto 1] , inrijden op die [slachtoffer 3]

en/of inrijden op een personenauto, zijnde een [auto 2] ,

en/of

- het met een personenauto, zijnde een [auto 1] , inrijden op die [slachtoffer 1]

en/of die [slachtoffer 2] en/of

- het met een personenauto, zijnde een [auto 1] , inrijden op/botsen tegen

de fiets van die [slachtoffer 2] en/of

- het met een schep/spade althans een daarop gelijkend voorwerp, meerdere

malen, althans eenmaal, slaan (in richting van) van die [slachtoffer 3]

en/of die [slachtoffer 1] en/of

- het met een personenauto, zijnde een [auto 3] , meerdere malen,

althans eenmaal, inrijden op die [slachtoffer 1] en/of

- het met een (al dan niet metalen) honkbalknuppel/slagwapen, althans een

daarop gelijkend voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal, slaan

op/tegen/in richting van het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 3]

en/of

- het met een (al dan niet metalen) slagwapen, althans een daarop gelijkend

voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal, slaan en/of zwaaien

op/tegen/in richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1]

en/of

- het (met kracht) gooien van een fiets op/tegen/in de richting van die [slachtoffer 1]

,

terwijl de door de verdachte gepleegde geweldshandeling(en) enig

lichamelijk letsel, te weten (een) diepe snijwond(en) ) op de (linker) elleboog,

althans de (linker) arm en/of (een) losse tand(en) en/of (een) striem(en) op

de buik van die [slachtoffer 3] en/of een gebroken middelvinger en/of

een (diepe) snede in voornoemde middelvinger, althans in de hand(en) en/of

op de arm(en) en/of de buik van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

2.

zij op of omstreeks 16 september 2016 te Wageningen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3]

opzettelijk van het leven te beroven,

- met een door haar -verdachte- bestuurde [auto 3] met aanzienlijke

snelheid, althans een (veel) te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter

plaatse, meerdere malen, althans eenmaal, is/heeft ingereden op die [slachtoffer 1]

en/of

- met een (al dan niet metalen) slagwapen, althans een daarop gelijkend

voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen/in

richting van het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 3] heeft

geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

zij op of omstreeks 16 september 2016 te Wageningen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- met een door haar -verdachte- bestuurde [auto 3] met aanzienlijke

snelheid, althans een (veel) te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter

plaatse, meerdere malen, althans eenmaal, is/heeft ingereden op die [slachtoffer 1]

en/of

- met een (al dan niet metalen) slagwapen, althans een daarop gelijkend

voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen/in

richting van het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 3] heeft

geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

zij op of omstreeks 16 september 2016 te Wageningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een (dames)fiets, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

In het onderzoek zijn veel getuigen en verdachten gehoord. Opvallend is dat er veel filmopnames zijn gemaakt door omstanders, veelal scholieren die uit het raam van hun klaslokaal goed zicht hadden op de gebeurtenissen. Van die filmopnames heeft de politie dankbaar gebruik gemaakt bij het onderzoek. Ook de rechtbank heeft bij haar beslissing veelvuldig geput uit dit bewijsmateriaal, dat per definitie neutraal en objectief is, anders dan veel getuigenverklaringen.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 16 september 2016 heeft in Wageningen op de openbare weg, de Hollandseweg, een vechtpartij plaatsgevonden tussen de families [slachtoffer 1] en [naam 4] .

Daarbij waren van de kant van de familie [naam 4] vijf personen betrokken, te weten [naam 2] , [naam 1] , [naam 3] , [medeverdachte 3] en verdachte (die de echtgenote is van [naam 2] ). Van de kant van de familie [slachtoffer 1] waren onder meer [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 3] ( [slachtoffer 3] ) betrokken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat zij onder feit 2 poging tot doodslag op [slachtoffer 1] en poging tot zware mishandeling op [slachtoffer 3] bewezen acht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 2 voert de verdediging samengevat het volgende aan.

Verdachte heeft [slachtoffer 1] niet gezien toen zij het kruispunt opreed, zodat er geen sprake is van opzet op de dood van [slachtoffer 1] . Er is ook geen sprake van voorwaardelijk opzet omdat er geen aanmerkelijke kans was op de dood of zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 1] , nu de snelheid van de door verdachte bestuurde auto niet objectief kan worden vastgesteld en [slachtoffer 1] gemakkelijk opzij kon springen.

Verdachte heeft de honkbalknuppel slechts gebruikt om [slachtoffer 3] weg te jagen, door met de knuppel te zwaaien. Indien zij hem al geraakt heeft, was dit per ongeluk.

Daarnaast is er geen sprake van aanmerkelijke kans op de dood of op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 3] geweest nu uit het dossier niet valt af te leiden dat verdachte met kracht heeft geslagen.

Ten aanzien van feit 3 voert de verdediging aan dat niet valt uit te sluiten dat de fiets al vernield was voordat verdachte ertegenaan reed, nu de fiets al eerder met de [auto 1] van [naam 2] in aanraking was gekomen en ermee was gegooid door [medeverdachte 3] .

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte pas bij de handelingen vanaf het 5e gedachtestreepje ter plaatse was en dat van deze handelingen niet kan worden vastgesteld dat deze in vereniging zijn gepleegd.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijspraak voor feit 3

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de fiets van [slachtoffer 2] heeft vernield. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] zelf haar fiets tegen de auto van [naam 2] heeft gegooid. Verder heeft [medeverdachte 3] verklaard dezelfde fiets richting [slachtoffer 1] te hebben gegooid. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet vast te stellen of de schade aan de fiets door verdachte is veroorzaakt of dat deze reeds door de handelingen van [slachtoffer 2] en [medeverdachte 3] is veroorzaakt.

Ten aanzien van feit 1:

Van de vechtpartij bevinden zich meerdere door omstanders gemaakte filmpjes in het dossier. Deze filmpjes zijn door de politie beschreven en ter terechtzitting getoond.

Op de filmpjes “001 VID-20160916-WA0016, “002 vechtpartij wageningen voor pantarijn”, “003 Filmpje [naam 5] ” en “004a VID-20160916-WA0014” is het volgende te zien.

[naam 1] en [naam 3] staan op de motorkap van de stilstaande [auto 1] en maken trappende bewegingen in de richting van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] trapt in de richting van de bestuurdersplaats van de [auto 1] en maakt daarna slaande bewegingen richting [naam 1] en [naam 3] , waarbij hij een voorwerp in zijn handen heeft.

Kort daarop komt een [auto 3] , bestuurd door verdachte, de Hollandseweg opgereden en botst tegen die gegooide fiets. De [auto 3] rijdt in op [slachtoffer 1] , die op het laatste moment opzij kan springen.

[naam 2] rent met een steekschep in zijn handen richting [slachtoffer 3] en slaat met de schep richting de linkerkant van diens lichaam en onderarm. [medeverdachte 3] rent in de richting van [naam 2] en [slachtoffer 3] met een slagvoorwerp, komt eerst ten val en slaat vervolgens [slachtoffer 1] met dit voorwerp op het hoofd en op de achterzijde van zijn lichaam. [naam 2] draait zich om en haalt met de schep vol uit naar de aanstormende [slachtoffer 1] , die de slag lijkt op te vangen met zijn rechterhand.

Verdachte stapt uit de [auto 3] , haalt een metalen honkbalknuppel uit de kofferbak van de [auto 3] en loopt met [medeverdachte 3] in de richting van [slachtoffer 1] . [medeverdachte 3] slaat met het slagwapen tegen de rug van [slachtoffer 1] , terwijl verdachte met de knuppel zwaait. Verdachte richt zich vervolgens tot [slachtoffer 3] en maakt twee keer een slaande beweging in diens richting met de knuppel. [medeverdachte 3] raapt de schep op en haalt vol uit naar [slachtoffer 1] , die achteruit loopt. Daarna haalt [medeverdachte 3] nog een keer uit naar [slachtoffer 1] , die op dat moment een pas naar voren zet en de schep grijpt. Verdachte komt teruggelopen met de knuppel in haar handen.2 [slachtoffer 3] is volgens zijn verklaring door verdachte een keer op het hoofd geraakt en een keer op het bovenlichaam.3

Uit deze beelden volgt dat de familie [naam 4] gezamenlijk optrad. Vanaf het moment dat verdachte aan kwam rijden in de [auto 3] betreft het één doorlopende vechtpartij, die niet in afzonderlijke fases te verdelen is en waaraan alle vijf familieleden deelnamen. Verdachte heeft aan die vechtpartij een significante bijdrage geleverd door eerst met haar auto op [slachtoffer 1] in te rijden en vervolgens met een honkbalknuppel [slachtoffer 3] te slaan.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld in vereniging tegen personen en goederen, waarbij ook de door haar medeverdachten gepleegde handelingen aan haar toe zijn te rekenen.

De rechtbank acht dit feit dan ook bewezen, met uitzondering van de eerste drie gedachtestreepjes (de handelingen met de [auto 1] ) en de laatste, nu verdachte op die momenten nog niet op de plaats delict aanwezig was en dus niet kan worden bewezen dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan die geweldshandelingen. Vanaf haar ten tonele verschijnen heeft zij echter volop meegedaan met de gewelddadigheden en is daarmee dan ook ten volle verantwoordelijk daarvoor.

[slachtoffer 3] heeft aan de vechtpartij een rotte voortand overgehouden en is ook onder behandeling geweest bij de tandarts.4 Nu hij tijdens de vechtpartij alleen door de knuppel van verdachte in het gezicht is geraakt, is de rechtbank van oordeel dat dit letsel aan haar is toe te rekenen.

Ten aanzien van feit 2:

Inrijden op [slachtoffer 1] :

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de beelden van de filmpjes “002 Vechtpartij wageningen voor pantarijn” en “005 SUNP1721” (beelden van de Dash-Cam) dat de [auto 3] die door verdachte wordt bestuurd met aanzienlijke snelheid de Hollandseweg oprijdt en dat [slachtoffer 1] ternauwernood kan wegspringen om te voorkomen dat hij door de [auto 3] zou worden geraakt. Dat de [auto 3] snel het kruispunt opreed, blijkt ook uit de snelheid waarmee de op de grond liggende fiets wordt weggeslingerd door de [auto 3] .5

Ook getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de [auto 3] met zo’n 50 kilometer per uur aan kwam rijden op een man en dat die man net op tijd kon wegspringen.6

Verdachte heeft verklaard [slachtoffer 1] niet te hebben zien staan. De rechtbank acht die verklaring niet geloofwaardig en overweegt daartoe het volgende.

  • -

    [slachtoffer 1] stond op het moment dat de bijna-aanrijding plaatsvond al enkele seconden op de plek waar hij bijna werd geraakt, zo is te zien op eerdergenoemd filmpje “002 Vechtpartij wageningen voor pantarijn”. Verdachte kwam niet met een bocht aanrijden, maar zij reed recht op [slachtoffer 1] af en moet hem dus hebben zien staan;

  • -

    Op eerdergenoemd filmpje “005 SUNP1721” is te horen dat verdachte vlak na het tot stilstand komen van de [auto 3] twee keer zegt “jij gaat dood”.7 Daaruit blijkt dat verdachte wist wat zij aan het doen was en niet verrast was door het zien van [slachtoffer 1] voor haar auto. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij met “jij” haar echtgenoot [naam 2] bedoelde. De rechtbank acht die verklaring niet logisch en ook niet geloofwaardig, temeer daar verdachte dat niet eerder bij de politie heeft verteld, toen zij met haar woorden werd geconfronteerd.

  • -

    Op filmpje SUNP1726 is een gesprek te horen tussen verdachte en haar zoon [naam 3] , na de vechtpartij. Verdachte zegt daar onder meer tegen [naam 3] : “Ik denk nou heb ik hem. Ik zeg: ‘jij gaat dood’ ”.

  • -

    Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij heeft gehoord dat verdachte vóór de aanrijding zei “ik rijd hem kapot”.8

Uit het vorenstaande blijkt dat verdachte de intentie en dus de opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] aan te rijden. Wanneer [slachtoffer 1] niet voor de [auto 3] was weggesprongen, zou hij ongetwijfeld door de auto zijn geraakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat, wanneer men als voetganger met een dergelijke snelheid wordt aangereden, er een aanmerkelijke kans bestaat dat men de klap niet overleeft. Naar het oordeel van de rechtbank is poging tot doodslag dan ook bewezen.

Slaan van [slachtoffer 3] :

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat verdachte hem met de knuppel op zijn lichaam heeft geslagen en daarna in zijn gezicht, waarbij ze hem vol op zijn mond raakte. Hierbij raakte een voortand los.9

De politie heeft de Dash-Cam in de [auto 3] waarin verdachte is weggereden, uitgeluisterd. Uit de opgenomen gesprekken blijkt dat verdachte onder meer het volgende heeft gezegd tegen [naam 3] :

“[…] Ik heb [slachtoffer 3] geslagen met de knuppel (…) [slachtoffer 3] heb ik bewerkt. Ooh die zag er uit. Die had… zijn hele voorkant los liggen. Van de knuppel. Durf het is, zegt ie. Ja dat durf ik. Rennen naar de rotonde deed ie. (…) Ik heb hem recht d’r op geslagen. Vol d’r op.10[…]”.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat zij [slachtoffer 3] niet of hoogstens per ongeluk heeft geraakt niet geloofwaardig. De rechtbank acht bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] met kracht met een honkbalknuppel in het gezicht heeft geslagen.

Iemand met een metalen honkbalknuppel met kracht in zijn gezicht te slaan kan ernstig letsel veroorzaken, zoals breuken in het gezicht, of blijvende schade aan de ogen of mond. Verdachte heeft door haar handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 3] dergelijk letsel zou oplopen. De rechtbank acht dan ook poging tot zware mishandeling bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

zij op of omstreeks 16 september 2016 te Wageningen openlijk, te weten op of aan

de openbare weg, de Hollandseweg, in elk geval op of aan een openbare weg,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] welk geweld bestond uit:

- het met een personenauto, zijnde een [auto 1] , inrijden op die [slachtoffer 3]

[slachtoffer 3] en/of inrijden op een personenauto, zijnde een [auto 2] ,

en/of

- het met een personenauto, zijnde een [auto 1] , inrijden op die [slachtoffer 1]

en/of die [slachtoffer 2] en/of

- het met een personenauto, zijnde een [auto 1] , inrijden op/botsen tegen

de fiets van die [slachtoffer 2] en/of

- het met een schep/spade althans een daarop gelijkend voorwerp, meerdere

malen, althans eenmaal, slaan (in richting van) van die [slachtoffer 3]

en/of die [slachtoffer 1] en/of

- het met een personenauto, zijnde een [auto 3] , meerdere malen,

althans eenmaal, inrijden op die [slachtoffer 1] en/of

- het met een (al dan niet metalen) honkbalknuppel/slagwapen, althans een

daarop gelijkend voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal, slaan

op/tegen/in richting van het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 3]

en/of

- het met een (al dan niet metalen) slagwapen, althans een daarop gelijkend

voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal, slaan en/of zwaaien

op/tegen/in richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1]

en/of

- het (met kracht) gooien van een fiets op/tegen/in de richting van die [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] ,

terwijl de door de verdachte gepleegde geweldshandeling(en) enig

lichamelijk letsel, te weten (een) diepe snijwond(en) ) op de (linker) elleboog,

althans de (linker) arm en/of (een) losse tand(en) en/of (een) striem(en) op

de buik van die [slachtoffer 3] en/of een gebroken middelvinger en/of

een (diepe) snede in voornoemde middelvinger, althans in de hand(en) en/of

op de arm(en) en/of de buik van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

2.

zij op of omstreeks 16 september 2016 te Wageningen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3]

opzettelijk van het leven te beroven,

- met een door haar -verdachte- bestuurde [auto 3] met aanzienlijke

snelheid, althans een (veel) te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter

plaatse, meerdere malen, althans eenmaal, is/heeft ingereden op die Van den

Beld en/of

- met een (al dan niet metalen) slagwapen, althans een daarop gelijkend

voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen/in

richting van het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 3] heeft

geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

zij op of omstreeks 16 september 2016 te Wageningen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- met een door haar -verdachte- bestuurde [auto 3] met aanzienlijke

snelheid, althans een (veel) te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter

plaatse, meerdere malen, althans eenmaal, is/heeft ingereden op die [slachtoffer 1]

en/of

- met een (al dan niet metalen) slagwapen, althans een daarop gelijkend

voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen/in

richting van het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer 3] heeft

geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen, terwijl dat geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft

Ten aanzien van feit 2

Poging tot doodslag

en

Poging tot zware mishandeling

5 De strafbaarheid van het feit

Namens de verdachte is ten aanzien van de feiten 1 en 2 een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. Zij hoorde namelijk dat haar man [naam 2] in de problemen zat en dat er sprake was van messen. Gezien de langdurige voorgeschiedenis van ruzies en confrontaties met de familie [slachtoffer 1] , mocht zij er van uitgaan dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens haar man.

Dit verweer wordt verworpen. Zoals hiervoor al verwoord, heeft verdachte haar auto recht op [slachtoffer 1] aangestuurd, waarbij deze slechts ternauwernood het vege lijf kon redden door in een fractie van een seconde opzij te springen. Een getuige heeft haar hieraan voorafgaand horen zeggen dat ze hem dood zou rijden. Op dat moment én op het moment dat zij met de auto op [slachtoffer 1] inreed, wist zij helemaal niet was er precies gaande was, alleen dat er een vechtpartij was tussen leden van beide families. Ten aanzien van [slachtoffer 1] heeft de rechtbank geoordeeld dat deze een beroep kan doen op noodweer omdat hij en [slachtoffer 3] juist werden aangevallen door leden van de familie [naam 4] . [naam 2] verkeerde dus niet in een situatie van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Verdachte had ook onvoldoende redenen om dat desondanks te veronderstellen. Zij reed immers vanuit het niets op [slachtoffer 1] in, zonder zich eerst er van te vergewissen wat er nu precies aan de hand was en wie er nu door wie belaagd werd. Er is dus ook geen sprake van putatief noodweer.

Bovendien is de actie van verdachte, indien er wel sprake zou zijn van een noodweersituatie of indien zij zulks in redelijkheid mocht veronderstellen, volstrekt onverantwoord en onaanvaardbaar. Als [slachtoffer 1] niet in een fractie van een seconde opzij was gesprongen, was hij waarschijnlijk dood geweest. Dit met volle vaart inrijden op [slachtoffer 1] gaat zo zeer de grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit te buiten, dat er zelfs geen beroep op noodweerexces in zit (vgl. HR 8 april 2008, NJ 2008, 312; LJN BC4459). Bovendien is aannemelijk dat deze actie vooral werd ingegeven door een reeds eerder en langdurig bestaande woede en frustratie tegen [slachtoffer 1] en niet door een hevige gemoedsbeweging die werd ingegeven door de situatie zoals zij die op dat moment aantrof (vgl. HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0180, NJ 2009/177)

Ook ten aanzien van het door verdachte uitgeoefende geweld jegens [slachtoffer 3] is er geen sprake van noodweer of noodweerexces. Uit de hiervoor beschreven camerabeelden kan worden afgeleid dat verdachte, nadat haar [auto 3] tot stilstand was gekomen, een honkbalknuppel uit de kofferbak haalde en zich in het gevecht mengde. Zij kwam al snel tegenover Van de Heuvel te staan. Deze had weliswaar een mes in zijn hand, maar noch uit de camerabeelden, noch uit enige getuigenverklaring kan worden afgeleid dat [slachtoffer 3] haar met dat mes of anderszins bedreigde. [slachtoffer 3] deinst juist achteruit en verdachte gaat dan achter hem aan. Er was, zo bezien, geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van [slachtoffer 3] .

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en ter zake van feit 2 tot oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van 2 jaar, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] geëist. Bij iedere overtreding van het verbod dient vervangende hechtenis voor de duur van 10 dagen te worden toegepast.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht aan verdachte in geval van strafoplegging een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 7 december 2017;

- een voorlichtingsrapportage van IrisZorg, gedateerd 15 januari 2018;

- een voortgangsverslag toezicht van IrisZorg, gedateerd 12 januari 2018.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld, poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling. Zij heeft haar auto als wapen gebruikt in een poging een ander dood te rijden. Slechts doordat het slachtoffer op het nippertje opzij sprong heeft hij het er levend afgebracht. Na dat feit heeft zij zich in een vechtpartij gemengd waarbij zij een ander met een honkbalknuppel heeft verwond. Ook dit feit had erger kunnen aflopen. Het incident vond plaats midden op een kruispunt op klaarlichte dag voor een middelbare school. Talloze kinderen hebben de vechtpartij van dichtbij gezien en veel van hen hebben het zelfs gefilmd. De rechtbank acht gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden op zijn plaats. De rechtbank ziet geen aanleiding een groot deel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zoals de officier van justitie heeft gevorderd en vindt dat ook onvoldoende recht doen aan de ernst van de feiten. Verdachte krijgt een zwaardere straf opgelegd dat [naam 2] , hoewel de bewezenverklaringen en kwalificaties gelijk zijn, omdat de rechtbank ten aanzien van het inrijden op [slachtoffer 1] uitgaat van een bewuste intentie en daarmee vol opzet, in plaats van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank zal de officier van justitie niet volgen in zijn eis om een rijontzegging op te leggen. De rechtbank acht die bijkomende straf niet op zijn plaats nu het feit geen verband houdt met een verkeerssituatie.

De rechtbank ziet geen noodzaak tot het opleggen van het door de officier van justitie geëiste contactverbod. Gelet op de opstelling van verdachte in de periode na het feit heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat verdachte nog op enigerlei wijze contact zal opnemen met [slachtoffer 1] of [slachtoffer 3] .

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de ten laste gelegde feiten.

[slachtoffer 1] vordert een bedrag van € 2.773,29.

[slachtoffer 2] vordert een bedrag van € 2.213,33.

[slachtoffer 3] vordert een bedrag van € 4.131,-.

De benadeelde partijen vorderen tevens de wettelijke rente over die bedragen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren nu er sprake is van eigen schuld en het vaststellen van de mate van die eigen schuld een onevenredige belasting voor het strafgeding vormt. De officier van justitie heeft voorts verzocht de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering omdat niet uitgesloten is dat de schade aan de fiets is veroorzaakt doordat [slachtoffer 2] met de fiets heeft gegooid.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie. Daarnaast stelt de verdediging dat de vordering van [slachtoffer 3] onvoldoende is onderbouwd, dat het letsel van [slachtoffer 1] niet door verdachte is toegebracht en dat het loonverlies van [slachtoffer 1] niet aan verdachte is toe te rekenen.

Beoordeling door de rechtbank

Hoewel [slachtoffer 3] in zijn zaak is vrijgesproken en [slachtoffer 1] is ontslagen van rechtsvervolging heeft de rechtbank vastgesteld dat zij beiden betrokken zijn geweest bij geweldshandelingen in de onderhavige zaak. In die zin is bij beiden sprake van een zekere mate van eigen schuld aan de door hen geleden schade. Naar het oordeel van de rechtbank levert het vaststellen van de mate van eigen schuld een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De benadeelde partijen zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering nu verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering betrekking heeft.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 57, 141, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 Spreekt verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partijen

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en

mr. S.H. Keijzer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 januari 2018.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland Midden opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600/2016458833 (onderzoek Steekschop), gesloten op 30 november 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen p. 10-12 (beschrijvingen filmfragmenten); waarneming rechtbank ter terechtzitting van die filmpjes.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 3] , p. 169

4 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , p. 246 en bijlage 5 bij vordering benadeelde partij [slachtoffer 3] .

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 10-11 (filmpje 002 en 005); waarneming rechtbank ter terechtzitting van die filmpjes

6 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] bij de rechter-commissaris.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 68.

8 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] bij de rechter-commissaris.

9 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3] , p. 168.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 69-70