Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3332

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-07-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7637
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:7701, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Correcties na boekenonderzoek. Eiser heeft kosten ten laste van de winst uit onderneming gebracht. Eiser moet de aftrekbaarheid van de kosten onderbouwen met feiten en omstandigheden die een oordeel mogelijk maken over de aard van de kosten en over de vraag of die kosten voor rekening van eiser dienden te komen. Dat de bedragen het vermogen van eiser hebben verlaten houdt niet zonder meer in dat sprake is van zakelijke lasten. Eiser onderbouwt zijn stellingen niet en slaagt daarom niet in de bewijslast. Ten aanzien van artikel 3.15 Wet IB 2001 heeft verweerder een te grote correctie aangebracht, beroep in zoverre gegrond. Boetes op basis van grove schuld blijven in stand, maar worden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn (6 EVRM).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-08-2018
V-N Vandaag 2018/1666
FutD 2018-2116
V-N 2018/57.2.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 16/7637, AWB 16/7638, AWB 16/7639, AWB 16/7640, AWB 16/7641 en AWB 16/7642

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 27 juli 2018

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser,

( [gemachtigde] , gemachtigde)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.

Procesverloop

2010

Verweerder heeft met dagtekening 23 april 2016 aan eiser voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.339, alsmede bij beschikking een boete van € 4.911 en heffingsrente van € 3.372.

Verweerder heeft met dagtekening 6 april 2016 aan eiser voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) opgelegd, berekend naar het maximum bijdrage-inkomen ZVW van € 33.189. Tevens is bij beschikking € 226 aan heffingsrente in rekening gebracht.

2011

Verweerder heeft met dagtekening 23 april 2016 aan eiser voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.303 alsmede bij beschikking een boete van € 3.974 en heffingsrente van € 2.302.

Verweerder heeft met dagtekening 6 april 2016 aan eiser voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag opgelegd, berekend naar het maximum bijdrage-inkomen ZVW voor 2011 van € 33.427. Tevens is bij beschikking € 255 aan heffingsrente in rekening gebracht.

2012

Verweerder heeft met dagtekening 9 april 2016 aan eiser voor het jaar 2012 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.529. Tevens is bij beschikking € 209 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft met dagtekening 9 april 2016 aan eiser voor het jaar 2012 een aanslag ZVW opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen ZVW van € 26.529. Tevens is bij beschikking € 53 aan belastingrente in rekening gebracht.

Eiser heeft tegen de onderhavige (navorderings)aanslagen, boete- en rentebeschikkingen tijdig bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 21 november 2016 de (navorderings)aanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente en belastingrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 12 december 2016, ontvangen door de rechtbank op 16 december 2016, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2018. Tegelijkertijd heeft de zitting plaatsgevonden voor de zaken van eiser voor de omzetbelasting met procedurenummers AWB 16/7643 en AWB 16/7644.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] , [A] , [B] en mr. [C] . Eisers gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, die tot de gedingstukken wordt gerekend.

De rechtbank heeft op 1 juni 2018 het onderzoek gesloten. Nadien hebben partijen de rechtbank bericht dat zij niet alsnog tot overeenstemming zijn gekomen. Voor zover verweerder daarbij nog inhoudelijke standpunten heeft verwoord, heeft de rechtbank verweerder bericht dat zij hiervan geen kennis meer kan nemen omdat het onderzoek gesloten is. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser drijft een eenmanszaak. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit de exploitatie van een belasting- en bedrijfseconomisch advieskantoor onder de naam [D] .

2. Op 12 juni 2012 heeft eiser de aangifte IB/PVV 2010 ingediend. Het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 6.194 en bestaat uit belastbare winst uit onderneming. De definitieve aanslag IB/PVV 2010 is met dagtekening 28 juni 2013 conform de aangifte vastgesteld. De definitieve aanslag ZVW 2010 is eveneens met dagtekening 28 juni 2013 vastgesteld.

3. Op 5 juni 2013 heeft eiser de aangifte IB/PVV 2011 ingediend. Het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 1.814 en bestaat uit belastbare winst uit onderneming. De definitieve aanslag IB/PVV 2011 is met dagtekening 14 november 2014 conform de aangifte vastgesteld. De definitieve aanslag ZVW 2011 is eveneens met dagtekening 14 november 2014 vastgesteld.

4. Op 30 april 2014 heeft eiser de aangifte IB/PVV 2012 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 0.

5. Op 17 november 2014 heeft bij eiser een boekenonderzoek plaatsgevonden. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV en ZVW 2010 tot en met 2012 en de omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 2011 tot en met 30 september 2014. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een rapport met dagtekening 16 februari 2016 (hierna: het rapport). Geconstateerd is onder meer dat de verwerkte administratie niet aansluit met de winstaangiften (en ook niet met de aangiften omzetbelasting), dat er geen deugdelijke urenadministratie van de advieswerkzaamheden is en dat vaste urentarieven ontbraken. Verder geldt dat het onderhanden werk door eiser schattenderwijs wordt bepaald en dat van een aantal als zakelijke kosten verantwoorde uitgaven de facturen ontbreken.

6. In het rapport is geconcludeerd tot een groot aantal correcties, waarvan de correcties 1 tot en met 25 betrekking hebben op de IB/PVV. Op basis van de correcties en na aftrek van de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling bedraagt de gecorrigeerde belastbare winst voor 2010, 2011 en 2012 achtereenvolgens € 56.339, € 46.303 en € 26.529. In het rapport is aangekondigd dat over de jaren 2010 en 2011 navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW worden opgelegd en dat tevens een boete van 25% wordt opgelegd wegens grove schuld. Verder is aangekondigd dat de aanslagen IB/PVV en ZVW 2012 zullen worden vastgesteld in afwijking van de aangifte.

7. De correcties zijn op 16 september 2015 met eiser besproken, net als het voornemen om boetes op te leggen. Eiser heeft toen niet inhoudelijk kunnen reageren, maar heeft toegezegd er later op terug te komen. Dit is echter niet gebeurd en de controleur is er ook niet in geslaagd in contact te komen met eiser. Achtergrond hiervan was dat eiser kampte met langdurige gezondheidsproblemen.

8. In april 2016 zijn de onderhavige (navorderings)aanslagen, boete- en rentebeschikkingen conform de correcties neergelegd in het rapport aan eiser opgelegd.

Geschil

9. In geschil is het antwoord op de vraag of de (navorderings)aanslagen, de boete- en rentebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen aan eiser zijn opgelegd.

10. Ten aanzien van de (navorderings)aanslagen is in geschil of de aangebrachte winstcorrecties juist en correct zijn vastgesteld. Met een aantal correcties is eiser het (gedeeltelijk) eens. Het geschil spitst zich toe op de correcties met betrekking tot de verbouwingskosten, autokosten, reiskosten, verblijf- en representatiekosten, communicatiekosten, kantoorkosten, kosten huisvesting, overige kosten, werk van derden, en niet-aftrekbare kosten en lasten.

Beoordeling van het geschil

Bewijslast

11. Eiser heeft in de onderhavige jaren diverse bedragen (kosten) ten laste van de winst uit onderneming gebracht. Het is aan eiser, die deze bedragen ten laste van zijn winst brengt, om bij betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat hij in 2010, 2011 en 2012 tot de door hem opgegeven bedragen kosten heeft gemaakt. In een geval als het onderhavige brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat eiser de aftrekbaarheid van de kosten onderbouwt met feiten en omstandigheden die een oordeel mogelijk maken over de aard van de kosten en over de vraag of die kosten voor rekening van eiser dienden te komen. De omstandigheid dat de desbetreffende bedragen het vermogen van eiser hebben verlaten houdt niet zonder meer in dat kan worden aangenomen dat deze bedragen als zakelijke last voor rekening van eiser te komen. Ten aanzien van de in geschil zijnde kosten oordeelt de rechtbank als volgt.

Correctie verbouwingskosten

12. Ten aanzien van de verbouwingskosten overweegt de rechtbank dat niet eiser, maar [E] BV eigenaar is van het kantoor. Eisers echtgenote is enig aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap. De factuur van de verbouwingskosten staat op naam van deze vennootschap. Eiser heeft onvoldoende gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, met het oog op welke zakelijke belangen van zijn onderneming hij deze kosten voor zijn rekening zou hebben genomen. Dat er zakelijke afspraken zijn gemaakt met de eigenaar en dat er een vergoeding is bedongen bij het einde van de huurperiode is niet met stukken onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in verband met de verbouwing uitgaven heeft gedaan met het oog op de zakelijke belangen van zijn onderneming. Deze correctie is terecht aangebracht.

Correcte autokosten

13. Met betrekking tot de aan eiser ter beschikking staande Mercedes is niet in geschil dat rekening moet worden gehouden met een bijtelling vanwege privé-gebruik auto. Eiser heeft echter gesteld dat de werkelijke kosten lager zijn dan het bedrag van de bijtelling volgens het rapport, zodat de bijtelling tot de door hem genoemde bedragen aan werkelijke kosten zou moet worden beperkt. Tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de werkelijke kosten de bedragen beliepen die door hem zijn genoemd in de pleitnota. De correcties zijn terecht en naar het juiste bedrag aangebracht.

14. Voor wat betreft de correctie voor het overige privé-gebruik stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat er ook andere auto's op de balans stonden en dat deze door meerdere mensen binnen de onderneming werden gebruikt. Gelet op het bepaalde in artikel 3.20, eerste lid, slotzin, van de Wet IB 2001 worden de auto’s geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te staan, tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor minder dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Met de enkele stelling van eiser dat de auto’s uitsluitend voor zakelijke ritten zijn gebruikt, heeft eiser geen enkel bewijs bijgebracht. Er is ook geen kilometeradministratie overgelegd. Eiser heeft daarom niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan, zodat terecht rekening is gehouden met een bijtelling.

15. Met betrekking tot het in deze correctie begrepen bedrag dat ziet op boeten heeft eiser ter zitting verklaard dat dit punt niet meer in geschil is. Dit geldt ook voor het bedrag dat verband houdt met de strafzaak.

16. De correctie autokosten is gelet op het voorgaande terecht en naar de juiste bedragen in aanmerking genomen.

Correctie reiskosten

17. Ten aanzien van de reiskosten naar diverse bestemmingen heeft eiser tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de reiskosten zijn gemaakt met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. De enkele stelling dat dit zo is, is hiertoe niet voldoende. Eisers stellingen zijn niet met bewijsstukken gestaafd. De correctie reiskosten is in alle onderhavige jaren terecht en naar het juiste bedrag in aanmerking genomen.

Correctie verblijf- en representatiekosten

18. Voor wat betreft de post minder verblijf- en representatiekosten heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het zijn van prins carnaval een zakelijk belang van zijn onderneming heeft gediend. Dat eiser heeft verklaard geen liefhebber te zijn van carnaval en dat hij geen alcohol drinkt, maakt nog niet dat de door hem geboekte kosten een zakelijke last zijn. Ook is op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat de vergoeding van de factuur van [F] op een andere kostenrekening is geboekt. De door verweerder in de onderhavige jaren in aanmerking genomen correctie verblijf- en representatiekosten is daarom terecht aangebracht.

Correctie communicatiekosten

19. Ten aanzien van de communicatiekosten heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat deze kosten een privé element omvatten. De rechtbank acht het redelijk deze kosten te schatten op ongeveer een vierde gedeelte. Eiser heeft daartegenover niet aannemelijk gemaakt dat een groter gedeelte van de kosten zakelijk is, dan het deel door verweerder reeds in aftrek is toegelaten. Dat er naast de telefoonlijn waar de kostencorrectie op ziet een andere privé telefoonlijn zou zijn, heeft eiser niet met stukken onderbouwd. De correctie communicatiekosten is daarom terecht en tot het juiste bedrag in aanmerking genomen.

Correctie kantoorkosten

20. Voor wat betreft de post minder kantoorkosten heeft eiser gesteld dat de kranten, het tijdschrift [G] en het [H] mede bestemd zijn voor de leestafel voor cliënten, zodat de kostenpost een gemengd karakter heeft en daarom slechts voor de helft gecorrigeerd zou moeten worden. Eiser gaat er echter aan voorbij dat de correctie ook posten omvat als het abonnement op de sportschool, het onderhoud van de CV ketel enzovoort. Verweerder heeft een deel van de geboekte kantoorkosten geaccepteerd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat een groter deel van de kosten moet worden geaccepteerd dan verweerder bij de controle heeft gedaan.

Correctie kosten huisvesting

21. Eiser heeft ten aanzien van deze correctie gesteld dat hij akkoord kan gaan met de correctie die verweerder voor het jaar 2010 in aanmerking heeft genomen mits de correctie voor 2011 en 2012 wordt beperkt tot respectievelijk € 1.944,28 en € 4.963,46. Eiser heeft hiervan echter geen berekening overgelegd, zodat niet bekend is hoe de door hem voorgestane bedragen zijn samengesteld. Zonder nadere toelichting - welke ontbreekt - heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij tot de genoemde bedragen zakelijke uitgaven heeft gedaan die hij als kosten ten laste van zijn winst kan brengen. De correcties blijven dus geheel in stand.

Correctie overige kosten

22. Met betrekking tot de kosten van [I] acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat uit zakelijke overwegingen de advocaatnota van een cliënt wordt betaald. Eiser heeft deze zakelijke overwegingen ook niet nader onderbouwd, laat staan met bewijsstukken gestaafd. Eiser heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat hij deze kosten terecht ten laste van de winst heeft gebracht. De correctie blijft in stand.

Correctie werk van derden

23. Ten aanzien van het werk van derden overweegt de rechtbank dat eiser aanvankelijk heeft verklaard dat de werkzaamheden van de zoon betrekking hadden op het archief. In de pleitnota is gesteld dat het ging om het schoonmaken van het bedrijfspand. Ook is over het vergoeden van reiskosten wisselend verklaard. De rechtbank acht deze kostenpost onvoldoende aannemelijk gemaakt, temeer nu hier geen factuur aan ten grondslag ligt en de zoon de inkomsten ook niet in de inkomstenbelasting heeft verantwoord.

Correctie niet aftrekbare kosten en lasten.

24. Verweerder heeft deze kosten (voor een deel) al gecorrigeerd onder het kopje verblijf- en representatiekosten bij punt 3.4 van het rapport. Eiser heeft gesteld dat er dan geen grond meer is voor een forfaitaire kostencorrectie als bedoeld in artikel 3.15 van de Wet IB 2001. Verweerder heeft erkend dat de correctie voor de niet-aftrekbare kosten en lasten te hoog is geweest. Verweerder heeft gesteld dat van de in het rapport als zakelijke last geaccepteerde kosten slechts een deel voor aftrek in aanmerking komt, zodanig dat van de totale kosten 73,5% in aftrek komt. Verder heeft verweerder zich beroepen op interne compensatie.

25. Met betrekking tot deze correctie overweegt de rechtbank als volgt. De aftrekbeperking van artikel 3.15 van de Wet IB ziet op voedsel, drank en genotmiddelen, representatie en kosten van congressen. De onderbouwing die verweerder in het verweerschrift heeft gegeven is naar het oordeel van de rechtbank niet juist. Hoofdregel van artikel 3.15 van de Wet IB 2001 is de aftrekbeperking in de vorm van een vast bedrag (forfaitaire benadering) van € 4.300 in 2010 en 2011 en € 4.400 in 2012. De door verweerder genoemde procentuele aftrekbeperking is slechts van toepassing indien de belastingplichtige hierom (bij aangifte) heeft verzocht, hetgeen is gesteld noch gebleken. Dit is ook niet waarschijnlijk, omdat dit een grotere correctie tot gevolg heeft dan de forfaitaire benadering.

26. De door verweerder onder 3.4 van het rapport genoemde bedragen zijn hoger dan de forfaitaire aftrekbeperking. In deze correctiebedragen zijn echter waarschijnlijk ook kosten begrepen die niet vallen onder de aftrekbeperking van artikel 3.15 (verblijfkosten). Omdat eiser behalve hetgeen hiervoor onder 18. is vermeld, geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de correctie verblijf- en representatiekosten (correctievoorstellen 8 en 9 van het rapport) gaat de rechtbank ervan uit dat de representatiekosten tot het bedrag van het forfait zijn gecorrigeerd en dat de correctiebedragen voor het overige zien op verblijfkosten. Dat minder dan het forfaitaire bedrag is gecorrigeerd voor de representatiekosten is gesteld noch aannemelijk geworden.

27. Omdat de representatiekosten al tot het bedrag van het forfait zijn gecorrigeerd is er in 2010 en 2011 geen plaats voor een aanvullende aftrekcorrectie van € 2.000 per jaar zoals door verweerder toegepast. De rechtbank acht het beroep op interne compensatie onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom de correctie niet aftrekbare kosten en lasten van € 2.000 per jaar schrappen. Het beroep voor de IB/PVV 2010 en 2011 is in zoverre gegrond.

28. Het voorgaande betekent dat de belastbare winst uit onderneming en daarmee het belastbaar inkomen uit werk en woning over de jaren 2010 en 2011 als volgt moet worden vastgesteld:

2010

De gecorrigeerde winst uit onderneming bedraagt (€ 68.596 minus € 2.000)

€ 66.596

Af: zelfstandigenaftrek (ongewijzigd)

€ 4.574

MKB winstvrijstelling 12%

€ 7.443

Vastgestelde belastbare winst

€ 54.579

2011

De gecorrigeerde winst uit onderneming bedraagt (€ 57.853 minus € 2.000)

€ 55.853

Af: zelfstandigenaftrek

€ 5.931

MKB winstvrijstelling 12%

€ 5.991

Vastgestelde belastbare winst

€ 43.931

29. Voor het jaar 2012 heeft verweerder een bedrag van € 2.009 gecorrigeerd als correctievoorstel 10. Ervan uitgaande dat dit bedrag volledig ziet op kosten als bedoeld in artikel 3.15 van de Wet IB 2001 is minder dan het forfait van € 4.400 gecorrigeerd. Door alsnog een extra correctie toe te passen van € 2.000 is de aanslag IB/PVV 2012 niet te hoog vastgesteld.

30. De navorderingaanslagen ZVW 2010 en 2011 zijn gebaseerd op het maximum bijdrage-inkomen ZVW voor deze jaren van respectievelijk € 33.189 en € 33.427 zodat de verlaging van de winst uit onderneming geen gevolgen heeft voor de beroepen ZVW over 2010 en 2011. De aanslag ZVW 2012 is evenals de aanslag IB/PVV 2012 niet naar een te hoog bedrag vastgesteld.

Omkering van de bewijslast

31. De rechtbank overweegt dat naar normale bewijslastverdelingsregels is vastgesteld dat verweerder terecht correcties heeft aangebracht op het door eiser aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning in 2010, 2011 en 2012. Daarom kan in het midden blijven of sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast als bedoeld in artikel 25, zesde lid, en artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Een eventuele omkering van de bewijslast kan immers niet tot gevolg hebben dat de hiervoor geschrapte correctie van de kosten als bedoeld in artikel 3.15 van de Wet IB 2001 alsnog in stand zou kunnen blijven.

Heffingsrente/belastingrente

32. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente en belastingrente aangevoerd. Nu de navorderingsaanslag 2010 en 2011 worden verlaagd, dienen de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig te worden verlaagd. Het beroep tegen de beschikking belastingrente 2012 zal ongegrond worden verklaard.

Boetes

33. Op grond van artikel 67e van de AWR en de paragrafen 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) zijn aan eiser over de jaren 2010 en 2011 vergrijpboetes opgelegd van 25%.

34. Ingevolge paragraaf 25 van het BBBB, onderdeel 2, legt de inspecteur een vergrijpboete op van 25 procent ingeval van grove schuld. Van grove schuld is sprake indien de handelwijze van de belastingplichtige moet worden gekwalificeerd als een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. De boetes zijn naar het oordeel van de rechtbank terecht opgelegd. Daarbij is van belang dat eiser belastingadviseur is en dus geacht wordt terzake kundig te zijn. Door kosten waarvan eiser het zakelijke karakter niet kan onderbouwen of die zelfs een overduidelijk privé karakter hebben ten laste van de winst te brengen zonder zich ervan te vergewissen of deze aftrek wel toelaatbaar is heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank zeer nalatig gehandeld, is sprake van grove schuld en acht de rechtbank een boete van 25% passend en geboden.

35. Wel moet de grondslag van de boetes worden verlaagd in verband met de verminderingen genoemd in rechtsoverweging 28. Het belastbaar inkomen uit werk en woning over 2010 wordt € 1.760 lager. Gelet op het toepasselijke tarief van 52% levert dit een vermindering op van de belasting en daarmee van de boetegrondslag van € 915. De boete moet daarom met € 229 worden verlaagd tot € 4.682.

36. Het belastbaar inkomen uit werk en woning over 2011 wordt € 2.372 lager. Gelet op het toepasselijke tarief van 42% levert dit een vermindering op van de belasting en daarmee van de boetegrondslag van € 996. De boete 2011 moet met € 249 worden verlaagd tot € 3.725.

37. Tot slot moeten de boetes worden gematigd in verband met het overschrijden van de redelijke termijn. De boete is aangezegd in het gesprek over het conceptrapport op 16 september 2015. Tot aan het moment van het doen van deze uitspraak zijn ruim twee jaar en 10 maanden verstreken, zodat de redelijke termijn met 10 maanden is overschreden De rechtbank zal de boetes matigen met 10% tot respectievelijk € 4.213 en € 3.352.

Conclusie

38. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard, met uitzondering van de beroepen die zien op de ZVW 2010 en 2011 en de IB/PVV en ZVW 2012.

Proceskostenvergoeding

39. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling vanwege door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De proceskosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 501 (1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep IB/PVV 2012 en ZVW 2012 ongegrond;

  • -

    verklaart de beroepen ZVW 2010 en 2011 ongegrond;

  • -

    verklaart de beroepen met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 en 2011 gegrond, de beschikkingen heffingsrente 2010 en 2011 en de boetebeschikkingen 2010 en 2011 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de jaren 2010 en 2011 behoudens voor zover deze zien op de ZVW 2010 en 2011;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.579;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.931;

  • -

    bepaalt dat de beschikkingen heffingsrente moeten worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslagen;

  • -

    vermindert de boetebeschikking 2010 tot € 4.213;

  • -

    vermindert de boetebeschikking 2011 tot € 3.352;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 501;

  • -

    gelast verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. A.P. Vaatstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 27 juli 2018

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.