Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3329

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
05/820106-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Maximale werkstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden wegens het veroorzaken van een verkeersongeval (artikel 6 WVW 1994).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/820106-16

Datum uitspraak : 27 juli 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

Raadsvrouw: mr. S. Kaya, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 januari 2018 en 13 juli 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 januari 2016 te Tiel in de gemeente Tiel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Weegbree en/of gaande in de richting van het centrum van Tiel, daarmee rijdende op de weg, Dr. J.M.den Uyllaan,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte

terwijl hij, verdachte niet in het bezit was van een geldig rijbewijs voor het besturen van voormeld motorrijtuig (personenauto),

een in die weg (Dr. J.M.den Uyllaan) gelegen voetgangersoversteekplaats(zebra)

is genaderd, welke voetgangersoversteekplaats werd aangegeven middels een in zijn verdachtes rijrichting gekeerd bord L02 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, welk bord zich, gezien zijn, verdachtes rijrichting aan een lantaarn/paal op een in die weg gelegen middengeleiding van die weg (Dr. J.M.den Uyllaan) bevond en/of

een voor hem, verdachte uit op die weg (Dr. J.M.den Uyllaan ) langzamer rijdend ander motorrijtuig, die voormelde voetgangersoversteekplaats (zebra) op korte afstand genaderd was, ter linker zijde is gaan inhalen en/of

(daarbij) in strijd met een op die middengeleider zich bevindend bord D2 van bijlage 1 van voormeld reglement, met een gezien zijn, verdachtes rijrichting naar rechts wijzende pijl, inhoudende "Gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft", die middengeleider aan de gezien, verdachtes rijrichting linker zijde, zonder te remmen en/of met een snelheid gelegen tussen de 60 en 70 kilometer per uur, althans een gezien de situatie aldaar te hoge snelheid, voorbij is gereden en/of

de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto), in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement, niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de

afstand waarover hij, verdachte die weg (Dr. J.M.den Uyllaan) kon overzien en waarover deze vrij was

en/of in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van voormeld reglement, een voetganger, die zich op die voetgangersoversteekplaats (zebra) bevond en/of welke voetganger, gezien zijn, verdachtes rijrichting, doende was om die weg (Dr. J.M.den Uyllaan) van rechts naar links gaande, over te steken, niet voor heeft laten gaan en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg (Dr. J.M.den Uyllaan) en/of

zonder te remmen die voetgangersoversteekplaats (zebra) is op- en/of overgereden en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die zich op die voetgangersoversteekplaats (zebra)bevindende voetgangster (het slachtoffer [slachtoffer] ),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of

- zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte gevaarlijk heeft ingehaald;

art 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994

art 6 Wegenverkeerswet 1994

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 14 januari 2016 te Tiel in de gemeente Tiel, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Weegbree en/of gaande in de richting van het centrum van Tiel, daarmee heeft gereden op de weg, Dr. J.M.den Uyllaan en een in die weg (Dr. J.M.den Uyllaan) gelegen voetgangersoversteekplaats(zebra) is genaderd, welke voetgangersoversteekplaats werd aangegeven middels een in zijn verdachtes rijrichting gekeerd bord L02 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, welk bord zich, gezien zijn, verdachtes

rijrichting aan een lantaarn/paal op een in die weg gelegen middengeleiding van die weg (Dr. J.M.den Uyllaan) bevond en/of

een voor hem, verdachte uit op die weg (Dr. J.M.den Uyllaan ) langzamer rijdend ander motorrijtuig, die voormelde voetgangersoversteekplaats (zebra) op korte afstand genaderd was, ter linker zijde is gaan inhalen en/of

(daarbij) in strijd met een op die middengeleider zich bevindend bord D2 van bijlage 1 van voormeld reglement, met een gezien zijn, verdachtes rijrichting naar rechts wijzende pijl, inhoudende "Gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft", die middengeleider aan de gezien, verdachtes rijrichting linker zijde, zonder te remmen en/of met een snelheid gelegen tussen de 60 en 70 kilometer per uur, althans een gezien de situatie aldaar te hoge snelheid, voorbij is gereden

en/of de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto), in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement, niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (Dr. J.M.den Uyllaan) kon overzien en waarover deze vrij was

en/of in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van voormeld reglement, een voetganger, die zich op die voetgangersoversteekplaats (zebra) bevond en/of welke voetganger, gezien zijn, verdachtes rijrichting, doende was om die weg (Dr. J.M.den Uyllaan) van rechts naar links gaande, over te steken, niet voor heeft laten gaan en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg (Dr. J.M.den Uyllaan) en/of

zonder te remmen die voetgangersoversteekplaats (zebra) is op- en/of overgereden en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die zich op die voetgangersoversteekplaats (zebra)bevindende voetgangster (het slachtoffer [slachtoffer] ),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

dat hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval, dat had plaatsgevonden in Tiel op/aan Dr. J.M. den Uyllaan, op of omstreeks 14 januari 2016, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

art 7 lid 1 ahf/onder b Wegenverkeerswet 1994

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 14 januari 2016 reed verdachte, terwijl hij niet in het bezit was van een rijbewijs, als bestuurder van een personenauto op de Dr. J.M. den Uyllaan in Tiel.2 Verdachte kwam uit de richting van de Weegbree en reed richting het centrum van Tiel.3 Hij naderde een voetgangersoversteekplaats (hierna: zebrapad).4 Dit werd aangegeven met een verkeersbord dat zich op een lantaarnpaal op een middengeleider in de weg bevond.5 Voor verdachte reed een langzamer rijdend voertuig. Verdachte is dit voertuig aan de linker zijde gaan inhalen.6 Op de eerder genoemde middengeleider stond een bord met een dwangpijl, die aangeeft aan welke kant de pijl moet worden gepasseerd.7 De dwangpijl wees naar rechts en verdachte is er tijdens het inhalen aan de linkerkant langs gereden.8

Tijdens de inhaalmanoeuvre heeft verdachte voetganger [slachtoffer] , die vanuit verdachtes rijrichting gezien van rechts naar links het zebrapad overstak, niet voor laten gaan en is met hem in aanrijding gekomen.9

Als gevolg van deze aanrijding was de kop van het dijbeen van [slachtoffer] afgebroken en waren zijn scheen- en kuitbeen boven zijn enkel afgebroken.10

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit ten aanzien van feit 1 vrijspraak voor het primair tenlastegelegde, nu geen sprake is van roekeloos rijden, dan wel zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig rijden. Hiertoe is, kort gezegd, het volgende aangevoerd. Niet bewezen kan worden dat verdachte zonder te remmen en/of met een snelheid gelegen tussen de 60 en 70 kilometer per uur, althans een gezien de situatie aldaar te hoge snelheid heeft gereden. Verdachte kon bij de voetgangersoversteekplaats niet zien dat er een voetganger aan het oversteken was, doordat het voertuig voor hem niet remde of vaart verminderde. Verdachte was zo bezig met het willen passeren van de auto voor hem dat hij de voetganger niet op tijd heeft gezien. Ten slotte is aangevoerd dat op basis van de medische informatie in het dossier niet kan worden vastgesteld dat bij het slachtoffer sprake was van zwaar lichamelijk letsel.

De verdediging stelt zich verder op het standpunt dat de onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank stelt vast dat de zwaarste vorm van schuld, roekeloosheid, verdachte niet ten laste is gelegd.

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 is vereist dat het rijgedrag van verdachte zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam is geweest. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van de gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.

Snelheid en remmen

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld hoe hard verdachte reed toen hij de dwangpijl in de middengeleider aan de linkerkant passeerde.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij 40 tot 50 kilometer per uur reed toen hij de auto voor hem wilde inhalen. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij wist dat daar een zebrapad lag, dat dit vlakbij het station was en dat het spitsuur was.11 Verdachte heeft verder bij de politie verklaard dat het donker was en de auto die voor hem reed en de lantaarnpalen zijn zicht blokkeerden, waardoor hij niet kon zien of er iemand overstak.12 Gelet op die omstandigheden acht de rechtbank wel bewezen dat verdachte, gezien de situatie ter plaatse, met een te hoge snelheid heeft gereden. De rechtbank acht tevens bewezen dat verdachte niet heeft geremd toen hij de middengeleider aan de linkerkant passeerde en het zebrapad op en over reed. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij hard is gaan remmen toen hij de voetganger zag, maar gelet op de getuigenverklaringen en het rapport van de verkeersongevallendienst acht de rechtbank dit niet aannemelijk. De getuigen hebben geen van allen verklaard dat verdachte remde voordat hij in aanrijding kwam met het slachtoffer. Integendeel, getuige [getuige] heeft verklaard dat hij hoorde dat een auto versnelde en dat hij vervolgens een klap en geschreeuw hoorde. Hij zag dat een [automerk] het zebrapad was gepasseerd en vaart verminderde. Het leek alsof de bestuurder twijfelde en vervolgens zag hij dat de auto versnelde en wegreed.13 In het rapport van de verkeersongevallendienst staat bovendien niet vermeld dat er remsporen zijn aangetroffen en deze zouden wel te verwachten zijn wanneer met een snelheid van 40 tot 50 kilometer per uur hard wordt geremd.

Uit het voorgaande en het feit dat verdachte in aanrijding is gekomen met [slachtoffer] volgt dat verdachte de snelheid van zijn voertuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was het voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze weg vrij was. Ook volgt hieruit reeds dat verdachte kennelijk in onvoldoende mate heeft gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte.

Letsel

Zoals vastgesteld heeft [slachtoffer] als gevolg van het ongeval letsel opgelopen. Hij is hieraan geopereerd en is ruim een week opgenomen geweest in het ziekenhuis. Vervolgens heeft [slachtoffer] nog enkele maanden moeten revalideren.14Gelet op de aard en de ernst van het letsel kwalificeert de rechtbank het letsel van [slachtoffer] als zwaar lichamelijk letsel.

Conclusie

Op grond van het vorenstaande en wat reeds is vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat verdachte door aldus te handelen niet de nodige voorzichtigheid heeft betracht, als gevolg waarvan een ernstig ongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte reed zonder rijbewijs, harder dan in de gegeven situatie verantwoord was, langs de verkeerde kant van de middengeleider - terwijl hij het verkeersbord met richtingpijl zag, maar negeerde - richting een zebrapad zonder te remmen en zonder voldoende op te letten en reed op dat zebrapad een voetganger aan, die hij voorrang had moeten geven, terwijl verdachte een andere auto gevaarlijk inhaalde. Dit zeer onverantwoorde rijgedrag is aan verdachte toe te rekenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gereden en is het ongeval aan zijn schuld te wijten. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van verhoor benadeelde, p. 11;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 53.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 14 januari 2016 te Tiel in de gemeente Tiel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Weegbree en/of gaande in de richting van het centrum van Tiel, daarmee rijdende op de weg, Dr. J.M. den Uyllaan,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte

terwijl hij, verdachte niet in het bezit was van een geldig rijbewijs voor het besturen van voormeld motorrijtuig (personenauto),

een in die weg (Dr. J.M. den Uyllaan) gelegen voetgangersoversteekplaats (zebra) is genaderd, welke voetgangersoversteekplaats werd aangegeven middels een in zijn verdachtes rijrichting gekeerd bord L02 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, welk bord zich, gezien zijn, verdachtes rijrichting aan een lantaarnpaal op een in die weg gelegen middengeleider van die weg (Dr. J.M. den Uyllaan) bevond en/of

een voor hem, verdachte uit op die weg (Dr. J.M. den Uyllaan ) langzamer rijdend ander motorrijtuig, die voormelde voetgangersoversteekplaats (zebra) op korte afstand genaderd was, ter linker zijde is gaan inhalen en/of

(daarbij) in strijd met een op die middengeleider zich bevindend bord D2 van bijlage 1 van voormeld reglement, met een gezien zijn, verdachtes rijrichting naar rechts wijzende pijl, inhoudende "Gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft", die middengeleider aan de gezien, verdachtes rijrichting linker zijde, zonder te remmen en/of met een snelheid gelegen tussen de 60 en 70 kilometer per uur, althans een gezien de situatie aldaar te hoge snelheid, voorbij is gereden en/of

de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto), in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement, niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (Dr. J.M. den Uyllaan) kon overzien en waarover deze vrij was en/of

in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van voormeld reglement, een voetganger, die zich op die voetgangersoversteekplaats (zebra) bevond en/of welke voetganger, gezien zijn, verdachtes rijrichting, doende was om die weg (Dr. J.M. den Uyllaan) van rechts naar links gaande, over te steken, niet voor heeft laten gaan en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg (Dr. J.M. den Uyllaan) en/of

zonder te remmen die voetgangersoversteekplaats (zebra) is op- en/of overgereden en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die zich op die voetgangersoversteekplaats (zebra)bevindende voetganger (het slachtoffer [slachtoffer] ),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of

- zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte gevaarlijk heeft ingehaald.

2.

dat hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval, dat had plaatsgevonden in Tiel op/aan Dr. J.M. den Uyllaan, op of omstreeks 14 januari 2016, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis en ter zake van feit 1, primair, tot oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 60 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met het tijdsverloop in deze zaak, de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het ongeval en het feit dat het ongeval ook grote impact heeft gehad op zijn leven. Na het ongeval heeft verdachte geen rijlessen genomen, als ware een straf voor het voorval. Verdachte heeft ambities in de autobranche en een veroordeling voor een feit uit de Wegenverkeerswet 1994 kan ertoe leiden dat er geen verklaring omtrent gedrag wordt afgegeven.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 30 mei 2018.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte beschikt niet over een rijbewijs. Desondanks is hij in de auto gestapt en heeft zich vervolgens schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval. Vlak voor een zebrapad is hij de auto die voor hem reed gaan inhalen. Hierbij reed hij links langs de middengeleider en dus tegen het verkeer in richting het zebrapad. Dit deed hij terwijl zijn zicht op het zebrapad werd belemmerd en hij niet kon zien of er iemand aan het oversteken was. Vervolgens reed hij zonder te remmen het zebrapad op en over. Op dat zebrapad liep de heer [slachtoffer] , met wie verdachte in aanrijding kwam. Door deze aanrijding heeft de heer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij in de auto is gestapt zonder over een rijbewijs te beschikken en dat hij na het ongeval is doorgereden, zonder zich te bekommeren over het lot van het slachtoffer.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

In de oriëntatiepunten voor straftoemeting is bij overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, indien sprake is van ernstige schuld en zwaar lichamelijk letsel, een taakstraf van 160 uur en 12 maanden rijontzegging als uitgangspunt opgenomen. In dit geval moet daarnaast nog worden meegewogen dat verdachte de plaats van aanrijding heeft verlaten en het slachtoffer in hulpeloze toestand heeft achtergelaten en dat verdachte reed zonder rijbewijs.

Alles afwegende acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden. Gelet op het aanzienlijke tijdsverloop tussen het ongeval en de behandeling ter terechtzitting komt de rechtbank tot een lagere ontzegging van de rijbevoegdheid dan de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank legt een ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van 12 maanden.

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.L.F. Prisse (voorzitter), mr. D.S.M. Bak en mr. J.H. Steverink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Warringa, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 juli 2018.

mr. W.L.F. Prisse en mr. D.S.M. Bak zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016023178, gesloten op 26 mei 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 50, 52.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 7.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 52.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 52; proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 23.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 52.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 52; proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 23.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 52.

9 Proces-verbaal van verhoor benadeelde, p. 11; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 51.

10 Proces-verbaal van verhoor benadeelde, p. 13-14; medische informatie, p. 15.

11 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 juli 2018.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 52

13 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 7.

14 Proces-verbaal van verhoor benadeelde, p. 14.