Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3315

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5808
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep geconverteerd in verzoek om schadevergoeding.

Verzoeker stelt schade te hebben geleden doordat hij verkeerde informatie van verweerder heeft ontvangen over de hoogte van zijn netto Keuze Pensioen per maand. Hij is, zich baserend op een lager bedrag aan Keuze Pensioen, ervan uitgegaan dat hij de vaste lasten van zijn woning in Duitsland niet meer kon dragen, waardoor hij zich genoodzaakt zag te verhuizen naar Nederland.

Afwijzing verzoek om schadevergoeding. Geen onrechtmatig handelen van verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/145
PR-Updates.nl PR-2018-0105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/5808

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2018

in de zaak tussen

[verzoeker] te [woonplaats] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. A. Dolman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten te Aalten, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 20 oktober 2017 heeft verzoeker de rechtbank verzocht om verweerder op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van schade.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden B.E. Wolsink en L. Freijer.

Overwegingen

1. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 15 september 2017, waarbij zijn bezwaar gericht tegen de brief van verweerder van 17 juli 2017 niet-ontvankelijk is verklaard. Ter zitting is gebleken dat verzoeker heeft beoogd een verzoek in te dienen om verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade. Met partijen is afgesproken dat het beroepschrift wordt geconverteerd in een verzoekschrift als bedoeld in artikel 8:90, eerste lid, van de Awb. De brief van verweerder van 17 juli 2016 wordt aangemerkt als een reactie van het bestuursorgaan als bedoeld in artikel 8:90, tweede lid, van de Awb.

2.1.

Op 27 augustus 2013 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin, voor zover van belang, is afgesproken dat verzoeker met ingang van 1 januari 2016 eervol ontslag op eigen verzoek zal worden verleend en hij vanaf die datum gebruik zal maken van het ABP Keuze Pensioen. Eiser woonde in Duitsland toen de overeenkomst werd gesloten.

2.2.

Bij de vaststellingsovereenkomst zijn berekeningen gevoegd van verzoekers op dat moment geldende netto maandsalaris (€ 1.871,35), het netto maandsalaris tot zijn ontslag

(€ 1806,11 in de periode 1 januari 2014 tot 1 juli 2014 en € 1772,11 in de periode 1 juli 2014 tot en met december 2015), het netto maandinkomen uit Keuze Pensioen (€ 1725,96 in de periode 1 januari 2016 tot 4 oktober 2020) en het netto maandinkomen vanaf de AOW-datum van 4 oktober 2020 (€ 1703,16). Op de berekeningen is vermeld dat deze slechts een indicatie geven en dat daaraan geen rechten ontleend kunnen worden.

2.3.

In augustus 2015 heeft verzoeker zijn woning in Duitsland verkocht en is hij verhuisd naar Nederland.

2.4.

Bij ABP-bericht van 26 oktober 2015 is aan verzoeker het ABP Keuze Pensioen toegekend. Het netto maandbedrag is berekend op € 1.803,66. Bij ABP-bericht van 18 november 2015 heeft verzoeker een gewijzigde toekenning en berekening van zijn Keuze Pensioen ontvangen. Het netto Keuze Pensioen per maand is berekend op € 2.615,08.

2.5.

Verzoeker heeft in de periode oktober tot december 2015 diverse malen gemaild met de afdeling personeelszaken van de gemeente Aalten met het verzoek om hem duidelijkheid te geven over het juiste bedrag aan Keuze Pensioen.

2.6.

Bij e-mail van 22 december 2015 heeft de afdeling personeelszaken aan verzoeker meegedeeld dat hij ervan kan uitgaan dat de berekening van het ABP van 26 oktober 2015 correct is. Verder is in de e-mail meegedeeld dat verweerder het dossier hiermee als zijnde afgehandeld beschouwt en dat het verzoeker vrij staat nader onderzoek in te stellen.

3. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij schade heeft geleden doordat hij verkeerde informatie van (de afdeling personeelszaken van) verweerder heeft ontvangen over de hoogte van zijn netto Keuze Pensioen per maand. Verzoeker is, zich baserend op het lagere bedrag aan Keuze Pensioen, ervan uitgegaan dat hij de vaste lasten van zijn woning in Duitsland niet meer kon dragen, waardoor hij zich genoodzaakt zag te verhuizen naar Nederland. De schade bestaat uit de verhuiskosten en de lagere verkoopprijs waarmee verzoeker genoegen heeft genomen bij de verkoop van zijn woning.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schade. Het bedrag dat verzoeker momenteel ontvangt aan Keuze Pensioen is in lijn met hetgeen ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is berekend. Ook als verzoeker in Duitsland zou zijn blijven wonen, zou hij vanwege zijn overheidspensioen in Nederland belastingplichtig zijn. Daarom klopt verzoekers stelling niet dat hij een hoger Keuze Pensioen zou hebben ontvangen wanneer hij niet zou zijn verhuisd.

5. Volgens vaste rechtspraak dient bij het beantwoorden van de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt voor vergoeding in aanmerking komt, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht1.

6. Daarbij dienen de volgende vragen beantwoord te worden:

  1. Is sprake van onrechtmatig overheidshandelen?

  2. Is sprake van toerekenbaarheid?

  3. Is sprake van schade?

  4. Is sprake van causaal verband tussen het overheidshandelen en de schade?

  5. Strekt de geschonden norm ook tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden?

Het is aan diegene die schadevergoeding vraagt om te stellen en, indien voldoende gemotiveerd betwist, te bewijzen dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet onrechtmatig heeft gehandeld.

Ten tijde van de voorbereiding van de vaststellingovereenkomst zijn berekeningen gemaakt die indicatief van aard waren. Dat deze berekeningen van onder meer de netto maandbedragen indicatief waren en dat daaraan geen rechten konden worden ontleend is expliciet onder aan de berekeningen vermeld.

In de periode van oktober 2015 tot en met december 2015 hebben partijen contact met elkaar onderhouden en heeft verzoeker vragen gesteld aan verweerder over de hoogte van het netto maandbedrag aan Keuze Pensioen, nadat verzoeker twee van elkaar afwijkende besluiten van het ABP had ontvangen. Wat ook zij van de vraag of verweerder naar aanleiding van dit contact onjuiste informatie heeft gegeven over de hoogte van het netto maandbedrag aan Keuze Pensioen, het lag op de weg van verzoeker zelf om informatie in te winnen bij het ABP en andere instellingen, zoals bijvoorbeeld de Belastingdienst, om duidelijkheid te krijgen over de hoogte van het netto Keuze Pensioen vanaf 1 januari 2016. Dit klemt temeer nu verweerder in de e-mail van 22 december 2015 heeft aangegeven dat het dossier van verzoeker als gesloten wordt beschouwd en het verzoeker vrij staat nader onderzoek te verrichten. Zo één van de toekenningsbesluiten onjuist was, had verzoeker daartegen bij het ABP bezwaar moeten maken.

De beslissing van verzoeker om te verhuizen vanuit Duitsland naar Nederland is een persoonlijke beslissing geweest, waarbij het aan verzoeker was alle daarvoor noodzakelijke informatie in het winnen bij verlenende instanties als het ABP en bij de heffingsambtena(a)r(en). Niet geoordeeld kan worden dat op verweerder de verplichting rustte om deze informatie voor verzoeker te vergaren en vervolgens aan hem te verstrekken. Daarenboven blijkt uit de stukken niet dat verzoeker, toen hij bij verweerder informeerde welke hoogte van het Keuze Pensioen de juiste was, aan verweerder kenbaar heeft gemaakt dat deze informatie voor hem noodzakelijk was voor de beslissing om vanuit Duitsland naar Nederland te verhuizen. De verkoop van de woning in Duitsland in augustus 2015 en de terugkeer naar Nederland hadden op dat moment overigens ook al plaatsgevonden.

8. Nu de eerste vraag, de vraag of sprake is van onrechtmatig overheidshandelen, ontkennend wordt beantwoord, bestaat geen grond voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding en komt de rechtbank aan de vervolgvragen niet toe.

9. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. B. de Vries, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 18 juli 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:960