Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3307

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
05/841127-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor mishandeling vrouw, kinderen, schoonzoon en diens moeder en bedreiging en belediging van een hulpofficier van justitie. Spugen in het gezicht; mishandeling of belediging?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/841127-17

Datum uitspraak : 24 juli 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1971 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] ,

thans gedetineerd te P.I. HvB Grave (Unit A + B) te Grave,

raadsman: mr. T. den Haan, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

18 april 2018 en 10 juli 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 oktober 2017 te Ede

zijn kind, [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2003),

heeft mishandeld door deze [slachtoffer 1] één of meerdere malen (met kracht) aan

de haren te trekken en/of tegen/op de rug, althans het lichaam, te stompen

en/of te slaan;

2.

hij op of omstreeks 13 oktober 2017 te Ede

zijn kind, [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] 2000),

heeft mishandeld door deze [slachtoffer 2] één of meerdere malen (met kracht) aan

de haren te trekken en/of tegen/in het gezicht te stompen en/of te slaan;

3.

hij op of omstreeks 13 oktober 2017 te Ede

zijn echtgenote, [slachtoffer 3] , heeft mishandeld door deze [slachtoffer 3] één of

meerdere malen (met kracht) (met een hard voorwerp) op/tegen het hoofd te

slaan en/of (met kracht) aan de haren te trekken;

4.

hij op of omstreeks 13 oktober 2017 te Ede

[slachtoffer 5] (Hulpofficier van Justitie van politie) heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 5]

dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga jou doodmaken" en/of "Ik steek je

ogen uit", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij op of omstreeks 13 oktober 2017 te Ede,

een ambtenaar, [slachtoffer 5] ,

gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn

bediening heeft mishandeld door deze [slachtoffer 5] in/tegen het gezicht te spugen;

althans, indien het vorenstaande onder 5 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 13 oktober 2017 te Ede

opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 5] (Hulpofficier van Justitie van

politie), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar

bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden,

heeft beledigd, door in/tegen het gezicht van deze [slachtoffer 5] te spugen;

6.

hij op of omstreeks 24 januari 2018 te Ede

(zijn dochter) [slachtoffer 4] heeft mishandeld door deze [slachtoffer 4] (met

kracht) in/op de buik te stompen en/of aan de arm te trekken;

7.

hij op of omstreeks 24 januari 2018 te Ede

[slachtoffer 6] heeft mishandeld door deze [slachtoffer 6] (met kracht) in/tegen de

nek te stompen en/of te slaan en/of (vervolgens) meerdere malen tegen/op het

(boven)been te trappen en/of te schoppen;

8.

hij op of omstreeks 24 januari 2018 te Ede

[slachtoffer 7] heeft mishandeld door deze [slachtoffer 7] (met kracht)

op/tegen het voorhoofd te stompen en/of te slaan (terwijl hij, verdachte, een

sleutel in zijn hand had) en/of één of meerdere malen in/tegen het gezicht

en/of de buik te stompen en/of te slaan en/of tegen/op de duim te schoppen.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2, 3, 4, 5 subsidiair, 6, 7 en 8 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft ter terechtzitting de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 3 partiële vrijspraak bepleit. Volgens de verdediging kan niet worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] met een (hard) voorwerp tegen of op het hoofd heeft geslagen. [slachtoffer 3] heeft geen verklaring afgelegd en niemand weet hoe de wond is ontstaan.

Ten aanzien van feit 5 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair tenlastegelegde, nu het handelen van verdachte geen mishandeling oplevert.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 1

[slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), geboren op [geboortedatum 2] 2003 en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), geboren op [geboortedatum 3] 2000, zijn de dochters van verdachte en [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] is de echtgenote van verdachte.2

[slachtoffer 1] heeft het volgende verklaard. Toen zij op 13 oktober 2017 om 19:00 uur thuis kwam in hun woning te Ede, was haar vader boos. [slachtoffer 1] hoorde dat haar vader tegen [slachtoffer 2] en haar moeder aan het schelden was.3 Op enig moment stonden zij allemaal in de keuken. [slachtoffer 1] zag dat haar vader ineens aan de haren van [slachtoffer 2] trok en met zijn vuist in haar nek sloeg. Vervolgens begon haar vader haar moeder te slaan. Toen de moeder van [slachtoffer 1] naar buiten rende, wilde [slachtoffer 1] achter haar moeder rennen. [slachtoffer 1] werd toen door haar vader aan haar haren getrokken. Dit deed haar pijn en zij zag een pluk haar op de grond liggen. Vervolgens sloeg haar vader haar met een vuist op haar rug. Ten tijde van het afleggen van haar verklaring voelde [slachtoffer 1] pijn aan haar rug.4

[slachtoffer 2] deed mede namens haar moeder aangifte en heeft het volgende verklaard.5 Op 13 oktober 2017 omstreeks 19:00 uur was [slachtoffer 2] thuis in hun woning te Ede. Haar vader kwam die avond boos thuis, hij vloekte en schreeuwde. Op enig moment zag [slachtoffer 2] dat haar vader haar moeder aan de haren richting de keuken trok. Toen [slachtoffer 2] naar hen toe liep, trok haar vader ook aan haar haren. Ook voelde [slachtoffer 2] dat zij een vuistslag tegen haar slaap kreeg. Het trekken aan de haren en de vuistslag deden [slachtoffer 2] pijn. Toen [slachtoffer 1] hen uit elkaar probeerde te halen, werd zij ook door haar vader aan haar haren getrokken.6

Verdachte heeft verklaard dat hij op 13 oktober 2017 zijn dochters, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , en zijn echtgenote aan de haren heeft getrokken.7

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zijn dochters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (feiten 1 en 2) en zijn echtgenote (feit 3) heeft mishandeld door hen aan de haren te trekken. Ondanks de ontkenning van verdachte, acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte zijn dochters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geslagen. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan hun verklaringen te twijfelen, nu deze op hoofdlijnen met elkaar overeenkomen.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zijn echtgenote met een voorwerp tegen het hoofd heeft geslagen. Weliswaar blijkt uit de verklaringen dat zijn echtgenote een wond op haar hoofd had, in het dossier bevinden zich geen bewijsmiddelen dat deze wond door het toedoen van verdachte is ontstaan. De verdachte zal daarvan partieel worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de feiten 4 en 5 8

Op 13 oktober 2017 was aangever [slachtoffer 5] werkzaam als hulpofficier van justitie en bezig met de voorgeleiding van verdachte. Ten tijde van de voorgeleiding heeft verdachte, terwijl hij [slachtoffer 5] aankeek, onder meer het volgende geroepen: “Ik ga jou dood maken, ik steek je ogen uit”. [slachtoffer 5] voelde zich door deze woorden bedreigd. Vervolgens zag en voelde [slachtoffer 5] dat verdachte hem bespuugde. [slachtoffer 5] voelde dat het speeksel van verdachte zijn kin, hals en trui raakte. [slachtoffer 5] voelde zich door het spugen vernederd.9

Verdachte heeft verklaard dat hij vervelende dingen tegen de hulpofficier van justitie heeft geroepen en dat hij op hem heeft gespuugd.10

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling (feit 4) en dat verdachte op [slachtoffer 5] heeft gespuugd (feit 5).

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe het bewezenverklaarde handelen van feit 5 gekwalificeerd dient te worden. Zij overweegt daartoe het volgende.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 11 februari 1929 (NJ 1929, p. 503) volgt dat sprake moet zijn van een zeer onaangename fysieke ervaring, wil het bewezenverklaarde handelen als mishandeling gekwalificeerd kunnen worden. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder omstandigheden het bespuugd worden een zeer onaangename fysieke ervaring zijn. Dat dit in het concrete geval voor degene die bespuugd is ook daadwerkelijk het geval is geweest, zal uit de bewijsmiddelen moeten volgen. In het onderhavige geval heeft verdachte op [slachtoffer 5] gespuugd en heeft hij zijn kin, hals en trui geraakt. [slachtoffer 5] heeft hierover en over de directe gevolgen voor hem verklaard dat hij het spugen vernederend vond. Van enig fysiek gevolg blijkt niet. Het zich vernederd voelen duidt veel meer op een onaangename psychische ervaring, en niet op een onaangename fysieke ervaring. Gelet daarop zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de onder primair ten laste gelegde mishandeling en zal zij het handelen van verdachte kwalificeren als een belediging.

Ten aanzien van de feiten 6, 7 en 8 11

[slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) is de dochter van verdachte. Zij heeft het volgende verklaard.

Op 24 januari 2018 was zij samen met haar vriend [slachtoffer 7] (hierna: [slachtoffer 7] ) in het ziekenhuis te Ede, alwaar [slachtoffer 4] die dag bevallen was van hun dochter. Op enig moment zag [slachtoffer 4] dat verdachte binnen kwam en meteen begon te schelden. [slachtoffer 4] zag dat verdachte met zijn vuist meerdere malen op het gezicht van [slachtoffer 7] sloeg. Ook zag zij dat [slachtoffer 7] bloed op zijn hoofd had. [slachtoffer 4] wilde hulp halen, maar werd tegengehouden door verdachte.12 [slachtoffer 4] zag en voelde dat verdachte met zijn vuist in haar buik sloeg. Dit deed [slachtoffer 4] pijn. Vervolgens zag zij dat verdachte meerdere keren met zijn vuist in het gezicht van [slachtoffer 7] sloeg.13

[slachtoffer 7] , de vriend van [slachtoffer 4] , heeft het volgende verklaard. Op 24 januari 2018 was hij in het ziekenhuis te Ede. [slachtoffer 4] was net bevallen en zij waren samen op de kraamkamer. Op enig moment stond verdachte in de deuropening. [slachtoffer 7] zag en hoorde dat verdachte meteen begon te schreeuwen en te schelden. Verdachte pakte vervolgens met zijn hand een autosleutel. Het gedeelte dat normaal gesproken in het slot gaat, stak uit zijn hand. Verdachte heeft [slachtoffer 7] toen op zijn hoofd geraakt. [slachtoffer 7] voelde pijn.14 Vervolgens zag [slachtoffer 7] dat verdachte [slachtoffer 4] een vuist gaf. [slachtoffer 7] zag dat deze klap ergens rond haar buik terechtkwam. Even later heeft verdachte [slachtoffer 7] een klap op zijn kaak gegeven. Ook dit deed [slachtoffer 7] pijn. [slachtoffer 7] en verdachte zijn daarna in een gevecht geraakt waarbij [slachtoffer 7] meerdere klappen in zijn gezicht en buik heeft gehad. Ook heeft verdachte tegen de duim van [slachtoffer 7] getrapt.15

Getuige [getuige] was op 24 januari 2018 werkzaam als verpleegkundige op de kraam- en verlosafdeling van het ziekenhuis te Ede. Die dag was patiënt [slachtoffer 4] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 4] ) bevallen van haar kindje. [slachtoffer 4] lag op kamer 5. Op enig moment zag [getuige] een man kamer 5 binnenlopen. Zij hoorde een hoop geschreeuw uit de kamer komen.16

Vervolgens zag [getuige] de man en de vriend van [slachtoffer 4] duwend en trekkend de kamer uitkomen. Even later zag [getuige] dat de man [slachtoffer 4] in haar buik sloeg. Daarna zag zij dat de vriend van [slachtoffer 4] en de man elkaar sloegen en schopten.17

Verdachte heeft verklaard dat hij in het ziekenhuis ruzie heeft gemaakt met [slachtoffer 7] en dat hij met [slachtoffer 7] heeft gevochten.18

Aangeefster [slachtoffer 6] heeft verklaard dat zij op 24 januari 2018 in het ziekenhuis te Ede was.

Op de gang (afdeling verloskunde) kwam [slachtoffer 6] verdachte tegen. Verdachte kwam in de richting van [slachtoffer 6] en sloeg haar in haar nek. Een bewaker probeerde verdachte weg te duwen. Verdachte kwam los en schopte twee à drie keer tegen het bovenbeen van [slachtoffer 6] . Ten tijde van het afleggen van haar verklaring, voelde [slachtoffer 6] nog steeds pijn aan haar nek en been.19

Getuige [naam] was op 24 januari 2018 werkzaam als beveiliger in het ziekenhuis te Ede. Toen hij op de kraam- en verlosafdeling kwam, zag hij een oudere man vechten met een oudere vrouw. [naam] is er toen tussengesprongen. Vervolgens hoorde hij de oudere man en de oudere vrouw schreeuwen. [naam] zag dat de man de oudere vrouw een trap tegen haar been gaf.20

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 6] heeft geschopt.21

Gelet op vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank het volgende bewezen.

Ten aanzien van feit 6 acht de rechtbank bewezen dat verdachte zijn dochter, [slachtoffer 4] , heeft mishandeld door haar in/op de buik te stompen. De rechtbank acht niet bewezen dat het aan de arm van [slachtoffer 4] trekken een mishandeling in strafrechtelijke zin oplevert, nu [slachtoffer 4] niet heeft verklaard dat dit pijn deed. Verdachte zal daarvan partieel worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 7 acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer 6] heeft mishandeld

door haar meerdere malen tegen het been te trappen. Ondanks de ontkenning van verdachte, acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte [slachtoffer 6] in/tegen de nek heeft gestompt en/of geslagen. De verklaring van [slachtoffer 6] wordt daarin ondersteund door de verklaring van [naam] , namelijk dat hij de oudere man en de oudere vrouw eerst heeft zien vechten.

Ten aanzien van feit 8 acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer 7] heeft mishandeld door hem meerdere malen tegen/in het gezicht en de buik te stompen en/of te slaan en tegen zijn duim te schoppen. Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte, terwijl hij een sleutel in zijn hand had, op/tegen het voorhoofd van [slachtoffer 7] heeft gestompt en/of geslagen. De verklaring van [slachtoffer 7] wordt hierin ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 4] . Zij heeft namelijk gezien dat [slachtoffer 7] bloed aan zijn hoofd had.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 subsidiair, 6, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 13 oktober 2017 te Ede

zijn kind, [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2003),

heeft mishandeld door deze [slachtoffer 4] één of meerdere malen (met kracht) aan

de haren te trekken en/of tegen/op de rug, althans het lichaam, te stompen

en/of te slaan;

2.

hij op of omstreeks 13 oktober 2017 te Ede

zijn kind, [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 3] 2000),

heeft mishandeld door deze [slachtoffer 4] één of meerdere malen (met kracht) aan

de haren te trekken en/of tegen/in het gezicht te stompen en/of te slaan;

3.

hij op of omstreeks 13 oktober 2017 te Ede

zijn echtgenote, [slachtoffer 3] , heeft mishandeld door deze Dordevic één of

meerdere malen (met kracht) (met een hard voorwerp) op/tegen het hoofd te

slaan en/of (met kracht) aan de haren te trekken;

4.

hij op of omstreeks 13 oktober 2017 te Ede

[slachtoffer 5] (Hulpofficier van Justitie van politie) heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 5]

dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga jou doodmaken" en/of "Ik steek je

ogen uit", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij op of omstreeks 13 oktober 2017 te Ede

opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 5] (Hulpofficier van Justitie van

politie), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar

bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden,

heeft beledigd, door in/tegen het gezicht van deze [slachtoffer 5] te spugen;

6.

hij op of omstreeks 24 januari 2018 te Ede

(zijn dochter) [slachtoffer 4] heeft mishandeld door deze [slachtoffer 4] (met

kracht) in/op de buik te stompen en/of aan de arm te trekken;

7.

hij op of omstreeks 24 januari 2018 te Ede

[slachtoffer 6] heeft mishandeld door deze [slachtoffer 6] (met kracht) in/tegen de

nek te stompen en/of te slaan en/of (vervolgens) meerdere malen tegen/op het

(boven)been te trappen en/of te schoppen;

8.

hij op of omstreeks 24 januari 2018 te Ede

[slachtoffer 7] heeft mishandeld door deze [slachtoffer 7] (met kracht)

op/tegen het voorhoofd te stompen en/of te slaan (terwijl hij, verdachte, een

sleutel in zijn hand had) en/of één of meerdere malen in/tegen het gezicht

en/of de buik te stompen en/of te slaan en/of tegen/op de duim te schoppen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 6, telkens:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind.

Ten aanzien van feit 3:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot.

Ten aanzien van feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 5:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de uitoefening van zijn bediening.

Ten aanzien van feit 6:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind.

Ten aanzien van de feiten 7 en 8, telkens:

mishandeling.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie geëist dat aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarde wordt gekoppeld dat verdachte actief contact dient te onderhouden met de gezinsregisseur van het sociaal team van de gemeente Ede en dat hij zal meewerken en zijn best zal doen, zolang als de gezinsregisseur dit noodzakelijk acht. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht om te bevelen dat deze bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om aan te sluiten bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van de LOVS. Ten aanzien van de door de officier van justitie voorgestelde bijzondere voorwaarde heeft de verdediging vraagtekens gesteld bij de haalbaarheid, nu daarvoor de medewerking van het gezin noodzakelijk is.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 31 mei 2018;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Leger des Heils van 15 juni 2018;

- een Pro Justitia rapportage van 11 juni 2018 van dr. T.W.D.P. van Os, psychiater en drs. B. Koudstaal, klinisch psycholoog.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks delicten.

Op 13 oktober 2017 heeft verdachte zijn vrouw en kinderen (toen 14 en 17 jaar oud) mishandeld. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn vrouw en kinderen. Kinderen behoren door hun ouders beschermd te worden en in een veilige omgeving op te groeien. De mishandelingen van zowel zijn kinderen als zijn vrouw vonden thuis plaats, bij uitstek een plek die het meest veilig zou moeten zijn.

Daarnaast heeft verdachte op 24 januari 2018 zijn dochter, zijn schoonzoon en diens moeder mishandeld. De mishandelingen vonden plaats in het ziekenhuis, alwaar zijn dochter als patiënt lag omdat zij kort daarvoor bevallen was van haar dochter. Verdachte heeft op de kraam- en verlosafdeling – een plek waar rust juist nodig is – een ongelofelijke onrustige en onveilige situatie gecreëerd. Verdachte heeft zijn schoonzoon meerdere malen geslagen en geschopt en zijn dochter – die net bevallen was – in haar buik geslagen. Nadat verdachte door de beveiliger was weggehaald, heeft hij zich los weten te rukken en heeft hij de moeder van zijn schoonzoon mishandeld. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij zelfs in een ziekenhuis zich te buiten laat gaan aan ongeremde agressie tegen naasten, in het bijzonder tegen zijn zojuist bevallen dochter. Verdachte heeft met zijn handelen met niets en niemand rekening gehouden. Tot slot heeft verdachte, nadat hij was aangehouden en voorgeleid, de hulpofficier van justitie bedreigd en beledigd door hem in het gezicht te spugen. De rechtbank vindt dit volstrekt onacceptabel en respectloos gedrag. Verdachte heeft hiermee de hulpofficier, die gewoon zijn werk verrichte, in zijn eer en goede naam aangetast. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat in je gezicht gespuugd worden een buitengewoon vieze ervaring is.

De rechtbank is van oordeel dat voor afdoening van deze zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een vrijheidsbenemende straf. De straf die de rechtbank oplegt zal lager uitvallen dan de eis van de officier van justitie, nu de rechtbank rekening houdt met hetgeen doorgaans in soortgelijke zaken wordt opgelegd. Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. De bijzondere voorwaarde – zoals deze is voorgesteld door de officier van justitie – zal de rechtbank niet opleggen. Voor de uitvoerbaarheid van een dergelijke voorwaarde is medewerking van het gezin vereist en niet is gebleken dat bereidheid daartoe bestaat

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 57, 266, 267, 285, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. van Apeldoorn (voorzitter), mr. C.H.M. Pastoors en

mr. M.G.E. ter Hart, rechters, in tegenwoordigheid van D. Waizy, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 juli 2018.

mr. C.J.M. van Apeldoorn en mr. C.H.M. Pastoors zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017478052, gesloten op 15 oktober 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal den de overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De processen-verbaal van aangifte, p. 6 en 11.

3 Het proces-verbaal van aangifte, p. 6.

4 Het proces-verbaal van aangifte, p. 7.

5 Het proces-verbaal van aangifte, p. 11.

6 Het proces-verbaal van aangifte, p. 12.

7 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 juli 2018.

8 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017478052, gesloten op 15 oktober 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal den de overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

9 Het proces-verbaal van aangifte, p. 16 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 18 en 19.

10 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 juli 2018.

11 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018039214, gesloten op 26 januari 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

12 Het proces-verbaal van aangifte, p. 25.

13 Het proces-verbaal van aangifte, p. 26.

14 Het proces-verbaal van aangifte, p. 20.

15 Het proces-verbaal van aangifte, p. 21.

16 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 30.

17 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 31.

18 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 44 en 47.

19 Het proces-verbaal van aangifte, p. 18.

20 Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 35 en 36.

21 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 juli 2018.