Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3301

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1565 en 18_2584
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Participatiewet. Intrekking bijstand in verband intrekking verblijfsvergunningen door de IND met terugwerkende kracht. Met ingang van 23 november 2017 is de gelijkstelling op grond van artikel 11, derde lid, van de Pw beëindigd en was verweerder bevoegd de bijstand van eisers met ingang van die datum in te trekken. Verweerder heeft echter de over de periode van 7 december 1998 tot en met 10 augustus 2016 verstrekte bijstand ten onrechte ingetrokken. De intrekking met terugwerkende kracht van een toelating van een vreemdeling brengt niet mee dat de over de aan dat besluit voorafgaande periode verleende bijstand reeds op die grond kan worden ingetrokken en/of teruggevorderd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: 18/1565 en 18/2584

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2018

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

tezamen eisers

(gemachtigde: mr. J. de Jong),

en

het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland te Geldermalsen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstand van eisers per 7 december 1998 ingetrokken.

Bij besluit van 8 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en de bijstand van eisers beëindigd en ingetrokken over de periode van 7 december 1998 tot 11 augustus 2016 en per 23 november 2017.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknummer 18/1565).

Tevens hebben eisers verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer 18/2584).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en een tolk in de Turkse taal, R. Baysal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. Rijs.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1.

Eisers zijn geboren in Turkije. Op 3 april 1997 zijn eisers Nederland ingereisd onder de naam ‘Latifoglu’. Aan eisers zijn met ingang van 4 april 1997 verblijfsvergunningen zonder beperking op grond van klemmende redenen van humanitaire aard verleend. Met ingang van 1 april 2001 zijn de vergunningen omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Bij besluiten van 1 april 2004 is aan eisers het Nederlanderschap verleend.

1.2.

Eisers ontvangen sinds 7 december 1998 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Participatiewet (Pw). Eisers hebben de bijstand aangevraagd en ontvangen onder de namen Ömer Latifoglu en Besse Akkürek.

1.3.

Naar aanleiding van een op 15 juni 2009 binnengekomen anonieme melding bij de politie Gelderland-Zuid, divisie vreemdelingenzaken, heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) onderzoek gedaan naar het verblijfsrecht en het Nederlanderschap van eisers. Tevens heeft de sociale recherche onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan eisers verleende bijstand.

1.4.

Bij besluiten van 16 november 2015 heeft de IND de besluiten van 1 april 2004, waarbij aan eisers het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken. Bij besluiten van 10 augustus 2016 heeft de IND de aan eisers verleende verblijfsvergunningen met terugwerkende kracht ingetrokken tot 4 april 1997. De IND heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eisers in de asielprocedure hun ware achternaam, Üren, en hun verblijf en asielaanvraag in Duitsland hebben verzwegen. Als de gegevens wel bekend zouden zijn geweest op het moment van de vergunningverlening zouden aan eisers geen verblijfsvergunningen als vermeld onder 1.1 zijn verleend.

1.5.

De door eisers ingestelde beroepen tegen de onder 1.4 vermelde besluiten van de IND zijn bij uitspraken van 23 november 2017 door de rechtbank Gelderland ongegrond verklaard (zaaknummers: AWB 16/19517, 16/19516, 16/7823 en 16/7860). Eisers zijn in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraken. Bij uitspraak van 23 mei 2018 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bepaald dat eisers bij wijze van voorlopige voorziening niet worden uitgezet totdat op de door hen ingestelde hoger beroepen is beslist. Tevens hebben eisers op 13 december 2017 een nieuwe aanvraag tot regulier verblijf ingediend bij de IND.

2. Verweerder heeft naar aanleiding van vorenstaande feiten de bijstand van eisers ingetrokken over de periode van 7 december 1998 tot 11 augustus 2016 en per 23 november 2017.

3. De rechtbank stelt vast dat de beoordelingsperiode voor de intrekking van bijstand loopt van 7 december 1998 (ingangsdatum intrekking) tot en met 8 maart 2018 (datum bestreden besluit) met een onderbreking van 11 augustus 2016 tot 23 november 2017.

4. De rechtbank stelt verder vast dat niet in geschil is dat eisers niet gelijk kunnen worden gesteld met een Nederlander op grond van artikel 11, tweede lid, van de Pw. In geschil is of eisers kunnen worden gelijkgesteld met een Nederlander op grond van artikel 11, derde lid, van de Pw.

5.1.

Op grond van artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Pw in verbinding met artikel 1 van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Pw, IOAW en IOAZ (Besluit gelijkstelling) wordt voor de toepassing van de Pw met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling, die na rechtmatig verblijf te hebben gehad in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), vóór de beëindiging van die toelating een aanvraag om voortgezette toelating heeft ingediend of tijdig bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van die toelating en die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder g of h, van de Vw 2000.

5.2.

Op grond van artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000 heeft een vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland, die in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20, 33 en 45a, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist.

5.3.

Op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 heeft een vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland, die in afwachting is van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van die vreemdeling achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.

De periode van 23 november 2017 tot en met 8 maart 2018

6.1.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers, gelet op de in 1.5 genoemde uitspraken van de rechtbank, vanaf 23 november 2017 geen recht meer hebben op bijstand.

6.2.

Eisers stellen zich op het standpunt dat zij recht hebben op bijstand nu zij rechtmatig verblijf hebben in de zin van artikel 8, aanhef en onder h dan wel g, van de Vw 2000. Eisers betogen voorts dat zij ook in aanmerking komen voor verlening van bijstand op grond van artikel 16 van de Pw, wegens zeer dringende redenen.

6.3.

Gelet op artikel 82 van de Vw 2000 wordt behoudens uitzonderingen de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning asiel opgeschort totdat de termijn voor het maken van beroep is verstreken of, indien beroep is ingesteld, totdat op het beroep is beslist. Dit betekent dat dan de uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft. De vreemdeling heeft dus hangende het eerste rechtsmiddel tegen die besluiten rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de

Vw 2000. Als eenmaal op het beroep is beslist, dient op grond van deze bepaling de uitzetting van de vreemdeling niet meer achterwege te blijven, zodat de vreemdeling op dat moment geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 meer heeft. Het instellen van hoger beroep heeft niet dezelfde werking.1 Een rechterlijke uitspraak, bijvoorbeeld op een verzoek om een voorlopige voorziening, kan weliswaar bewerkstelligen dat uitzetting toch achterwege blijft, maar in het geval van eisers dateert de voorlopige voorziening van de Afdeling van 23 mei 2018 en valt derhalve buiten de te beoordelen periode.

6.4.

Vorenstaande onder 6.3 betekent dat eisers na de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 23 november 2017 dus niet langer voldeden aan het in artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Pw als eerste gestelde vereiste van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000, zodat reeds daarom de gelijkstelling met een Nederlander was geëindigd. De vraag of eisers nog wel aan de in het Besluit gelijkstelling gestelde voorwaarden voldeed, behoeft daarom geen bespreking.

6.5.

Voor zover eisers stellen dat zij vanaf 13 december 2017, de datum waarop zij een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning regulier hebben ingediend, rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000, overweegt de rechtbank dat dit niet opgaat nu niet is voldaan aan de gestelde voorwaarde in artikel 1, eerste lid onder a, van het Besluit gelijkstelling. Eisers hebben immers de aanvraag niet ingediend voor de beëindiging van dit verblijf.2 Bovendien is er geen sprake van een aanvraag om een voortgezette toelating. Eisers hadden immers een verblijfsvergunning asiel en hebben thans verzocht om een verblijfsvergunning regulier.3

6.6.

Zoals hiervoor in 6.4 is overwogen, is de gelijkstelling op grond van artikel 11, derde lid, van de Pw op 23 november 2017 beëindigd. Aangezien eisers vanaf die datum evenmin op grond van artikel 11, tweede lid, van de Pw kunnen worden gelijkgesteld met een Nederlander, vallen eisers in de periode van 23 november 2017 tot en met 8 maart 2018 onder artikel 16, tweede lid, van de Pw, en kan aan hen, zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, in die periode geen bijstand ingevolge de Pw worden verleend. Gelet hierop was verweerder bevoegd de bijstand van eisers met ingang van 23 november 2017 in te trekken. Tegen de wijze waarop verweerder van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, hebben eisers geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

Periode van 7 december 1998 tot en met 10 augustus 2016

7.1.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers vanaf 7 december 1998 geen recht op bijstand hebben, omdat eisers achteraf gezien, gelet op de onder 1.4 vermelde besluiten van de IND van 10 augustus 2016, niet tot de kring van rechthebbenden behoorden en eisers redelijkerwijs hebben kunnen begrijpen dat de bijstand ten onrechte werd verleend.

7.2.

Eisers stellen dat de bijstand niet ten onrechte is verleend, althans dat zij niet redelijkerwijs konden begrijpen dat de bijstand ten onrechte is verleend.

7.3.

Onder verwijzing naar een drietal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 12 mei 2015, 22 december 2015 en 7 juni 2016 overweegt de rechtbank dat de intrekking met terugwerkende kracht van een toelating van een vreemdeling niet meebrengt dat de bijstand die over de aan dat besluit voorafgaande periode is verleend reeds op die grond kan worden ingetrokken en/of teruggevorderd. Artikel 11 van de Pw, artikel 1 van het Besluit gelijkstelling, noch de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepalingen bieden aanknopingspunten voor het door verweerder ingenomen standpunt. Intrekking van de bijstand is in strijd met het in de bepalingen van de Pw tot uitdrukking komende beginsel van materiële rechtszekerheid, inhoudende dat een ten tijde van de betaling rechtmatig ontvangen bijstand nadien in beginsel niet kan worden ingetrokken en/of teruggevorderd. Door die uitkomst van de procedure over het verblijfsrecht staat achteraf weliswaar vast dat de toelating terecht is beëindigd en dat de vreemdeling in die periode terecht niet gelijkgesteld is aan een Nederlander op grond van het tweede lid van artikel 11 van de Pw, maar dat laat de gelijkstelling op grond van artikel 11, derde lid, van de Pw gedurende die periode onverlet.4

Hierbij is ook de kennelijke bedoeling van de zogenoemde Koppelingswet van belang, zoals volgt uit de in 5.1 genoemde bepalingen.5 Het is ongerijmd dat enerzijds de vreemdeling na beëindiging van zijn toelating recht op bijstand wordt toegekend in geval hij rechtmatig verblijf heeft tijdens een aanvraag om verlenging van die toelating of tijdens een rechtsmiddel tegen de beëindiging van die toelating, maar dat anderzijds het recht op bijstand voorafgaande aan die beëindiging zou kunnen worden ingetrokken wegens verlies van die toelating met terugwerkende kracht.

7.4.

Uit vorenstaande onder 7.3 volgt dat eisers over de gehele periode van 7 december 1998 tot 23 november 2017, de datum van de in 1.5 genoemde uitspraken van de rechtbank, voor de toepassing van de Pw aan een Nederlander gelijk moeten worden gesteld. Voor het door verweerder gemaakte onderscheid tussen de periode voor en na 11 augustus 2016 bestaat geen grond. Verweerder heeft de over de van 7 december 1998 tot en met 10 augustus 2016 verstrekte bijstand ten onrechte ingetrokken.

8. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Nu een door verweerder nieuw te nemen besluit niet tot een andere uitkomst kan leiden ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat eisers recht hebben op bijstand over de periode van 7 december 1998 tot en met 10 augustus 2016 en haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.

9. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, zal verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1). Verweerder dient tevens aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 46,- te vergoeden.

10. Aangezien het bestreden besluit, voor zover deze ziet op de periode na 23 november 2017, de rechtmatigheidstoets doorstaat, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat dan ook geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

18/1565

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit besluit ziet op de periode van 7 december 1998 tot en met 10 augustus 2016;

- bepaalt dat eisers recht hebben op bijstand over de periode van 7 december 1998 tot en met 10 augustus 2016;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.002,-;

- bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 46,- aan hen dient te vergoeden.

18/2584

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.E. Marechal, voorzitter, mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas en mr. E.L. de Jongh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 24 juli 2018

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie de uitspraken van de CRvB van 27 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3478), 8 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:946) en 13 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:783).

2 Zie ook de uitspraak van de CRvB van 25 oktober 016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4047).

3 Zie ook de uitspraak van de CRvB van 29 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4903).

4 ECLI:NL:CRVB:2015:1495, ECLI:NL:CRVB:2015:4831 en ECLI:NL:CRVB:2016:2280.

5 Stb. 1998, 203.