Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3279

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
NL17.15338
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Dient de brandschade vergoed te worden op basis van “een vaste taxatieclausule/voortaxatie” in de zin van artikel 7:960 BW? Is de vaste taxatieclausule per abuis op de gewijzigde polisbladen terecht gekomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer: NL17.15338

Vonnis van 5 juli 2018

in de zaak van

1 MR. JOB MARIE MOLKENBOER,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van InDec Breda B.V.,
kantoorhoudende te Tilburg,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CORJO BEHEER B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Tilburg,
eisers, hierna samen te noemen: Molkenboer q.q.,
procesadvocaat mr. E. van der Kolk te Tilburg,

tegen

1 de naamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
N.V. SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ BOVEMIJ,
gevestigd te Nijmegen,
2. de naamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
verweersters, hierna samen te noemen: Bovemij,
advocaat mr. A. Youssuf te 's-Gravenhage.

Eisers worden ieder afzonderlijk mr. Molkenboer en Corjo genoemd. Verweersters worden ieder afzonderlijk met Schadeverzekeringsmaatschappij Bovemij en Nationale-Nederlanden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de procesinleiding van 19 december 2017 met de producties 1 t/m 16

- het verweerschrift van 19 februari 2018 met de producties 1 t/m 9

- de brief van Molkenboer q.q. van 3 april 2018 met de producties 17 t/m 20, waaronder de akte vermeerdering van de vordering

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 17 mei 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

InDec Breda B.V. (hierna: InDec) handelde onder de naam Bankstel XL en exploiteerde (in een door haar gehuurd pand) in Breda een detailhandel in meubels. Bestuurder en enig aandeelhouder van InDec is Corjo Beheer B.V. (hierna: Corjo). Bestuurder en enig aandeelhouder van Corjo is Nivi Holding B.V., waarvan [naam bestuurder en enig aandeelhouder] (hierna [Naam D] ) weer bestuurder en enig aandeelhouder is.

2.2.

InDec had voor haar meubelzaak bij overeenkomst van 16 juni 2015 een

LED-scherm geleased van Led2Lease B.V. (hierna: Led2lease). InDec was op grond van de leaseovereenkomst gehouden om dat scherm deugdelijk te verzekeren.

2.3.

Op 29 juli 2015 heeft GFD Assuradeuren B.V., een volmacht van Bovemij (hierna: GFD Assuradeuren), ten behoeve van InDec diverse verzekeringen aangevraagd bij Bovemij, te weten een inventaris- en goederenverzekering, een bedrijfsschadeverzekering, een eigen vervoerverzekering en een aansprakelijkheidsverzekering. Op het aanvraagformulier voor de inventaris- en goederenverzekering is door GFD Assuradeuren vermeld: “Neon/lichtreclame (…) t.w.v. € 50.000,00, Aan buitenzijde pand, Gemonteerd op de 1e verdieping”. Als ingangsdatum is 17 juli 2015 vermeld.

2.4.

Op de op 23 oktober 2015 afgegeven polisbladen (met [polisnummer] ), die als ingangsdatum 17 juli 2015 vermelden, staat het volgende:

Polisnummer Soort verzekering Verzekerd bedrag

5431ZP19311000 Huurdersbelang € 130.000,00

5431ZP19311500 Inventaris/goederen € 70.000,00

5431ZP19313000 Inventaris/goederen € 76.000,00

5431ZP19311700 Bedrijfsschade € 360.000,00

5431ZP19314000 Aansprakelijkheid bedrijven € 2.500.000,00

5431ZP19316900 Eigen vervoer n.v.t.

Het risicoaandeel van Nationale-Nederlanden en Schadeverzekeringsmaatschappij Bovemij is als volgt verdeeld: 60% versus 40%.

Op de polisbladen is verwezen naar polisvoorwaarden en naar specifieke clausules, die op het bijbehorende clausuleblad zijn uitgeschreven.

2.5.

Bij brief van 25 januari 2016 heeft HDS Taxaties InDec bericht:

Uw bedrijfsverzekeringen heeft u ondergebracht op een polis bij volmachtkantoor [naam] Financiële Dienstverleners B.V..

Uw polis is door [naam] Financiële Dienstverleners B.V. ondergebracht bij Nationale-Nederlanden.

Een van de kenmerken van de verzekering is dat u een gratis waardebepaling krijgt.

Bij uw bedrijf waarderen wij de volgende zaken: huurdersbelang en inventaris.

Bovendien lichten wij u de aspecten toe die van belang zijn bij het verzekeren van de goederen en de bedrijfsschade.

Een kopie van deze brief heeft HDS Taxaties aan GFD Assuradeuren doen toekomen.

2.6.

HDS Taxaties heeft InDec bij brief van 29 januari 2015 als volgt bericht:

Met betrekking tot bovengenoemde aangelegenheid bevestigen wij ons telefonisch onderhoud d.d. 29 januari 2016.

Wij kwamen overeen dat de taxateur u op 1 februari 2016 op het adres [straatnaam + nummer] te BREDA zal bezoeken in de middag vanaf 13:00 uur.

2.7.

De heer [naam A] , werkzaam als taxateur bij HDS Taxaties (verder: [de taxateur] ), heeft het door InDec gehuurde pand op 1 februari 2016 bezocht en aldaar gesproken met de heer R. Bierenbroodspot, een medewerker van InDec. Later, op 9 februari 2016, heeft [de taxateur] nog telefonisch contact gehad met [Naam D] .

2.8.

Op 23 februari 2016 heeft HDS Taxaties een waardebepalingsrapport opgesteld waarin de goederen op een bedrag van € 80.000,00, het huurdersbelang op een bedrag van

€ 260.000,00, de inventaris op een bedrag van € 145.000,00 en de bedrijfsschade op een bedrag van € 600.000,00 zijn getaxeerd. Ten aanzien van het huurdersbelang bevindt zich bij de stukken een door HDS Taxaties gemaakte opsomming van diverse posten met een totaalbedrag van € 258.736,47.

2.9.

Op 9 juni 2016 zijn nieuwe polisbladen afgegeven, waarop als reden van afgifte “administratieve wijziging” is vermeld. Als verzekeringnemer is Corjo ten behoeve van InDec vermeld. Op de polisbladen zijn voorts de volgende verzekerde bedragen opgenomen:

Polisnummer Soort verzekering Verzekerd bedrag

5431ZP19311000 Huurdersbelang € 260.000,00

5431ZP19311500 Inventaris/goederen € 225.000,00

5431ZP19313000 Inventaris/goederen € 76.000,00

5431ZP19311700 Bedrijfsschade € 450.000,00

5431ZP19314000 Aansprakelijkheid bedrijven € 2.500.000,00

5431ZP19316900 Eigen vervoer n.v.t.

Op de polisbladen is verwezen naar polisvoorwaarden en naar specifieke clausules, die op het bijbehorende clausuleblad zijn uitgeschreven.

Op het polisblad met betrekking tot het huurdersbelang zijn, onder meer, clausule 926 en 968 opgenomen, die luiden blijkens het clausuleblad als volgt:

926 Vaste taxatie (gebouw, 6 jaar)

De waarde van de verzekerde zaken is getaxeerd door een deskundige.

De maatschappij is bekend met het taxatierapport.

De verzekerde som is geïndexeerd. Als herbouwwaarde onmiddellijk voor de gebeurtenis geldt het bedrag dat in het taxatierapport is genoemd, aangepast aan de gevolgen van indexering sinds de taxatie.

Bij het vaststellen van de omvang van de schade op basis van de kosten van herstel of naar herbouwwaarde zal rekening worden gehouden met de taxatie.

Het getaxeerde bedrag wordt dan aangepast conform het bepaalde in de polis over Indexering. Vanaf de dagtekening van het taxatierapport is de taxatie 6 jaar geldig.

968 Huurdersbelang

De verzekering heeft betrekking op het belang van verzekerde als huurder van het omschreven gebouw ter zake van de voor zijn rekening aangebrachte veranderingen, verbeteringen en uitbreidingen, zoals centrale verwarming-, keuken- en sanitaire installaties, betimmeringen, parketvloeren, schuurtjes en schuttingen.

In geval van schade aan bedoelde veranderingen, verbeteringen en uitbreidingen door een gedekte gebeurtenis zal de uitkering slechts plaatsvinden, indien de eigenaar van het gebouw niet voor herstel daarvan zorgdraagt en voor zover verzekerde dan nadeel ondervindt.

Indien verzekerde tot herstel van de aangebrachte veranderingen, verbeteringen en uitbreidingen overgaat, wordt de schade bepaald op basis van de herstelkosten. Van de berekende schadevergoeding vindt dan eerst een uitkering van 50% plaats; de uitkering van het restant nadat het herstel is voltooid, met dien

verstande dat de totale uitkering niet meer zal bedragen dan de daarvoor werkelijk bestede kosten.

Indien verzekerde niet tot herstel overgaat, wordt van de schade op basis van de herstelkosten een evenredig deel in één termijn vergoed in verhouding van de nog onverstreken periode van de huurovereenkomst tot de totale huurperiode doch minimaal een derde gedeelte.

Op het polisblad met betrekking tot de inventaris/goederenverzekering eindigend op nummer 1500 is, onder meer, clausule 929 opgenomen, die blijkens het clausuleblad als volgt luidt:

929 Vaste taxatie (inventaris)

De waarde van de inventaris, voor zover vermeld in het taxatierapport, is getaxeerd door een deskundige. Verzekeraar is bekend met het taxatierapport als vermeld op de polis.

Als waarde onmiddellijk vóór de gebeurtenis geldt het bedrag dat in het taxatierapport is genoemd.

Bij het vaststellen van de omvang van de schade op basis van de kosten van herstel of naar nieuwwaarde dan wel naar dagwaarde, zal rekening worden gehouden met de taxatie. Vanaf de dagtekening van het taxatierapport is de

taxatie drie jaar geldig.

2.10.

Tot zekerheid van de vordering van Led2Lease op InDec heeft InDec de aanspraken die voortvloeien uit de verzekering met [polisnummer] bij akte van cessie en volmacht van 12 oktober 2016 gecedeerd aan Led2Lease.

2.11.

In de nacht van 15 op 16 juni 2016 heeft brand gewoed in de meubelzaak van InDec, waardoor onder meer de gehele inrichting, inventaris en voorraad van InDec verloren zijn gegaan. Ook het gehuurde winkelpand is door de brand (grotendeels) verwoest. InDec heeft de door de brand veroorzaakte schade direct via GFD Assuradeuren gemeld bij Bovemij.

2.12.

Op 3 oktober 2016 heeft EMN Expertise een interim rapport opgemaakt, waarin de schade aan de inventaris/goederen op basis van voortzetting van de onderneming is begroot op € 90.059,00 en op basis van staking op € 82.609,00. De door EMN Expertise opgemaakte akte van schadetaxatie/akkoordverklaring is niet door InDec (dan wel door de door haar ingeschakelde contra-expert Troostwijk Expertises B.V.) ondertekend.

2.13.

Op 6 oktober 2016 heeft Bovemij – zonder een dekkingsstandpunt in te nemen –

een bedrag van € 45.000,00 als voorschot op de schadevergoeding aan InDec betaald.

2.14.

EMN Expertise heeft op verzoek van Bovemij aanvullend onderzoek gedaan omdat [Naam D] mogelijk betrokken zou zijn geweest bij de brandstichting en hierover op 27 oktober 2016 gerapporteerd. Op 8 november 2016 is [Naam D] door de politie aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de brandstichting en verzekeringsfraude. Uiteindelijk is de strafzaak tegen [Naam D] in februari 2017 geseponeerd wegens onvoldoende bewijs.

2.15.

Bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 maart 2017 is InDec in staat van faillissement verklaard. Tot curator is benoemd mr. Molkenboer.

2.16.

De advocaat van Molkenboer q.q. heeft de advocaat van Bovemij bij e-mail van

25 augustus 2017 gesommeerd om tot uitkering van de verzekeringspenningen over te gaan, op basis van een vaste taxatie.

2.17.

In reactie hierop heeft de advocaat van Bovemij mr. Molkenboer bij e-mailbericht van 10 oktober 2017 bericht dat Bovemij dekking verleent onder de polis, alsook het volgende:

Wat betreft de schadevaststelling is het onjuist dat uitgegaan moet worden van de gedachte dat de schade onder de inventaris-/goederenpolis moet worden afgedaan op basis van een vaste taxatie zoals bedoeld in art. 7:960 BW. De taxatie door HDS betreft, zoals de heer [de taxateur] van HDS ook tegenover het door verzekeraars ingeschakelde onderzoeksbureau EMN heeft verklaard, geen voortaxatie in de zin van art. 7:960 BW maar een waardebepaling, eenzijdig aangeboden door de tussenpersoon ter voorkoming van onderverzekering. Dit is ook zo aangegeven tegenover Indec Breda B.V. in de brief van HDS van 29 januari 2016, voorafgaand aan haar bezoek; dat is ook de opdracht die HDS van de tussenpersoon heeft gehad.

Hier komt bij dat nog daargelaten het feit dat een voortaxatie van goederen helemaal niet kan, simpelweg omdat

het aantal goederen aanwezig in het pand zeer variabel is, partijen ook niet zijn overeengekomen om een

voortaxatie te laten uitvoeren. Er is nimmer door partijen over gesproken, niet bij het afsluiten van de verzekering en ook niet na het verschijnen van het rapport van HDS. Het eerst verstrekte polisblad (23 oktober 2015) vermeldt ook geen clausule 'vaste taxatie'. De vermelding van deze clausule op de later afgegeven polissen heeft per abuis plaatsgevonden, zoals de tussenpersoon aan Nationale-Nederlanden heeft laten weten. Aan deze vergissing kan uw cliënt geen rechten ontlenen (HR 8 juli 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC6915).

Bovendien gaat de namens verzekerde ingeschakelde contra-expert Troostwijk (productie 4 dagvaarding in kort

geding van Indec Breda B.V.) blijkens de door hem ingediende claim waarbij als waarde voor de brand een bedrag van € 92.430,- ex BTW wordt genoemd in plaats van het door HDS genoemde bedrag van € 225.000,- niet uit van het bestaan van een vaste voortaxatie.

Subsidiair kan Nationale-Nederlanden gezien het feit dat HDS zelf stelt geen voortaxatie te hebben uitgevoerd en als zij die had uitgevoerd haar werkwijze evident anders geweest zou zijn dan nu het geval is geweest, niet aan de 'taxatie' door HDS gehouden worden nu gebondenheid aan die taxatie gezien de inhoud of wijze van tot stand

komen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 7:904 lid 1 BW). Aan HDS zijn door verzekerde/verzekeringnemer ook veel te hoge bedragen opgegeven getuige het feit dat contra-expert Troostwijk de waarde van de inventaris/goederen ongeveer € 125.000,- lager vaststelt dan door verzekerde/verzekeringnemer aan HDS opgegeven waarden.

Het voorgaande leidt er toe dat de schade vastgesteld dient te worden door de expert en contra-expert gezamenlijk op basis van het "open polis"-principe. De door verzekeraars ingeschakelde expert van EMN Expertise heeft in november 2016 bericht dat met de contra-expert overeenstemming is bereikt over de schadevaststelling wat betreft de goederen/inventaris-verzekering en dat de Akte van Taxatie ter ondertekening bij de contra-expert en verzekerde lag. De contra-expert had aan EMN Expertise bericht dat de ondertekening op korte termijn verwacht werd. De schadevaststelling wat betreft de bedrijfsschade en huurdersbelang was in november 2016 nog geenszins afgerond. Daar is nog geen verandering in gekomen. Hierin dient nog het nodige te gebeuren. Verzekeraars kunnen niet eerder tot betaling overgaan dan nadat de schade is vastgesteld conform de polisvoorwaarden.

Verzekeraars hebben in deze een voorschot van € 45.000 betaald. Dit zal dus te zijner tijd in mindering worden

gebracht op het uit te keren schadebedrag.

De contra-expert is ingeschakeld namens verzekerde; zijnde Indec Breda B.V. Het ligt derhalve op uw weg om in hoedanigheid van curator van verzekerde de schadevaststelling op te nemen met/via de contra-expert.

Verzekeraars zullen aan EMN Expertise de opdracht geven om de discussie omtrent de schadevaststelling met contra-expert te hervatten. Ik stel voor dat u de contra-expert (Troostwijk) overeenkomstig instrueert.

2.18.

Bij aan mr. [naam advocaat A] (advocaat van Led2Lease) gerichte en door hem voor akkoord getekende brief van 12 maart 2018 heeft mr. Molkenboer verzocht om te bevestigen dat Led2Lease ermee instemt dat InDec ten behoeve van Led2Lease in de onderhavige procedure vordert om Bovemij te veroordelen om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, een bedrag van € 76.000,00 aan Led2Lease te betalen.

3 Het geschil

3.1.

Molkenboer q.q. vordert – na een vermeerdering van de vordering – samengevat dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair

1. voor recht verklaart dat verweerders verplicht zijn om dekking te verlenen conform de tussen partijen gesloten verzekeringspolis onder [polisnummer] ,

2. voor recht verklaart dat tussen partijen blijkens de gesloten verzekeringspolis onder

[polisnummer] een vaste taxatieclausule is overeengekomen als bedoeld in artikel 7:960 BW,

3. verweerders veroordeelt om aan Molkenboer q.q. te betalen € 363.500,00, respectievelijk het aandeel in de polis, waarbij 60% voor Nationale-Nederlanden en 40% voor Schadeverzekeringsmaatschappij Bovemij, te vermeerderen met de wettelijke rente,

4. verweerders veroordeelt om aan Molkenboer q.q. te betalen € 33.114,66, respectievelijk het aandeel in de polis, waarbij 60% voor Nationale-Nederlanden en 40% voor Schadeverzekeringsmaatschappij Bovemij, te vermeerderen met de wettelijke rente,

5. Nationale-Nederlanden voor 60% en Schadeverzekeringsmaatschappij Bovemij voor 40%, veroordeelt om te betalen aan Led2Lease B.V. een bedrag van € 76.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente, op straffe van een dwangsom van € 76.000,00,

subsidiair:

Nationale-Nederlanden voor 60% en Schadeverzekeringsmaatschappij Bovemij voor 40%, veroordeelt om ten titel van voorschot onder algemene titel te betalen aan Molkenboer q.q.

€ 100.000,00,

zowel primair als subsidiair:

verweerders hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

Molkenboer q.q. legt – kort gezegd –aan zijn vorderingen ten grondslag dat Bovemij gehouden is dekking te verlenen onder toepassing van de overeengekomen en uit de polisbladen blijkende vaste taxatie clausules, waarbij het uit te keren bedrag dat ziet op het LED-scherm dient te worden voldaan aan Led2Lease. Tevens vordert Molkenboer q.q. betaling van de door hem gemaakte kosten voor contra expertise en kosten van juridische bijstand.

3.3.

Bovemij voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Niet in geschil is dat Bovemij gehouden is dekking te verlenen op grond van de verzekeringen, maar uitsluitend of de brandschade al dan vergoed dient te worden op basis van “vaste taxatieclausules / een voortaxatie” in de zin van artikel 7:960 BW.

Molkenboer q.q. stelt dat dit het geval is en verwijst naar de op 9 juni 2016 afgegeven polisbladen waarop is verwezen naar vaste taxatieclausules (926 en 929, zie r.o. 2.9).

Bovemij betwist, onder verwijzing naar in het geding gebrachte brieven en verklaringen, gemotiveerd dat vaste taxatie clausules zijn overeengekomen tussen partijen. Zij werpt op dat de bewuste clausules per abuis op de gewijzigde polisbladen terecht zijn gekomen.

4.2.

Vastgesteld kan worden dat op de op 9 juni 2016 afgegeven (gewijzigde) polisbladen inderdaad is verwezen naar vaste taxatieclausules, die vervolgens zijn uitgeschreven op de bijhorende clausulebladen.

Een polis/polisblad is, zo volgt uit artikel 7:932 BW, een (onderhandse) akte die dwingend bewijs oplevert van het bestaan en de inhoud van de verzekeringsovereenkomst. In beginsel dient dus te worden uit te gaan van de juistheid van hetgeen is opgenomen op die polis/dat polisblad. Tegen deze dwingende bewijskracht staat echter tegenbewijs open. Voor het slagen van tegenbewijs is voldoende dat het geleverde bewijs erdoor wordt ontzenuwd.

Of een verzekeringsovereenkomst met een vaste taxatieclausule is overeengekomen dient te worden beslist aan de hand van de maatstaven van artikel 3:33 BW en artikel 3:35 BW.

Bij de beantwoording van de vraag of de vaste taxatieclausules al dan niet terecht op de polisbladen terecht zijn gekomen, moet dus steeds worden teruggegaan naar de fase van totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst(en). Wat is ten tijde van het sluiten van de overeenkomst(en) meegedeeld en wat konden en mochten partijen begrijpen als hun wederzijdse bedoelingen.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat Bovemij voldoende heeft ontzenuwd dat partijen de bedoeling hadden om vaste taxatie clausules in de betreffende polissen overeen te komen, althans dat InDec gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de toepasselijkheid van vaste taxatieclausules. Daarvoor is het volgende van belang.

4.4.

Molkenboer q.q. stelt, onder verwijzing naar de op 9 juni 2016 afgegeven polisbladen, wel dat InDec een verzekering met vaste taxatieclausules is overeengekomen, hij voert evenwel niet aan dat (en waarom) InDec bij aanvang van de verzekeringen ook daadwerkelijk een polis met een vaste taxatieclausule overeen wilde komen.

In dit verband is tevens van belang dat [Naam D] , daarnaar gevraagd, tijdens de mondelinge behandeling (enkel) heeft verklaard dat hij “een goede verzekering met een pico bello dekking” wilde afsluiten, mede vanwege de aanwezigheid van het geleasde LED-scherm in/aan het gehuurde pand. Dit sluit, naar het oordeel van de rechtbank, niet zonder meer aan bij de wens tot het afsluiten van een verzekering met een vaste taxatieclausule, een in de verzekeringsbranche niet veel voorkomende clausule die over het algemeen enkel voor de verzekering van kostbare voorwerpen of verzamelingen wordt gebruikt omdat de waarde daarvan achteraf niet of nauwelijks kan worden vastgesteld.

4.5.

In het aanvraagformulier voor de verzekeringen is niet vermeld dat InDec een verzekering op basis van een vaste taxatieclausule wenste en op de eerste (set) polisbladen (d.d. 23 oktober 2015) zijn ook geen vaste taxatieclausules opgenomen.

Indien de wil van InDec daadwerkelijk gericht zou zijn geweest op het afsluiten van verzekeringen met een vaste taxatie clausule, dan had het - zeker nu het om een niet alledaagse clausule gaat - voor de hand gelegen dat dit ook als zodanig op het aanvraagformulier vermeld zou zijn en dat bezwaar zou zijn gemaakt tegen het niet opnemen van de clausules op de eerste polisbladen, ook hiervan is niet gebleken.

Dat de handtekening die op het aanvraagformulier staat mogelijk niet van [Naam D] afkomstig is, zoals [Naam D] tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven, maakt bovenstaande niet anders. Nog daargelaten dat deze stelling pas op zitting – en dus (zelfs) niet in de brief van mr. Molkenboer van 3 april 2018 – is ingenomen, geldt dat [Naam D] heeft opgemerkt dat de handtekening waarschijnlijk van de heer [naam B] van GFD Assuradeuren is. Van GFD Assuradeuren mag worden verwacht dat zij zorgvuldigheid betracht bij het invullen van een dergelijk formulier, dat zij hiertoe met InDec bespreekt welke vorm van dekking gewenst is en dat zij er op toe ziet dat deze dekkingsvorm wordt aangevraagd en ook daadwerkelijk wordt verkregen. Dat GFD Assuradeuren de wens van InDec tot het verkrijgen van verzekeringen met een vaste taxatie clausule niet juist verwoord zou hebben in het aanvraagformulier en dat zij nadien ten onrechte niet om wijziging heeft verzocht is gesteld noch gebleken.

4.6.

De vaste taxatieclausules zijn, zo blijkt uit het dossier, op de gewijzigde polisbladen van 6 juni 2016 terecht gekomen naar aanleiding van de door HDS Taxaties in februari 2016 uitgevoerde taxatie (r.o. 2.7 en 2.8). Bovemij voert - nog los van haar stelling dat de wil van InDec/ [Naam D] niet gericht was op een verzekering met een vaste taxatie clausule - aan dat in februari 2016 (feitelijk gezien) ook geen sprake is geweest van een voortaxatie als bedoeld in artikel 7:960 BW, maar van een door de verzekeraar aangeboden gratis waardebepaling om (het risico op) onderverzekering tegen te gaan. Bovemij verwijst in dit kader naar de aan InDec gerichte brief van HDS Taxaties van 25 januari 2016 (r.o. 2.5) en de door Bovemij in het geding gebrachte verklaring van [de taxateur] , werkzaam bij HDS Taxaties, van 26 september 2016 (productie 7).

Met Bovemij is de rechtbank van oordeel dat in de brief van 25 januari 2016 niet wordt gesproken over een vaste waarde taxatie / voortaxatie in de zin van artikel 7:960 BW, maar over een gratis waardebepaling. Dit is wel degelijk iets anders.

[Naam D] heeft ter zitting nog aangevoerd dat hij de brief van 25 januari 2016 niet heeft ontvangen. Nu deze stelling pas op zitting is ingenomen en tot op dat moment, en daarmee dus ook in de brief van 3 april 2018 van mr. Molkenboer, niet is gebezigd, is zij tardief aangevoerd. Overigens wordt in de tweede brief van HDS taxaties aan InDec van 29 januari 2016 (r.o. 2.6) expliciet verwezen naar een telefonisch onderhoud tussen InDec en HDS Taxaties over een te plannen afspraak voor het laten plaatsvinden van de taxatie, waaruit afgeleid kan worden dat InDec wist dat er een waardebepaling zou plaatsvinden.

In zijn verklaring geeft [de taxateur] aan dat de opdracht tot waardebepaling door GFD Assuradeuren op de gebruikelijke wijze is aangevraagd, namelijk door het invullen van een formulier op de website van HDS Taxaties, dat het doel van de waardebepaling het verkrijgen van een garantie tegen onderverzekering was en dat hij ( [de taxateur] ) geen opdracht had voor het verrichten van een taxatie zoals bedoeld in artikel 7:960 BW.

Deze punten in de verklaring van [de taxateur] zijn door Molkenboer q.q. niet weersproken, behoudens dat is aangevoerd dat [naam B] (van GFD Assuradeuren) aan [Naam D] eind 2015 over de aangekondigde taxatie zou hebben medegedeeld dat de (te verzekeren) bedragen van tevoren zouden worden vastgesteld zodat er achteraf geen onduidelijkheden zouden zijn. Ook die beweerdelijke uitlating sluit, naar het oordeel van de rechtbank, aan bij de stelling van Bovemij dat de waardebepaling is uitgevoerd om onderverzekering tegen te gaan.

4.7.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien maakt dat Bovemij voldoende heeft ontzenuwd dat partijen bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst(en) hebben bedoeld verzekeringen met een vaste taxatieclausule overeen te komen of dat InDec er op mocht vertrouwen dat ten aanzien van de verzekeringen die betrekking hebben op het huurdersbelang en de inventaris/goederen een vaste taxatie clausule was overeen gekomen. Niet gesteld of gebleken is voorts dat InDec de inhoud van de verzekeringen op een later moment (gelegen tussen de datum van het aanvraagformulier en de wijziging van de polisbladen) heeft willen wijzigen.

4.8.

De hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, die het standpunt van Molkenboer q.q. niet kunnen staven, wijzen erop dat de vermelding van de vaste taxatie clausules op de op 9 juni 2016 afgegeven polisbladen berust op een vergissing, hetgeen overigens ook is bevestigd door de heer [naam C] , werkzaam bij GFD Assuradeuren (productie 8 van Bovemij) en volgt uit de inhoud van de vaste taxatieclausules.

Niet valt immers in te zien waarom partijen ten aanzien van de verzekering die betrekking heeft op het huurdersbelang en waarin reeds een clausule is opgenomen met betrekking tot het huurdersbelang (968) een vaste taxatie clausule zouden willen opnemen die betrekking heeft op de belangen van de eigenaar van het gebouw (de verhuurder dus) en waarop InDec - nu zij slechts huurder was en deze clausule (926) geen belangen van de huurder dekt - überhaupt geen beroep toe zou kunnen komen.

Ook het feit dat op het polisblad met betrekking tot de inventaris/goederenverzekering een vaste taxatieclausule is opgenomen - terwijl een vaste voortaxatie van goederen (in zijn algemeenheid, maar zeker ook bij een meubelzaak) vrijwel onmogelijk is nu het een gegeven is dat de handelsvoorraad van een bedrijf (en daarmee het voor de verzekeraar te verzekeren risico) fluctueert - onderschrijft, naar het oordeel van de rechtbank, de stelling van Bovemij dat sprake is geweest van een vergissing.

4.9.

Dit alles maakt dat de primaire vorderingen van Molkenboer q.q., die (hoofdzakelijk) zijn geënt op de stelling dat partijen een verzekering met een vaste taxatie clausule zijn overeengekomen, zullen worden afgewezen. Bij toewijzing van de primaire vordering onder 1. (verklaring voor recht inhoudende een verplichting om tot dekking over te gaan) heeft Molkenboer q.q. geen belang, nu niet in geschil is dat Bovemij dekking dient te verlenen.

4.10.

Voor zover de primaire vorderingen en de subsidiaire vordering (tot betaling van een voorschot van € 100.000,00) zijn gegrond op de stelling dat Bovemij uit dient te keren, nu zij heeft bevestigd dat dekking zal worden verleend onder de verzekeringen, geldt nog volgende. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van Bovemij toegelicht dat de gegevens die benodigd zijn om de schade conform de polisvoorwaarden vast te kunnen stellen en tot uitkering (onder meer van de verzekering die ziet op het LED-scherm) te kunnen overgaan - ondanks verzoeken daartoe - nog steeds ontbreken. Ook hebben de experts van partijen nog geen overeenstemming kunnen bereiken over de schade, althans ontbreekt een akkoordverklaring van de schade-expert(s) van Molkenboer q.q.

Molkenboer q.q. heeft dit - behoudens de blote stelling dat Bovemij niet wenst uit te keren - niet weersproken. Dit maakt dat de rechtbank, bij gebrek aan informatie hieromtrent, geen concreet bedrag (als voorschot) kan toewijzen. Gelet op het voorgaande en het feit dat reeds € 45.000,- is uitgekeerd aan voorschot, bestaat er evenmin aanleiding om thans de door Molkenboer q.q. gemaakte kosten voor contra expertise en kosten van juridische bijstand reeds toe te wijzen.

4.11.

Molkenboer q.q. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Bovemij worden begroot op:

- griffierecht € 3.894,00

- salaris advocaat 6.198,00 (2 punten x € 3.099,00)

totaal € 10.092,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Molkenboer q.q. hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Bovemij tot op heden begroot op € 10.092,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Graat en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2018.