Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3266

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
C/05/322708 / HA ZA 17-333
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schade door breken gasleiding als gevolg van breken waterleiding; Aansprakelijkheid drinkwaterbedrijf jegens regionaal netbeheerder op grond van 6:174 lid 2 BW; Wilnis-criteria

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/487
JA 2018/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/322708 / HA ZA 17-333

Vonnis van 11 juli 2018

in de zaak van

naamloze vennootschap

LIANDER N.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres,

advocaat mr. F.J. van Velsen te Haarlem,

tegen

naamloze vennootschap

VITENS N.V.,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. H. Lebbing te Rotterdam.

Partijen worden hierna Liander en Vitens genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 november 2017

- het verkort proces-verbaal van comparitie van 18 april 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Vitens is een drinkwaterbedrijf in de zin van de Drinkwaterwet en heeft als zodanig onder meer de taak om het distributienetwerk van waterleidingen te beheren. Vitens beheert 47.302 kilometer aan waterleidingen, waarvan 9.259 kilometer is gemaakt van asbestcement. Vitens beheert onder meer het distributienet van waterleidingen in de gemeente Apeldoorn.

2.2.

Liander is een regionaal netbeheerder van gasleidingen in de zin van de Gaswet en beheert als zodanig het distributienet van gasleidingen in onder meer de gemeente Apeldoorn.

2.3.

Op 7 december 2014 is in de gemeente Apeldoorn op de kruising van de Pythagorasstraat en de Sluisoordlaan een drinkwaterleiding (verder: ‘de waterleiding’) gebarsten. De bovenzijde van de waterleiding was uitgebroken over een lengte van circa één meter. Het betreft een hoofdwaterleiding. De waterleidingen liggen op die locatie op een diepte van ongeveer één meter. Doordat de waterleiding is gebarsten is een grote hoeveelheid water uit de waterleiding gestroomd. Voorts is, op dezelfde datum en op dezelfde plaats, een (komeetmof van een) hoofdgasleiding (verder: ‘de gasleiding’) gebroken. De gasleiding was op een diepte van circa 0,7 meter (schuin) boven de waterleiding geplaatst.

2.4.

Als gevolg van de breuk van de waterleiding en de gasleiding zijn storingen ontstaan in de levering van water en gas. Doordat een grote hoeveelheid water en zand in de gasleiding is gestroomd is de levering van gas voor ongeveer 500 huishoudens gedurende langere tijd onderbroken geweest.

2.5.

Ongeveer een half jaar daarvoor, op 30 mei 2014, had zich al een incident voorgedaan waarbij na een breuk in de waterleiding ook een breuk in de gasleiding ontstond in dezelfde wijk in Apeldoorn. Destijds kwamen ruim 1200 huishoudens en bedrijven zonder gas te zitten.

2.6.

In opdracht van Vitens en Liander heeft KIWA Technology B.V. (verder te noemen: ‘KIWA’) een onderzoek verricht naar de oorzaken van de breuken in de gasleiding en de waterleiding op 7 december 2014. Het onderzoeksrapport is opgenomen als productie E9 en vermeldt in de samenvatting op de eerste twee pagina’s de volgende ‘belangrijkste conclusies’:

 ‘De restwanddikte van de waterleiding is minimaal 3,4 mm (was oorspronkelijk 14 mm in 1967), de restlevensduur is 4 jaar bij een veiligheidsfactor 2 en 10 jaar bij een veiligheidsfactor 1.

 De beschadigde mof van de AC (rechtbank: asbestcementen) gasleiding was niet voor onderzoek beschikbaar. Om enige indicatie te krijgen van de staat van de AC mof is getracht de levensduur van de nabijgelegen niet-gebroken AC mof te bepalen, maar dit bleek niet mogelijk omdat de mof niet te knippen was. Vervolgens is de 1 meter lange AC gasleiding onderzocht die in de gebroken AC mof was gestoken. De restwanddikte van deze gasleiding is minimaal 9,8 mm (was oorspronkelijk 14 mm in 1967), de restlevensduur is 70 jaar bij een veiligheidsfactor van 2 en 86 jaar bij een veiligheidsfactor 1.

 In de week voorafgaand aan het optreden van de breuken hebben graafwerkzaamheden plaatsgevonden tot op circa 0,8 meter afstand van de breukplaats in de waterleiding en 0,1 meter afstand van de mof van de gasleiding.

 Breuk van de waterleiding kan wel leiden tot breuk van de gasleiding, maar omgekeerd is dit niet het geval.

Alle mogelijke scenario’s voor het falen van de waterleiding en de mof van de gasleiding zijn beoordeeld op waarschijnlijkheid, zowel voor het onafhankelijk gelijktijdig falen van de waterleiding en de mof van de gasleiding, als ook voor het falen van één van deze elementen met het falen van het andere element als gevolg.

Deze analyse leidt tot de volgende conclusie:

 De breuk van de waterleiding is het meest waarschijnlijk opgetreden als gevolg van degradatie van het AC leidingmateriaal in combinatie met het graafwerk.

 De breuk van de mof van de gasleiding is meest waarschijnlijk het directe gevolg van de breuk van de waterleiding.

Hierbij valt niet met zekerheid te zeggen of de mof geraakt is tijdens het graafwerk en hierdoor is verzwakt. Echter, de mof van de gasleiding of de gasleiding zelf zou hoe dan ook gebroken zijn ten gevolge van het krachtenspel, dat is ontstaan door het gewicht van de AC gasleiding en het bovenliggende grondpakket, vanwege de onder de gasleiding weggespoelde grond door de lekkage van de waterleiding.’

3 Het geschil

3.1.

Liander vordert dat Vitens bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden veroordeeld om aan Liander tegen kwijting te betalen een bedrag van € 652.494,00, vermeerderd met de wettelijke rente over de “gecumuleerde hoofdsom” (naar de rechtbnak begrijpt de hoofdsom vermeerderd met rente tot en met 6 december 2016), thans bedragend € 641.320,00, te berekenen vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van de algehele betaling, met veroordeling van Vitens in de kosten van het geding.

3.2.

Liander specificeert het door haar gevorderde schadebedrag van € 652.494,00 als volgt:

 € 337.804,00 voor herstelkosten van het gasnet;

 € 260.255 voor compensatievergoedingen die Liander op grond de Gaswet aan haar afnemers heeft moeten uitkeren;

 € 17.942,00 aan intern gemaakte bijkomende kosten;

 € 31.993,00 aan wettelijke rente over € 616.001,00 (de som van € 337.804,00, € 260.255 en € 17.942,00) tot aan de datum dagvaarding; en

 € 4.500,00 aan kosten voor vaststelling schade, aansprakelijkheid en verhaal.

3.3.

Liander heeft haar vordering gebaseerd op artikel 6:174 lid 1 BW. Daartoe heeft Liander gesteld dat de waterleiding is gebarsten ten gevolge van het feit dat de waterleiding niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. Als gevolg van het barsten van de waterleiding is een grote hoeveelheid grond onder de gasleiding weggespoeld. Hierdoor is de gasleiding gebroken en heeft Liander schade geleden. Vitens is, als beheerder van het distributienet van waterleidingen, aansprakelijk voor de door Liander geleden schade op grond van artikel 6:174 lid 1 BW. Subsidiair is Vitens aansprakelijk voor de door Liander geleden schade op grond van artikel 6:162 BW, omdat Vitens in haar verplichting tekort is geschoten tot adequaat onderhoud van het distributienet van waterleidingen, aldus Liander.

3.4.

Vitens voert verweer. Zij betwist dat de waterleiding reeds voorafgaand aan de breuk niet meer voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld. De waterleiding was ook nog niet aan het einde van haar levensduur gekomen en voor de waterleiding was nog niet eerder een storing geregistreerd. Volgens Vitens is de waterleiding gebarsten als gevolg van spontane bodemzetting die is veroorzaakt door de graafwerkzaamheden die in de week voorafgaande aan de breuk in opdracht van Liander in de nabijheid van de beide leidingen zijn uitgevoerd. Volgens Vitens is er sprake van eigen schuld aan de zijde van Liander, waardoor de schade (grotendeels of geheel) voor rekening van Liander dient te blijven. Voorts betwist Vitens de omvang van de door Liander geleden schade.

3.5.

Beide partijen hebben de rechtbank om proceseconomische redenen verzocht om het oordeel over de aansprakelijkheidsvraag en (indien dan nog aan de orde) het eigen schuld verweer in een tussenvonnis neer te leggen, alvorens eventueel te beslissen over de omvang van de schade. Vitens meent dat partijen na een oordeel van de rechtbank over de aansprakelijkheid en eigen schuld in onderling overleg tot een oplossing in den minne kunnen komen. Liander heeft zich hierover nog niet uitgelaten, maar wel te kennen gegeven dat zij tegen een tussenvonnis direct (tussentijds) in hoger beroep wil kunnen gaan wanneer wordt geoordeeld dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van Liander. Liander verzoekt dan ook om een tussenvonnis met die inhoud tussentijds appellabel te maken.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kern van het geschil is of Vitens aansprakelijk is voor schade aan de zijde van Liander ten gevolge van de gebarsten waterleiding en zo ja, of er sprake is van eigen schuld aan de zijde van Liander ten aanzien van die schade. De rechtbank zal allereerst de aansprakelijkheidsvraag beoordelen, te beginnen met het primaire standpunt van Liander, dat Vitens aansprakelijk is op grond van het bepaalde in artikel 6:174 BW.

De norm van 6:174 BW (Wilnis-arrest)

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk is, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan daarvan zou hebben gekend (artikel 6:174 lid 1 BW).

4.3.

Op grond van 6:174 lid 2 BW rust deze aansprakelijkheid bij kabels en leidingen op de kabel- en leidingbeheerder, behalve voor zover de kabel of leiding zich bevindt in een gebouw of werk en strekt tot toevoer of afvoer ten behoeve van dat gebouw of werk. Van dat laatste is ten aanzien van de waterleiding geen sprake. Tussen partijen staat vast dat Vitens beheerder is van de waterleiding in de zin van artikel 6:174 lid 2 BW.

4.4.

De vraag ligt voor of de waterleiding voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld en dus wel of niet gebrekkig was wordt beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn ontwikkeld in de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2010, ECLI:NL:HR:2010: BN6236 (Wilnis). Hierbij komt het aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of de waterleiding deugdelijk is, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (Wilnis, rov. 4.4.4). Deze van toepassing zijnde maatstaven komen overeen met de in de rechtspraak ontwikkelde zogenoemde ‘kelderluikcriteria’ (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965: AB7079 (Kelderluik), zie voorts HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:47, en HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283).

4.5.

In tegenstelling tot wat Liander heeft gesteld volgt uit het Wilnis-arrest niet dat uit het enkele feit dat de waterleiding spontaan is bezweken reeds, behoudens tegenbewijs, blijkt dat de waterleiding niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld (en dus ‘gebrekkig’ was). Liander geeft met deze stellingname een verkeerde uitleg van rov. 4.4.5 van het Wilnis-arrest, waarin het volgende staat:

‘4.4.5 Toegesneden op de onderhavige vraagstelling betekent het vorenstaande dat rekening moet worden gehouden met factoren als de aard en bestemming van de kade (een publiek toegankelijke dijk), de waarborgfunctie van de veendijk (bescherming van omwonenden tegen water), de fysieke toestand van de kade ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar, de naar objectieve maatstaven te beoordelen kenbaarheid van het gebrek en het daaraan verbonden gevaar van kadeverschuiving, de bij de uitvoering van zijn publieke taak aan het Hoogheemraadschap toekomende beleidsvrijheid en de financiële middelen die hem in dat verband ten dienste staan, een en ander mede gelet op de toenmalige stand van de wetenschap en de techniek en de daadwerkelijke (technische) mogelijkheid van het nemen van afdoende veiligheidsmaatregelen (…).

Het enkele feit van de kadeverschuiving zal in het algemeen voldoende zijn voor het aannemen van het vermoeden dat de kade (dijk) niet voldeed aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen, behoudens door de bezitter ervan te leveren tegenbewijs (zoals de rechtbank heeft geoordeeld). (…)’

4.6.

De rechtbank legt de zojuist geciteerde rechtsoverweging van de Hoge Raad zo uit dat bij het vaststellen of een opstal gebrekkig is moet worden meegewogen wat de aard en bestemming van de opstal is. Uit het in dit arrest gegeven oordeel dat, mede gelet op de aard en bestemming van een dijk, het plaatsvinden van een kadeverschuiving in het algemeen voldoende is voor het vermoeden dat de dijk niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen, volgt niet dat het in alle gevallen zo is dat als een opstal bezwijkt, of zoals in het geval van de waterleiding breekt, daarmee direct, behoudens tegenbewijs, vaststaat dat de opstal gebrekkig is.

4.7.

Of de opstal gebrekkig is, dient te worden vastgesteld aan de hand van de in rov. 4.4. genoemde criteria.

Het gebruik en de bestemming van de waterleiding

4.8.

Vast staat dat een distributienet van waterleidingen bestemd is om drinkwater op een hygiënische manier te transporteren en dat met dat doel in een hoofdwaterleiding, zoals de waterleiding, een hoeveelheid water worden getransporteerd en dat dit onder grote druk (3,5-6 bar) gebeurt. Dit brengt met zich dat er in het geval van een breuk van een hoofdwaterleiding een grote hoeveelheid water wegstroomt en dat de grond ter plaatse dan verzadigd raakt en wegspoelt. Vitens heeft onweersproken gesteld dat na ontdekking van een breuk het na dichtdraaien van de afsluiters teneinde de watertoevoer af te sluiten nog 35 tot 45 minuten duurt voordat het waterleidingdeel drukloos is en het uitstromen van het water is gestopt.

De kans op verwezenlijking van het gevaar

4.9.

Het gevaar waar het ten aanzien van waterleiding om draait bestaat uit het gevaar dat de waterleiding barst of breekt en dat daardoor schade ontstaat aan zaken of personen.

4.10.

Vitens heeft ter comparitie toegelicht dat er bij asbestcement-waterleidingen gemiddeld één keer per jaar per tien kilometer een storing ontstaat. Een storing in een asbestcement-waterleiding bestaat in 90% van de gevallen uit een leidingbreuk, zoals ook in de onderhavige situatie in Apeldoorn aan de orde was. Geen punt van geschil is dat bij een leidingbreuk van een hoofdwaterleiding, zoals de waterleiding, er grote hoeveelheden water uit de leiding stromen, waardoor de grond die om de leidingen heen ligt wegspoelt en, zoals Liander onbetwist heeft gesteld, er ‘sinkholes’ kunnen ontstaan. Hierdoor ontstaat er een reëel risico op het ontstaan van waterschade, schade door breuken van andere leidingen als gevolg van het wegspoelen van grond en schade door het ontstaan van ‘sinkholes’, waarbij, zoals ook Vitens ter comparitie heeft verklaard, jaarlijks ook een aantal maal letsel ontstaat.

4.11.

Tussen partijen staat vast dat de kans op leidingbreuk groter wordt naarmate een waterleiding ouder wordt en de wanddikte van een waterleiding door uitloging dunner wordt. Geen punt van geschil is voorts dat de mate van uitloging van een waterleiding, naast van de leeftijd van die waterleiding, afhankelijk is van andere omstandigheden zoals de plaatselijke grondsamenstelling en de mate van belasting van de leidingen. In leidingen die zijn gelegen in zandgrond, zoals de waterleiding, vindt sneller uitloging plaats en de levensduur van een in zandgrond gelegen waterleiding is korter dan die van waterleidingen die in andere grond zijn gelegen. Ook zijn hoogteverschillen, waardoor verschil in leidingdruk ontstaat, en de mate van bodemzetting in het desbetreffende gebied van invloed op de levensduur van een waterleiding. Leidingen die zijn gemaakt van asbestcement zijn bovendien in grotere mate onderhevig aan uitloging dan leidingen die van PVC zijn gemaakt. Vast staat dat de waterleiding was gemaakt van asbestcement, dat deze 47 jaar oud was ten tijde van het incident, dat deze gelegen was in zandgrond en dat de leidingdruk hoog was.

4.12.

De vraag in hoeverre een waterleiding is uitgeloogd kan worden vastgesteld door het meten van de wanddikte van de waterleiding. De waterleiding had volgens de metingen van KIWA ten tijde van de leidingbreuk een minimale wanddikte van 3,4 millimeter. De wanddikte van de waterleiding was aanvankelijk, bij de aanleg in 1967, nog 14 millimeter.

4.13.

De stelling van Vitens dat de door KIWA gemeten dikte niet representatief is voor de gehele leidingwand en dat deze op andere plaatsen minder was uitgeloogd is rechtens niet relevant, nu Vitens niet betwist dat de vraag of een waterleiding breekt afhankelijk is van het zwakste deel van de waterleiding en niet van de gemiddelde wanddikte van de waterleiding.

4.14.

Vitens weerspreekt de stelling van Liander dat de waterleiding met een dikte die is afgenomen van 14 naar 3,4 millimeter daarmee ‘onder de norm is’. Zij voert daartoe aan dat daarvan reeds geen sprake is nu er geen normen voor wanddikte gelden en zij wijst er op dat in hoofdstuk vijf van het rapport van KIWA staat dat de waterleiding gelet op de minimale dikte van 3,4 millimeter ten tijde van de breuk een verwachte restlevensduur had van vier jaar bij “een veiligheidsfactor twee” en van tien jaar bij “een veiligheidsfactor één”. Een en ander wordt door Liander niet weersproken.

4.15.

Anderzijds heeft Vitens zelf ter zitting verklaard dat zij de waterleiding direct vervangen zou hebben als haar bekend zou zijn geweest dat de wanddikte van de waterleiding tot 3,4 millimeter gedegenereerd was. Ook in haar optiek is deze dikte, zo verklaart zij, “te weinig” en, zo begrijpt de rechtbank, voldoet een waterleiding met deze geringe dikte niet aan de daaraan te stellen eisen. Dat de door KIWA gemeten degradatie van de waterleiding een gevaar op een breuk veroorzaakt, volgt ook uit het KIWA-rapport. Daarin is geconcludeerd dat de breuk van de waterleiding het meest waarschijnlijk is opgetreden als gevolg van de degradatie van het AC leidingmateriaal in combinatie met het graafwerk en waarin voorts is opgetekend dat niet onwaarschijnlijk is dat de breuk uitsluitend is ontstaan door degradatie, waaraan de opmerking is toegevoegd dat de waterleiding ernstig is aangetast. Deze bevindingen zijn door Vitens niet betwist.

4.16.

Liander voert voorts aan, in punt 18 van haar dagvaarding, dat de waterleidingen in de wijk Anklaar (waarin de waterleiding is gelegen) in 2014 oud en gedegenereerd waren en daarom spontaan kunnen breken en dat dit reeds volgt uit het feit dat daar in een tijdsbestek van ongeveer één jaar en twee maanden vóór de breuk van de waterleiding al tweemaal eerder een waterleiding is gebarsten met schade aan gasleidingen als gevolg, te weten op 20 oktober 2013 op de Oude Veldzichtlaan en op 30 mei 2014 aan de Anklaarseweg. Dit wordt door Vitens erkend. Geen punt van geschil is voorts dat bij laatstgenoemde breuk ruim 1200 huishoudens zonder gas kwamen te zitten en dat de schade voor Liander destijds € 1.728.309,00 bedroeg.

4.17.

Samenvattend kan worden vastgesteld dat:

- de kans op een leidingbreuk bij asbestcementen leidingen, zoals de waterleiding, groter is dan bij PVC-leidingen,

- bij asbestcementen waterleidingen gemiddeld één keer per jaar per tien kilometer een storing ontstaat, die in 90% van de gevallen bestaat uit een leidingbreuk,

- de kans op een breuk groter wordt naarmate de leidingwand door uitloging dunner is geworden,

- de waterleiding in zandgrond lag en dat het water daarin mede door aanwezige hoogteverschillen onder grotere druk dan gemiddeld werd getransporteerd, wat omstandigheden zijn die de levensduur van leidingen verkorten,

- de dikte van de waterleiding door uitloging tenminste op één punt was verminderd van 14 mm bij aanleg in 1967 naar 3,4 mm ten tijde van het incident, en dit zo dun was dat dit ook in de optiek van Vitens onvoldoende was,

- de waterleiding in het KIWA-rapport wordt omschreven als ernstig aangetast en dat uit dat rapport voorts volgt dat deze enkele mate van aantasting reeds een breuk kan veroorzaken,

- bij een leidingbreuk veel water uit de leiding stroomt, waardoor letsel en forse schade kan ontstaan en

- in dezelfde wijk in de veertien maanden voor de leidingbreuk al tweemaal eerder een breuk heeft plaatsgevonden waarbij schade aan een gasleiding is ontstaan en waarbij de schade in een van die gevallen meer dan 1,7 miljoen euro bedroeg.

De redelijkerwijs te vergen onderhouds- en veiligheid maatregelen

4.18.

Vervolgens komt de vraag aan de orde welke maatregelen van Vitens in deze omstandigheden mogen worden verwacht. Liander stelt in dit verband dat Vitens in het algemeen en ook in vergelijking met andere drinkwaterbedrijven te laat is gestart met het beoordelen van de externe effecten van haar leidingen (BEEL) en tevens onvoldoende heeft gedaan om de conditie van de leidingen in beeld te brengen. Ook stelt Liander dat Vitens te weinig investeert in het vervangen van de asbestcementen waterleidingen en zij in haar vervangingsplannen de verkeerde prioriteiten stelt door geen prioriteit te geven aan leidingen die fysiek zwak zijn en daardoor een grote kans hebben om te barsten en schade te veroorzaken. Dit klemt te meer nu Vitens wel financiële middelen voorhanden heeft, hetgeen blijkt uit het feit dat zij winst maakt en dividenden uitkeert aan haar aandeelhouders, aldus Liander.

4.19.

Vitens heeft toegelicht dat zij bij het in goede staat houden van haar distributienet waterleidingen niet als uitgangspunt hanteert dat een waterleiding vervangen moet worden bij een bepaalde wanddikte of bij een bepaald risico op leidingbreuk, maar dat zij ervan uit gaat dat het volledige distributienet van asbestcement- waterleidingen in 2030 -2040 moet worden vervangen, aangezien deze leidingen veelal zijn aangelegd in de periode 1950 - 1960 en, aldus Vitens, in 2030-2040 aan het einde van hun levensduur zitten. Vitens erkent dat asbestcementen waterleidingen, naarmate zij het einde van hun levensduur naderen meer storingen (breuken) zullen gaan vertonen. Gezien de hoge kosten van vervangen van een stuk waterleiding kan echter, volgens Vitens, niet van Vitens verwacht worden dat zij in één keer al haar asbestcementen leidingen vervangt. Vitens heeft daarom in 2015 een meerjarenplanning gemaakt voor het vervangen van de asbestcementen waterleidingen op basis van een rekenmodel waarbij in de prioritering met name rekening wordt gehouden met de prestaties van het distributienet en het aantal (verwachte) storingen dat een betreffende asbestcement-leiding oplevert. Tevens wordt in de planning rekening gehouden met kansen die zich voordoen, zoals een situatie waarin de straat opengebroken wordt door een derde partij en de leidingen bloot komen te liggen. In dergelijke gevallen kunnen de leidingen immers voordelig vervangen worden, omdat de kosten van het nadien bestraten kunnen worden gedeeld met de derde. Desgevraagd heeft Vitens ter comparitie toegelicht dat het rekenmodel zich alleen richt op veiligheid in de zin van de prestaties van het net (naar de rechtbank begrijpt wordt bedoeld dat Vitens zich met name richt op de waterkwaliteit en de continuïteit van de levering) en dat geen rekening wordt gehouden met veiligheid in de zin van risico’s voor derden. Vitens stelt dat zij geen zicht heeft op de fysieke toestand van haar leidingen en dus in haar meerjarenplan geen rekening kan houden met de mate waarin de leidingen zijn uitgeloogd. Uitloging gaat, aldus Vitens, sneller of langzamer afhankelijk van een aantal factoren. Het kan niet van haar gevraagd worden om deze factoren in beeld te brengen, omdat de fysieke conditie van het leidingennet (de mate van uitloging van de waterleidingen) per locatie sterk kan verschillen en het te bezwaarlijk is om alle locaties te onderzoeken. Hiervoor zou namelijk een kostbaar onderzoek moeten plaatsvinden op het ondergrondse netwerk, waarbij de waterleidingen over hun gehele lengte moeten worden uitgegraven. Vanwege de omvang van het leidingengestel is het te bezwaarlijk (kostbaar) voor Vitens om een dergelijk onderzoek uit te voeren, aldus Vitens.

4.20.

Liander heeft in reactie hierop toegelicht dat er gangbare technieken voor handen zijn waarbij de fysieke toestand van een waterleiding in kaart kan worden gebracht zonder dat waterleiding over de gehele lengte behoeft te worden blootgelegd, zoals het uitvoeren van pulsmetingen. Dat is door Vitens onvoldoende weersproken gelaten. Als al gevolgd wordt dat een onderzoek op alle asbestcementen waterleidingen te kostbaar is dan had naar het oordeel van de rechtbank toch ten minste van Vitens gevergd mogen worden dat zij toelicht waarom zij niet overgaat tot een beperkter onderzoek, zoals het in beeld brengen van de conditie van de asbestcement-waterleidingen in de gebieden die een verhoogd risico op schade aan personen of schade kennen, bijvoorbeeld doordat er sprake is van een hogedrukleiding in combinatie met een nabij gelegen gasleiding, of in de gebieden waarin de grootste kans op uitloging plaatsvindt zoals in de gebieden waarin sprake is van hoogteverschillen, zandgrond, of bodemzetting. Vitens heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat het treffen van deze maatregelen niet van Vitens gevergd kan worden.

4.21.

Concluderend overweegt de rechtbank als volgt. Uit de in rov. 4.17. genoemde omstandigheden volgt dat er, zeker ter plaatste van de waterleiding, een aanzienlijke kans bestond op de verwezenlijking van het gevaar op forse schade voor derden als gevolg van leidingbreuk. Niet betwist is dat van Vitens in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij ter voorkoming van gevaar voor personen of zaken haar gehele leidingnet in een keer zou vervangen. Wel mocht van Vitens worden verwacht dat zij, gelet op de grote schade die het gevolg kan zijn van leidingbreuk, eerder was begonnen met het nemen van maatregelen om dit te voorkomen. Voorts mocht van Vitens worden verwacht dat zij, gezien het verschil in gevaar tussen de verschillende delen van haar net, gebruik zou maken van de hiervoor besproken mogelijkheden om de verschillende risico’s per leidingdeel te inventariseren en om daar waar de risico’s groter waren, zoals ter plaatse van de waterleiding, maatregelen te nemen om verwezenlijking van dit gevaar ter voorkomen. De rechtbank stelt vast dat zij dit heeft nagelaten. Onvoldoende is gesteld of overigens gebleken dat dit wegens kosten en/of de financiële draagkracht van Vitens niet van haar kon worden gevergd.

De conclusie is dan dat de waterleiding gelet op de in rov. 4.4. genoemde maatstaven niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld en daardoor gevaar opleverde voor personen en zaken.

Verwezenlijking van dit gevaar en causaliteit

4.22.

Vast staat dat de waterleiding is gebroken. Dit risico heeft zich dus verwezenlijkt. Voor zover Vitens stelt dat dit niet door het gebrek aan de waterleiding komt maar door de graafwerkzaamheden in de buurt overweegt de rechtbank dat uit het in rov. 2.6. genoemde KIWA-rapport, dat partijen gezamenlijk hebben laten opstellen en waarvan de conclusies niet worden betwist, volgt dat het niet onwaarschijnlijk is dat de slechte fysieke toestand van de waterleiding de barst van de waterleiding heeft veroorzaakt en dat de breuk van de waterleiding het meest waarschijnlijk is opgetreden als gevolg van degradatie van het AC leidingmateriaal in combinatie met het graafwerk. Vitens heeft niet betwist dat een waterleiding in een redelijke conditie tegen enige graafwerkzaamheden bestand zou moeten zijn. Dit geldt des te meer in dit geval waarbij de werkzaamheden tot een afstand van 80 centimeter van de waterleiding verwijderd zijn gebleven, De conclusie is dan dat de breuk ten minste mede is veroorzaakt door het gebrek en dat het uit dit gebrek voortvloeiend gevaar zich dus heeft verwezenlijkt.

In het KIWA-rapport wordt ook aandacht besteed aan het causale verband tussen de waterleiding-breuk en de breuk van de gasleiding. Vast staat ook dat door de barst van de waterleiding een grote hoeveelheid water uit de waterleiding is gestroomd, waardoor de grond onder de gasleiding is weggespoeld. De gasleiding kon dit op geen enkele manier doorstaan en het was onvermijdelijk dat de gasleiding daardoor zou breken, aldus het KIWA-Rapport. Deze conclusies worden niet (gemotiveerd) betwist. Hiermee staat het causale verband tussen de gebrekkige opstal en de schade ten gevolge van de breuk van de gasleiding vast.

Conclusie ten aanzien van aansprakelijkheid op grond van 6:174 BW en de tenzij-clausule

4.23.

Uit het vorenstaande volgt de waterleiding niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen en dat Vitens daarom aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan als gevolg van de verwezenlijking van het gevaar dat de waterleiding opleverde. Daarbij overweegt de rechtbank dat in tegenstelling tot wat Vitens heeft betoogd geen sprake is van toepassing van de tenzij-clausule van artikel 6:174 lid 1 BW. De waterleiding was immers reeds voorafgaand aan de breuk gebrekkig en Vitens heeft erkend dat zij de leiding vervangen zou hebben wanneer zij op de hoogte zou zijn geweest van de slechte conditie waarin de leiding verkeerde voorafgaande aan de breuk.

Eigen schuld

4.24.

Vitens heeft gesteld dat de schadevergoedingsplicht verminderd dient te worden op grond van ‘eigen schuld’ in de zin van artikel 6:101 BW, omdat de schade van Liander mede het gevolg is van omstandigheden die aan Liander kunnen worden toegerekend. De rechtbank stelt voorop dat voor vermindering van een schadevergoedingsplicht op grond van artikel 6:101 BW slechts plaats is indien de gedragingen van Liander in de gegeven omstandigheden onvoorzichtig, onzorgvuldig, foutief of verkeerd waren, afgezet tegen de mogelijkheid dat zij zichzelf daardoor schade zou berokkenen.

4.25.

Vitens heeft in de eerste plaats gesteld dat er sprake is van onvoorzichtig handelen van Liander, omdat de gasleiding boven de waterleiding is aangelegd. Vitens onderbouwt deze stelling met een tekening uit een NEN rapport uit 2009 waarin een gasleiding en een waterleiding naast elkaar –op dezelfde diepte- zijn ingetekend. Liander heeft in reactie hierop gesteld dat het gebruikelijk is/was dat gasleidingen minder diep worden geplaatst dan waterleidingen, omdat het voor een gasleiding voldoende is om op 0,7 meter diepte te worden geplaatst, waar een waterleiding op één meter diepte dient te worden geplaatst in verband met de vorstgrens. Tevens heeft Liander gesteld dat de richtlijn uit het NEN rapport, waarin de leidingen op dezelfde diepte en naast elkaar zijn ingetekend, destijds, bij de aanleg van de waterleiding in 1967, nog niet bestond, maar pas in 2009 is vastgesteld en slechts richtlijnen geeft voor na 2009 te bouwen nieuwe wijken. Deze stellingen van Liander zijn door Vitens niet, althans onvoldoende, betwist, terwijl de stelplicht wel op Vitens rust. De rechtbank concludeert dat niet is komen vast te staan dat Liander een (veiligheids)norm heeft geschonden door de gasleiding boven de waterleiding te plaatsen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat Vitens niet gereageerd heeft op de stelling van Liander dat het water onder de gasbuis ook zou zijn weggespoeld als de buizen naast elkaar zouden hebben gelegen in plaats van boven elkaar. Dit had wel op de weg van Vitens gelegen, gezien de op haar rustende stelplicht. De stelling van Vitens dat Liander onzorgvuldig heeft gehandeld door de gasbuis boven de waterleiding te plaatsen wordt daarom verworpen.

4.26.

Vitens stelt ten tweede dat Liander onvoorzichtig heeft gehandeld door haar leiding van asbestcement niet tijdig te vervangen door een leiding van PVC. Vitens heeft echter onvoldoende onderbouwd waarom Liander de gasleiding had moeten vervangen. KIWA heeft immers (onbetwist) vastgesteld dat de gasleiding een wanddikte van 8,9 millimeter en een levensduur van tenminste 70 jaar had, wat er niet op wijst dat de gasleiding vervangen diende te worden. Voorts heeft Vitens de stelling van Liander niet betwist dat ook een leiding van PVC zou zijn gebroken als de ondergrond eronder zou zijn weggespoeld en het vervangen van de gasleiding door een gasleiding van PVC de schade dus niet had kunnen voorkomen of beperken. Deze stelling van Vitens wordt aldus gepasseerd.

4.27.

Gelet op het bovenstaande komt niet vast te staan dat Liander zich anders (namelijk onvoorzichtiger) heeft gedragen dan een redelijk denkend mens onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan (Hof Arnhem-Leeuwarden 6 augustus 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:5865, VR 2014/44). De rechtbank concludeert daaruit dat Liander niet onvoorzichtig heeft gehandeld.

4.28.

In de derde plaats heeft Vitens gesteld er sprake is van eigen schuld aan de zijde van Liander, omdat bodemzettingen als gevolg van de bouwwerkzaamheden in de omgeving van de waterleiding een (mede)oorzaak van de breuk van de waterleiding zijn geweest. Nu Liander de opdrachtgever is geweest van het bedrijf dat de bouwwerkzaamheden heeft uitgevoerd (‘[naam bouwbedrijf]’) dient Liander haar schade gedeeltelijk zelf te dragen, aldus Vitens. De rechtbank volgt Vitens niet in deze stelling. Liander heeft immers onbetwist gesteld dat zich in Nederland jaarlijks honderdduizenden ‘grondroeringen’ plaatsvinden in de nabijheid van bestaande leidingen en dat een niet-gebrekkige opstal daartegen bestand dient te zijn. Vitens heeft niet geconcretiseerd waaruit in dit geval de ‘fout’ van [naam bouwbedrijf] heeft bestaan en ook overigens is niet gebleken dat [naam bouwbedrijf] in de uitvoering van de werkzaamheden enige norm heeft geschonden. Tenslotte is niet gebleken dat de waterleiding niet ook zonder de bouwwerkzaamheden was gebarsten. Dit is, volgens KIWA, niet-onwaarschijnlijk. Nu er derhalve geen conditio-sine-qua-non verband kan worden vastgesteld tussen de bouwwerkzaamheden en de breuk in de waterleiding wordt eigen schuld niet aangenomen.

Aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW.

4.29.

Nu is geoordeeld dat Vitens aansprakelijk is als gevolg van de waterleidingbreuk op grond van artikel 6:174 BW hoeft niet meer te worden beoordeeld of aansprakelijkheid bestaat op artikel 6:162 BW, hetgeen Liander subsidiair heeft betoogd.

Tussenvonnis en verzoek verlof tot tussentijds appel

4.30.

Vitens heeft kenbaar gemaakt dat een tussenvonnis mogelijk een basis voor partijen kan bieden om nader met elkaar in overleg te treden. De rechtbank besluit partijen hiertoe gelegenheid te geven en verwijst de zaak naar de rol van 8 augustus 2018 om een akte te nemen waarin ze zich uitlaten over het al dan niet voortprocederen.

4.31.

Liander heeft de rechtbank voorts nog verzocht om een eventueel te wijzen tussenvonnis tussentijds appellabel te maken indien in het tussenvonnis wordt geoordeeld dat eigen schuld aan de zijde van Liander aanwezig is. Vitens heeft zich niet over dit verzoek van Liander uitgesproken. De rechtbank constateert dat de door Liander beschreven situatie niet aan de orde is en het verzoek van Liander daarom niet behandeld hoeft te worden.

4.32.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat een verzoek om tussentijds appel mogelijk te maken ertoe strekt om af te wijken van de hoofdregel zoals neergelegd in artikel 337 lid 2 Rv, waarin staat dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met dat tegen het eindvonnis. Uit de wetsgeschiedenis van voornoemde bepaling kan worden afgeleid dat het de bedoeling is om bij het toestaan van tussentijds hoger beroep terughoudendheid te betrachten en dat de beslissing daartoe afhankelijk is van de vraag of in het voorliggende geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan afwijking van de in genoemd artikel neergelegde hoofdregel doelmatiger is. De rechtbank is van oordeel dat van dergelijke bijzondere omstandigheden in deze zaak niet zijn gesteld en dat er daarom geen reden is om af te wijken van de hoofdregel dat tegen een tussenvonnis slechts tegelijk met het eindvonnis appel kan worden ingesteld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 8 augustus 2018 zodat beide partijen zich gelijktijdig bij akte kunnen uitlaten over het al dan niet voortprocederen.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen, mr. K. Mans en

mr. D. Bruinse-Pot en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2018.