Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3209

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
05/740220-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 28-jarige man uit Rumpt is door de rechtbank Gelderland veroordeeld voor mishandelingen van zijn ex-vriendin en vernieling van haar auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers : 05/840220-18, 05/013384-16 (tul), 05/840176-15 (tul) en 18/166088-15 (tul)

Datum uitspraak : 16 juli 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres]

op de dag van de terechtzitting gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem

Raadsvrouw: mr. D. Simo, advocaat te Culemborg.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 maart 2018, te Rumpt, in de gemeente Geldermalsen, zijn levensgezel, althans een persoon, genaamd [slachtoffer] , heeft mishandeld, door genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met de al dan niet tot vuist gebalde hand in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam te stompen en/of te slaan, en/of, door genoemde [slachtoffer] bij de keel vast te pakken of vast te grijpen, en/of door (vervolgens) de keel van genoemde [slachtoffer] dicht te drukken en/of (enige tijd) dichtgedrukt te houden;

2.

hij op of omstreeks 18 maart 2018, te Rumpt, in de gemeente Geldermalsen, opzettelijk en wederrechtelijk (een of meer ruit(en) en/of twee, althans een of meer, buitenspiegel(s) en/of een band van) een auto (merk Opel Astra, kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 april 2016 tot en met 09 oktober 2017, althans in de (het) ja(a)r(en) 2016 en/of 2017, te Rumpt, in de gemeente Geldermalsen, althans in Nederland, (telkens) zijn levensgezel, althans een persoon, genaamd [slachtoffer] , heeft mishandeld,

-door genoemde [slachtoffer] (telkens) met de al dan niet tot vuist gebalde hand in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of en/of tegen de arm(en) en/of tegen de ribben en/of (elders) tegen het lichaam te stompen en/of te slaan, en/of

-door genoemde [slachtoffer] (telkens) met de al dan niet geschoeide voet(en) tegen de rug en/of (elders) tegen het lichaam te schoppen of te trappen, en/of

-door genoemde [slachtoffer] (telkens) bij de keel en/of de nek vast te pakken of vast te grijpen, en/of door (vervolgens) de keel en/of de nek van genoemde [slachtoffer] (telkens) dicht te drukken en/of (enige tijd) dichtgedrukt te houden, en/of

-door genoemde [slachtoffer] (telkens) aan de haren te trekken, en/of

-door genoemde [slachtoffer] (telkens) op de grond te gooien of te laten vallen, en/of

-door genoemde [slachtoffer] (telkens) met zijn hoofd en/of lichaam tegen een muur te duwen of te gooien, en/of

-door genoemde [slachtoffer] (telkens) in de arm(en) en/of (elders) in het lichaam te bijten;

4.

hij op een of meer verschillende tijdstippen op of omstreeks 17 oktober 2017, althans in de maand oktober 2017, te Rumpt, in de gemeente Geldermalsen, (telkens) een persoon, genaamd [slachtoffer] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] (telkens) dreigend (middels het toesturen van een of

meer whatsapp berichten) de woorden toe te voegen "Ik steek jou kapot" en/of "Schroevendraaier in je kanker oog" en/of "Maak jou dood" en/of "Had jou gisteravond zo hard in je kanker gezicht moeten stompen" en/of "Je gaat echt dr aan" en/of "Ook al moet 1 a 2 jaar zitten", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Tijdens de aanhouding van verdachte is buitensporig veel geweld gebruikt. Verdachte is geblinddoekt, hij heeft een vinger in zijn oog gekregen en iemand is op zijn schouder gaan zitten. Dit is een schending van het behoorlijkheidsvereiste.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is. Ze heeft aangegeven dat de raadsvrouw dit verweer al bij de rechter-commissaris naar voren heeft gebracht en dat de rechter-commissaris de aanhouding niet onrechtmatig heeft geacht. De officier van justitie sluit zich daarbij aan. Het dossier geeft geen indicaties van het tegendeel.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de rechter-commissaris in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling al heeft geoordeeld dat de inverzekeringstelling niet onrechtmatig is geweest. Ter zitting heeft de raadsvrouw geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit aannemelijk is geworden dat dit wel het geval is geweest. Het betoog van de verdediging kan alleen al om die reden niet slagen, nog daargelaten of schending van het behoorlijkheidsvereiste tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan leiden.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde feiten. Van noodweer of noodweerexces is geen sprake geweest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft voor alle feiten vrijspraak bepleit.

Voor wat betreft de feiten 1 en 2 heeft de raadsvrouw verzocht om de verklaringen van aangeefster buiten beschouwing te laten, omdat deze onbetrouwbaar en ongeloofwaardig zijn. In haar verklaringen zijn bijvoorbeeld drie verschillende versies te lezen van de manier waarop aangeefster het kapmes in handen kreeg. Mocht de rechtbank de verklaringen van aangeefster wel voor het bewijs gebruiken, dan is er nog onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2.

Voorts heeft de raadsvrouw voor wat betreft feit 1 opgemerkt dat de verklaring van aangeefster op essentiële onderdelen tegenstijdig is, dat er een letselbeschrijving is, maar dat de huisarts aangeefster niet heeft gezien, dat de verklaring van de moeder van aangeefster van horen zeggen is en dat getuige [getuige 1] niet heeft verklaard over een mishandeling. Ook ontbreekt het opzet van verdachte. Hij heeft aangeefster enkel vastgepakt en van zich afgetrokken. Subsidiair heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op noodweer en meer subsidiair op noodweerexces.

Voor wat betreft feit 2 heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de verklaring van aangeefster op essentiële onderdelen tegenstijdig is met die van verdachte en [getuige 1] . Daarnaast heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat aangeefster met de auto op verdachte af kwam rijden en dat verdachte toen geen kant op kon. Hij reageerde met zijn lichaam, waardoor de ruit van de auto kapot is gegaan. Er was daarom geen sprake van opzet op de vernieling. Subsidiair heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op noodweer en meer subsidiair op noodweerexces. Verdachte probeerde te voorkomen dat aangeefster op hem inreed. Er was sprake van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De reactie van verdachte was noodzakelijk en proportioneel.

Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat er geen ondersteunend bewijsmateriaal is voor bewezenverklaring van dit feit. Daarnaast zat verdachte een groot deel van de periode waarin de feiten ten laste zijn gelegd in detentie waardoor hij de feiten niet gepleegd kan hebben.

Ten slotte heeft de raadsvrouw met betrekking tot feit 4 naar voren gebracht dat uit het dossier niet is gebleken wie de berichten naar aangeefster heeft gestuurd. De stemherkenning door verbalisant [verbalisant 2] roept vraagtekens op aangezien het laatste contact dat verdachte met verbalisant [verbalisant 2] had tijdens zijn minderjarigheid was. Ook is niet gebleken dat aangeefster de berichten als bedreigend heeft opgevat.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank vindt niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder feit 1 heeft begaan.

Aangeefster en verdachte geven een ander verloop van de gebeurtenissen weer op 18 maart 2018. Aangeefster heeft zich op 18 maart 2018 gemeld bij de huisarts. Het door de huisarts geconstateerde letsel bevestigt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende de beschrijving van de gebeurtenissen zoals deze door aangeefster in haar verklaring zijn omschreven. Zo valt uit de verklaring van aangeefster niet af te leiden hoe zij het letsel achter en in haar oorschelp heeft opgelopen. Nu de verklaring van aangeefster ook niet wordt ondersteund door andere stukken in het dossier zal verdachte van het tenlastegelegde onder feit 1 worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat de verklaringen van aangeefster buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat ze ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zouden zijn.

De rechtbank constateert dat de verklaringen van aangeefster op enkele ondergeschikte onderdelen, zoals wie op welk moment het kapmes in handen had, niet consistent zijn. Dit is naar het oordeel van de rechtbank echter niet ongewoon, gelet op de hectische en chaotische situatie waarin aangeefster en verdachte zich op 18 maart 2018 bevonden. Dit doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de geloofwaardigheid/betrouwbaarheid van de door aangeefster afgelegde verklaringen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verklaringen van aangeefster op essentiële onderdelen worden ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 1] . De verklaring van aangeefster dat verdachte de spiegels van haar auto (een Opel Astra met kenteken [kenteken] ) heeft afgeslagen en een ruit van haar auto heeft ingeslagen2 komt immers vrijwel overeen met de verklaring van getuige [getuige 1] , waar deze heeft verklaard dat hij zag dat verdachte een buitenspiegel van de auto van aangeefster trapte en een ruit van de auto van aangeefster in sloeg.3

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake was van een noodweersituatie waardoor de wederrechtelijkheid aan de gedragingen van verdachte zou komen te ontvallen.

Met betrekking tot dit verweer merkt de rechtbank op dat voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat aannemelijk wordt dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Daarnaast dient de wijze van verdediging tegen deze aanranding noodzakelijk en geboden te zijn.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. Aangeefster heeft weliswaar verklaard dat ze een paar keer op verdachte is ingereden, dit was echter nadat verdachte het voorraam van haar auto had ingeslagen. Aangeefster werd daardoor bang en wilde wegkomen. Opvallend in dit verband is dat getuige [getuige 1] bij de politie heeft verklaard dat aangeefster heel zachtjes reed en dat ze verdachte niet heeft geraakt. De door verdachte geschetste situatie dat hij aan de auto wist te ontkomen en dat het raam om die reden kapot is gegaan is daarom niet aannemelijk geworden. Ook het verweer van de verdediging dat van opzet geen sprake was wordt door de rechtbank verworpen. Getuige [getuige 1] heeft gezien dat verdachte de ruit insloeg en heeft in zijn verklaring er op geen enkele wijze blijk van gegeven dat verdachte zich moest verdedigen. Daarnaast kan het, gelet op de schade aan de ruit van de auto, bezwaarlijk anders zijn dan dat verdachte opzet had op vernieling van de ruit.

De rechtbank vindt daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een buitenspiegel en een ruit van de auto van aangeefster heeft vernield. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte de banden van de auto van aangeefster lek heeft gestoken zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrij moet worden gesproken.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank vindt ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 3 heeft begaan.

Aangeefster heeft op 9 oktober 2017 bij de politie verklaard dat zij vanaf 1 januari 2016 een relatie met verdachte had. Verdachte heeft haar op 19 april 2016 in Hoogblokland ter hoogte van haar ribben geslagen, haar bij haar haren gepakt en haar in haar rug getrapt. Drie maanden voor het afleggen van haar verklaring heeft verdachte aangeefster twee keer bij haar nek gegrepen en had zij het gevoel dat verdachte haar wilde wurgen. Ook heeft verdachte haar diverse keren op de grond gegooid. Op 14 augustus 2017 in Rumpt duwde verdachte met kracht het hoofd van aangeefster tegen de muur. Op 9 oktober 2017 in Rumpt gaf verdachte aangeefster een klap op haar arm. Ook beet hij in de arm van aangeefster.4 In totaal heeft verdachte de keel van aangeefster zeker 6 of 7 keer dicht geknepen. Ook heeft hij zeker 6 of 7 keer haar hoofd met kracht tegen de muur geslagen.5 De moeder van aangeefster heeft op 19 maart 2018 bij de politie verklaard dat ze de laatste anderhalf jaar regelmatig letsel bij haar dochter heeft gezien. Haar dochter had blauwe plekken op haar lichaam en ook had ze een keer een blauw oog.6 Getuige [getuige 3] heeft ter zitting verklaard dat verdachte hem heeft verteld dat er over en weer werd geslagen tussen aangeefster en verdachte. [getuige 3] heeft gezien dat er over en weer werd gescholden, geduwd en getrokken.7

Nu de verklaring van aangeefster geloofwaardig wordt geacht (aangeefster heeft ook verklaard over haar eigen –lang niet altijd fraaie– rol in het geheel) en bevestiging vindt in andere bronnen vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft mishandeld zoals aangeefster bij de politie heeft verklaard.

Het verweer van de raadsvrouw dat verdachte de feiten niet gepleegd kan hebben omdat hij in detentie zat wordt door de rechtbank verworpen nu deze stelling door de verdediging niet nader is onderbouwd, dit ook niet is gebleken uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie noch anderszins aannemelijk is geworden.

Ten aanzien van feit 4

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar op 17 oktober 2017 onder andere de volgende berichten via WhatsApp heeft gestuurd:

  • -

    steek jou kapot as jou nog ooit x zie

  • -

    schroevendraaier in je kankeroog

  • -

    maak jou dood

  • -

    had jou gisteravond zo hard in je kanker gezicht moeten stompen

  • -

    echt x volle vuist

  • -

    je gaat echt dr aan

  • -

    nee belofte

  • -

    ook al moet ik 1a2 jaar zitten 8

De geschreven berichten werden afgewisseld met ingesproken berichten.9 Verbalisant [verbalisant 2] heeft de op 17 oktober 2017 aan aangeefster gestuurde spraakberichten beluisterd en herkende de stem als zijnde de stem van de bij hem ambtshalve bekende verdachte.10

De verdediging heeft aangevoerd dat [verbalisant 2] voor het laatst contact heeft gehad met verdachte toen deze nog minderjarig was, hetgeen de betrouwbaarheid van de herkenning zou beïnvloeden. Deze stelling kom niet overeen met de verklaring van de moeder van verdachte ter zitting dat verdachte een jaar of 4 a 5 geleden nog een conflict met [verbalisant 2] heeft gehad. Er is dus geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de stemherkenning door die [verbalisant 2] . Met betrekking tot het al dan niet bedreigd voelen van aangeefster merkt de rechtbank op dat aangeefster heeft verklaard dat ze naar aanleiding van de gestuurde berichten heel bang was en dat er altijd iemand bij haar in de buurt was omdat ze niet alleen durfde te zijn. Bovendien hebben de door verdachte gebruikte bewoordingen een zodanig bedreigend en angstaanjagend karakter dat het behoudens contra-indicaties, niet anders zijn dan dat aangeefster zich bedreigd heeft gevoeld. Van dergelijke contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. De verweren van de raadsvrouw worden derhalve verworpen.

De rechtbank vindt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder feit 4 heeft begaan.

4 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

2.

hij op of omstreeks 18 maart 2018, te Rumpt, in de gemeente Geldermalsen, opzettelijk en wederrechtelijk (een of meer ruit(en) en/of twee, althans een of meer, buitenspiegel(s) en/of een band van) een auto (merk Opel Astra, kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 april 2016 tot en met 9 oktober 2017, althans in de (het) ja(a)r(en) 2016 en/of 2017, te Rumpt, in de gemeente Geldermalsen, althans in Nederland, (telkens) zijn levensgezel, althans een persoon, genaamd [slachtoffer] , heeft mishandeld,

-door genoemde [slachtoffer] (telkens) met de al dan niet tot vuist gebalde hand in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of en/of tegen de arm(en) en/of tegen de ribben en/of (elders) tegen het lichaam te stompen en/of te slaan, en/of

-door genoemde [slachtoffer] (telkens) met de al dan niet geschoeide voet(en) tegen de rug en/of (elders) tegen het lichaam te schoppen of te trappen, en/of

-door genoemde [slachtoffer] (telkens) bij de keel en/of de nek vast te pakken of vast te grijpen, en/of door (vervolgens) de keel en/of de nek van genoemde [slachtoffer] (telkens) dicht te drukken en/of (enige tijd) dichtgedrukt te houden, en/of

-door genoemde [slachtoffer] (telkens) aan de haren te trekken, en/of

-door genoemde [slachtoffer] (telkens) op de grond te gooien of te laten vallen, en/of

-door genoemde [slachtoffer] (telkens) met haar hoofd en/of lichaam tegen een muur te duwen of te gooien, en/of

-door genoemde [slachtoffer] (telkens) in de arm(en) en/of (elders) in het lichaam te bijten;

4.

hij op een of meer verschillende tijdstippen op of omstreeks 17 oktober 2017, althans in de maand oktober 2017, te Rumpt, in de gemeente Geldermalsen, (telkens) een persoon, genaamd [slachtoffer] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] (telkens) dreigend (middels het toesturen van een of

meer whatsapp berichten) de woorden toe te voegen "Ik steek jou kapot" en/of "Schroevendraaier in je kanker oog" en/of "Maak jou dood" en/of "Had jou gisteravond zo hard in je kanker gezicht moeten stompen" en/of "Je gaat echt dr aan" en/of "Ook al moet 1 a 2 jaar zitten", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

opzettelijk en wederrechtelijk een goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen

Ten aanzien van feit 3:

mishandeling begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

en

bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd

6 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Naast het hiervoor besproken beroep op noodweer heeft de verdediging subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces Nu niet is gebleken van een noodweersituatie kan alleen al om die reden van noodweerexces geen sprake zijn. Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Tevens heeft zij verzocht om aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden te koppelen zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd, met dien verstande dat de elektronische controle voor maximaal 6 maanden wordt toegepast. Ook heeft de officier van justitie, gelet op het strafblad van verdachte, de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, mocht het openbaar ministerie ontvankelijk zijn en geen vrijspraak volgen, een gevangenisstraf bepleit gelijk aan de periode die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Subsidiair heeft de raadsvrouw een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit. Verdachte is bereid om mee te werken aan de eventueel op te leggen voorwaarden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich over een langere periode schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige levensgezel. Hij heeft haar onder andere geschopt, geslagen, haar keel dichtgedrukt, gebeten en met haar hoofd tegen een muur geslagen. Door op deze manier te handelen heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van aangeefster. Ook heeft hij haar goederen vernield en haar in niet mis te verstane bewoordingen bedreigd. Aangeefster was bang voor verdachte. Uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring van aangeefster blijkt dat zij alles wat er is voorgevallen probeert te verwerken. Ze is hiervoor in behandeling.

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychologisch rapport van 27 juni 2018, opgemaakt door A.M. Hertig.

Uit het rapport komt, zakelijk weergegeven, naar voren dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Dit is in diagnostische zin te omschrijven als een gemiddeld intelligente man met aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis van het overwegend hyperactief-impulsief beeld (ADHD), posttraumatische stressstoornis, een persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken en een stoornis in cannabisgebruik in vroege remissie door gereguleerde omgeving. Omdat verdachte niet wilde verklaren over de ten laste gelegde feiten is het voor de onderzoekster niet mogelijk een precieze uitspraak te doen over de mate van het toerekenen. Wel kan verondersteld worden dat er geen sprake is van niet toerekenen en ook geen sprake van het geheel wel toerekenen. Er zijn aanwijzingen voor een hoog risico op algemeen toekomstig gewelddadig gevaar met nauwelijks beschermende factoren die tegenwicht bieden. De onderzoekster adviseert om behandeling te starten in een klinische (forensische) kliniek, waarna een ambulant traject verder vormgegeven kan worden. Ze geeft drie juridische strafrechtelijke kaders in overweging: bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel met verplichte behandeling; terbeschikkingstelling met voorwaarden of terbeschikkingstelling met dwangverpleging van overheidswege.

De rechtbank is gelet op het hiervoor beschreven onderzoek van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde verminderd aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank houdt hiermee rekening bij het opleggen van de straf.

Nu de rechtbank minder bewezen heeft verklaard dan de officier van justitie bewezen achtte, zal zij mede daarom aan verdachte een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist.

De rechtbank vindt een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar passend en geboden. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de door de reclassering in haar rapport van 18 juni 2018 geadviseerde voorwaarden verbinden. Dit zijn een meldplicht, een behandelverplichting, een drugs- en alcoholverbod en een contact- en locatieverbod. Ook zal elektronische controle plaatsvinden voor de maximale duur van 6 maanden. Onderzoek heeft aangetoond dat toepassen van elektronische controle mogelijk is.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op het verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van 14 mei 2018, waaruit blijkt dat verdachte al meerdere malen voor huiselijk geweld is veroordeeld, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

8a. De beoordeling van de civiele vordering(en)en de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder feit 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.832,99.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe te wijzen met uitzondering van de gevorderde schade met betrekking tot de Iphone en de televisie nu deze schade niet in verband kan worden gebracht met de ten laste gelegde feiten. Tevens heeft zij verzocht dat de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair gevraagd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, subsidiair de vordering af te wijzen en meer subsidiair de schadevergoeding te matigen. De gevorderde reiskosten, de schade aan de deur van de auto, de schade aan de Iphone en het gevorderde verlies van arbeidsvermogen zijn onvoldoende onderbouwd. Met betrekking tot de huur van de auto heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de gemaakte brandstofkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat de benadeelde partij met haar eigen auto ook brandstof had moeten tanken. Daarnaast zijn de kosten van de huur niet aan de benadeelde partij gefactureerd. Met betrekking tot het eigen risico blijkt uit het door de benadeelde partij ter zitting overgelegde overzicht van de ziektekostenverzekeraar dat een bedrag van € 123,- voor haar eigen rekening is gekomen.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de uitspraak waarnaar benadeelde partij in haar vordering verwijst geen vergelijkbare zaak betreft.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2, 3 en 4 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij een vergoeding voor de geleden immateriële schade moet worden toegewezen. De rechtbank zal gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en begroot de immateriële schade naar redelijkheid op een bedrag van € 1.000,-.

De benadeelde partij kan gezien het bepaalde in artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet worden ontvangen in haar vordering voor zover deze ziet op de schade vanwege het betaalde eigen risico en het verlies van arbeidsvermogen. Deze schade staat immers in verband met feit 1 en verdachte wordt van dit feit vrijgesproken.

De benadeelde partij zal ook in haar vordering met betrekking tot de beschadiging van de televisie en de Iphone niet-ontvankelijk worden verklaard nu deze schade niet in verband kan worden gebracht met één van de ten laste gelegde feiten. Ook de vordering met betrekking tot schade aan de autodeur zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren nu de vordering wordt betwist en deze schade onvoldoende is onderbouwd en uit het dossier bovendien niet blijkt van beschadiging van de autodeur.

De rechtbank zal de gevorderde schade wegens de huur van een auto ten bedrage van € 59,90 toewijzen. Dat de factuur aan een ander dan benadeelde partij is gericht staat hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg. De brandstofkosten zullen niet worden toegewezen. Deze kosten kunnen niet als schade worden aangemerkt, nu de benadeelde partij bij gebruik van haar eigen auto ook kosten voor brandstof had moeten maken.

Ten slotte zal de rechtbank de gemaakte reis- en parkeerkosten voor bezoeken aan de psycholoog, Slachtofferhulp Nederland en het politiebureau ten bedrage van € 47,35 toewijzen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde met betrekking tot de materiële schade zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering. Benadeelde partij kan daarom haar vordering voor dat deel slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag met inbegrip van de wettelijke rente vanaf 19 april 2016 (eerste bewezenverklaarde mishandeling) voor de toegewezen immateriële schade en vanaf 18 maart 2018 voor de toegewezen materiële schade.

8b. De beoordeling van de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

Parketnummers 05/013384-16, 05/840176-15, en 18/166088-15

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling vordert de officier van justitie de tenuitvoerlegging van 6 weken gevangenisstraf die door de politierechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, op 29 maart 2016 zijn opgelegd (05/013384-16), tenuitvoerlegging van 2 weken gevangenisstraf, die door de politierechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, op 20 juli 2016 voorwaardelijk zijn opgelegd (05/840176-15) en tenuitvoerlegging van 2 weken gevangenisstraf die door de politierechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, op 24 april 2017 zijn opgelegd (18/166088-15).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gevraagd om de vorderingen af te wijzen omdat het geen soortgelijke feiten zijn dan waarvoor verdachte tijdens deze zitting mogelijk zal worden veroordeeld. Subsidiair heeft zij gevraagd om de proeftijd te verlengen en meer subsidiair om de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

De beoordeling door de rechtbank

Met betrekking tot de verweren van de raadsvrouw overweegt de rechtbank dat het bij de beoordeling van een tenuitvoerlegging voorwaardelijke gevangenisstraf in zijn algemeenheid niet relevant is of de vonnissen waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd op soortgelijke feiten zien als waarvoor verdachte in onderhavige zaak is veroordeeld. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen omstandigheden naar voren gebracht die de rechtbank aanleiding geven de proeftijd te verlengen of de gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf.

Ten aanzien van parketnummer 05/013384-16

Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, dient de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 29 maart 2016 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 6 weken ten uitvoer gelegd te worden.

Ten aanzien van parketnummer 05/840176-15

Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, dient de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 20 juli 2016 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 weken ten uitvoer gelegd te worden.

Ten aanzien van parketnummer 18/166088-15

Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, dient de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 24 april 2017 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 weken ten uitvoer gelegd te worden.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 285, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 tenlastegelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 4, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 5;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

 bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden algemene- en bijzondere voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op 3 (drie) jaren wordt bepaald;

●stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

●stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich houdt aan de aanwijzingen die Reclassering Nederland hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Verdachte meldt zich telefonisch binnen 3 werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis bij de Reclassering Nederland Stieltjesstraat 1 te Nijmegen (tel. 088.8041405) dan wel binnen 3 werkdagen na de terechtzitting indien de rechtbank dat nodig acht;

- wordt verplicht om zich te laten behandelen voor de geconstateerde psychiatrische problematiek bij Kairos Tiel of soortgelijke forensische zorg of elders indien ambulante behandeling nodig wordt geacht, zulks ter beoordeling van een eventuele duo rapportage, de behandelaars en de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven;

- wordt verboden om alcohol en drugs te gebruiken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte werkt hierin mee aan urinecontroles en behandeling mocht dit wenselijk of noodzakelijk worden geacht;

- wordt verboden contact te (laten) leggen met [slachtoffer] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich niet zal bevinden in Bergen op Zoom, zolang de reclassering dit wenselijk en nodig acht. Het locatieverbod kan, voor een periode van maximaal 6 maanden, of zoveel korter als de reclassering dit nodig acht, worden gecontroleerd met een elektronisch controlemiddel.

● geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

● beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

●beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

 veroordeelt veroordeelde ten aanzien van feit 2, 3 en 4 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag van € 1.107,25 (elfhonderdzeven euro en vijfentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2016 voor de immateriële schade en vanaf 18 maart 2018 voor de materiële schade tot aan de dag der algehele voldoening;

 verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] een bedrag te betalen van € 1.107,25 (elfhonderdzeven euro en vijfentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2016 voor de immateriële schade en vanaf 18 maart 2018 voor de materiële schade tot aan de dag der algehele voldoening met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 20 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 29 maart 2016 (parketnummer 05/013384-16), te weten van: 6 weken gevangenisstraf;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 20 juli 2016 (parketnummer 05/840176-15), te weten van: 2 weken gevangenisstraf.

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 24 april 2017 zijn opgelegd (parketnummer 18/166088-15), te weten van: 2 weken gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Kleinrensink (voorzitter), mr. A.G. Coumans en mr. G.W.B. Heijmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Bruinsma-Visscher, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juli 2018.

mr. Heijmans is buiten staat dit

vonnis mede te ondertekenen

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van de politie Oost Nederland, district Gelderland Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018120480, gesloten op 20 maart 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 49 en 50.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 76 en 77.

4 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, p. 6 en 7.

5 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, p. 27.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 78.

7 Verklaring getuige [getuige 3] , afgelegd op de terechtzitting van 2 juli 2018.

8 Proces-verbaal van aangifte, p. 24 en 25.

9 Afschriften gestuurde berichten via WhatsApp, p. 32 – 43.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 46.