Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3208

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
05/740000-18 en 05/840551-14 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 26-jarige man voor mishandeling, aanranding en huisvredebreuk, meermalen gepleegd. De man wordt één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers : 05/740000-18 en 05/840551-14 (tul)

Datum uitspraak : 18 juli 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in het PPC te Zwolle

Raadsman: mr. G.J. Gerrits, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 11 april 2018 en 4 juli 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 december 2017 te Arnhem [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar (stevig) bij haar keel/hals vast te pakken;

2.

hij op of omstreeks 30 december 2017 te Arnhem in de woning, [adres 2] bij een ander, te weten bij [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;

3.

hij op of omstreeks 30 december 2017 te Arnhem, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door haar woning binnen te gaan/dringen en (vervolgens) op onverhoedse wijze nagenoemde ontuchtige handelingen te

verrichten, [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer

ontuchtige handelingen, te weten het vastpakken van haar borsten en haar buik;

4.

hij op of omstreeks 30 december 2017 te Arnhem in de woning, [adres 3] bij een ander, te weten bij [slachtoffer 3] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;

5.

hij op of omstreeks 22 december 2017 te Arnhem in de woning, [adres 4] bij een ander, te weten bij [slachtoffer 4] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat door de psychische stoornis van verdachte het opzet niet kan worden bewezen.

De rechtbank is van oordeel dat de door de gedragsdeskundigen geconcludeerde (volledige) ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte niet in de weg staat aan een bewezenverklaring van opzet. Een volledige ontoerekeningsvatbaarheid staat slechts in de weg aan een bewezenverklaring van het opzet indien bij verdachte ten tijde van het handelen ieder inzicht in de draagwijdte van de gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in dit geval niet van gebleken, gelet op de aan verdachte verweten gedragingen. Verdachte wordt verweten dat hij bij willekeurige woningen aanbelde, zichzelf naar binnen werkte en fysiek agressief was tegen degenen die de deur openden. Het gaat daarbij om een samenstel van gecoördineerde, effectieve en in zekere zin rationele handelingen. Met betrekking tot feit 5, het feit dat chronologisch het oudste is, heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat hij aanbelde en aanklopte om mensen te leren kennen en dat hij dat heel normaal vond. Hieruit maakt de rechtbank op dat verdachte besefte wat hij deed en zelfs het opzet had bij mensen binnen te komen.2

Feiten 1 en 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1 en 2.

Het standpunt van de verdediging

Naast het meest verstrekkende verweer dat het opzet niet kan worden bewezen, welk verweer hierboven door de rechtbank is verworpen, is subsidiair aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat er sprake is van onvoldoende wettig bewijs. De enkele omstandigheid dat verdachte enige tijd na de melding in de omgeving van de plaats delict is aangetroffen, levert een stevige verdenking op, maar is onvoldoende voor een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op 30 december 2017 samen met haar vriendin [slachtoffer 2] in de woning aan de [adres 2] in Arnhem was. Tussen 20.30 en 20.35 uur ging de deurbel. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] deden samen de deur open. Er stond een man voor de deur met een oranje Unox-muts op zijn hoofd. De man was licht getint en had een donkere jas aan. De man duwde direct de deur open, liep naar binnen en viel aangeefster aan. Hij pakte haar bij de keel en riep: ‘Laat me erin’. Aangeefster had pijn en was angstig. Zij begon de man te slaan en toen zij loskwam, is zij naar haar vriendin in de woonkamer gevlucht. Samen hebben ze de deur naar de woonkamer dichtgehouden. De man probeerde de deur open te duwen en riep ‘Laat me erin’. Aangeefster had foto’s doorgestuurd gekregen van een incident op de [adres 4] in Arnhem de week ervoor. Dit was dezelfde man.3

Uit navraag in de politiesystemen is gebleken dat er op 22 december 2017 een melding was geweest van een persoon die op het adres [adres 4] in Arnhem had geprobeerd de woning binnen te dringen. De persoon die daarbij de woning had geprobeerd binnen te dringen, was verdachte.4

Getuige [slachtoffer 2] , woonachtig op het adres [adres 2] in Arnhem, heeft verklaard dat zij op 30 december 2017 samen met aangeefster [slachtoffer 1] in haar woning was. Omstreeks 20.30 uur werd er aangebeld. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] deden samen open. Er stond een man voor de deur. Het was dezelfde man als die de avond ervoor ook al twee keer had aangebeld. [slachtoffer 2] herkende hem aan zijn Unox-muts. De man duwde direct de deur open en viel [slachtoffer 1] aan. Hij dook bovenop haar en pakte haar bij de keel. [slachtoffer 2] ging naar de woonkamer. [slachtoffer 1] kwam later ook naar de woonkamer. Samen hebben zij de deur dichtgehouden. De man probeerde binnen te komen, duwde tegen de deur en riep: ‘Laat me nou binnen’. De man was licht getint, had een tenger postuur, was eind 20, begin 30 jaar oud, hij had een Unox-muts op zijn hoofd en droeg een donkere jas.5

Verdachte is op 30 december 2017 omstreeks 21.35 uur aangehouden aan de Johan de Wittlaan in Arnhem. Verdachte droeg op dat moment een oranje Unox-muts.6

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft aan het voorval gekneusde ribben aan de rechterzijde van haar lichaam overgehouden en daarnaast een verrekking van de rechter kniebanden.7

De rechtbank acht, gelet op het bovenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte voldeed aan het opgegeven signalement qua uiterlijk en hij droeg bij zijn aanhouding, ongeveer een uur na het voorval, een oranje Unox-muts. Voorts heeft aangeefster [slachtoffer 1] verdachte herkend als de persoon die afgebeeld stond op de foto die op 22 december 2017 was gemaakt van de man die was binnengedrongen in [adres 4] in Arnhem. Verbalisanten herkenden verdachte als de man afgebeeld op deze foto.

Feiten 3 en 4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 3 en 4.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken nu steunbewijs voor de aangifte van [slachtoffer 3] ontbreekt. De verdediging is van mening dat van schakelbewijs geen sprake is, nu er geen sprake is van een specifieke modus operandi in de overige zaken.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij op 30 december 2017 thuis was in haar woning aan de [adres 3] te Arnhem. Omstreeks 21.00 uur ging de deurbel. Aangeefster deed open en er stapte een man naar binnen die aangeefster bij haar borsten en buik pakte. Hij ging verder met zijn handen naar beneden en hij zei: ‘Neuken’. Aangeefster schreeuwde en duwde de man naar buiten.8 De man was getint, hij had een donkere jas aan en droeg een muts met een lichte streep. De muts was verder niet licht van kleur. Aangeefster is 1,67 meter lang en de man was langer dan zij. Nadat de man was verdwenen, heeft aangeefster een vriend van haar gebeld, de heer. [getuige 1] .9

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 30 december 2017 om 21.11 uur werd gebeld door aangeefster [slachtoffer 3] . Hij hoorde dat ze in paniek was. [slachtoffer 3] zei dat er was aangebeld, dat zij open had gedaan en dat er een man binnenkwam die direct zei: ‘Neuken’. Dat bleef hij herhalen. [slachtoffer 3] heeft hem vervolgens de woning uitgewerkt.10

Verdachte is op 30 december 2017 omstreeks 21.35 uur aangehouden aan de Johan de Wittlaan in Arnhem. Hij droeg op dat moment een Unox-muts met daarop een witte streep.11

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ongeveer 1,75 meter lang is.12

De rechtbank stelt vast dat de feiten passen in een patroon van soortgelijke grensoverschrijdende gedragingen. In dat kader verwijst de rechtbank onder meer naar hetgeen zij heeft overwogen met betrekking tot de feiten 1, 2 en 5. Verdachte belde bij willekeurige woningen aan, werkte zichzelf naar binnen en was fysiek agressief tegen degenen die de deur openden. De werkwijze is zeer specifiek, hetgeen de rechtbank meeneemt bij haar beoordeling van de feiten 3 en 4.

De rechtbank is van oordeel dat de door aangeefster verklaarde handelswijze van de dader past binnen de hiervoor omschreven modus operandi. De bewijskracht wordt versterkt door de tijdstippen waarop verdachte op 30 december 2017 op verschillende plaatsen in Arnhem is aangetroffen. De rechtbank heeft onder feit 1 en 2 bewezenverklaard dat verdachte om ongeveer 20:30 uur / 20:35 uur in de Emmastraat te Arnhem was. Omstreeks 21:35 uur is hij aangehouden op de Johan de Wittlaan te Arnhem. Aangeefster [slachtoffer 3] woont in de Broekstraat te Arnhem en verklaart dat verdachte omstreeks 21:00 uur bij haar aanbelde. Nadat de man was weggegaan, heeft zij om 21:11 uur haar vriend gebeld. Uit het raadplegen van Google Maps volgt dat het mogelijk is binnen enkele minuten lopend de afstand tussen deze drie locaties af te leggen. Verder komt de kleur van de kleding, de huidskleur en de leeftijd in signalementen opgegeven door [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] overeen en sluiten deze signalementen verdachte ook overigens niet uit. Voorts meldden deze personen dat verdachte een Unox muts droeg of noemen zij een muts met een witte rand. Verdachte is op 22 december gefotografeerd terwijl hij een Unox muts (met witte rand) droeg en een geruite sjaal om had. Onder verdachte zijn bij zijn aanhouding een geruite sjaal en een Unox muts in beslag genomen.13 Tenslotte komt de lengte van verdachte overeen met het signalement dat [slachtoffer 3] heeft opgegeven. Daarom vindt de rechtbank niet alleen dat er voldoende wettig bewijs is, maar heeft zij ook de overtuiging dat verdachte het onder 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Feit 5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 5 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 5 aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster [slachtoffer 4] , woonachtig op het adres [adres 4] te Arnhem, heeft verklaard dat zij op 22 december 2017 samen met haar kinderen en kleinkinderen aan het eten was. Rond 18.15 uur werd er aangebeld. Aangeefster deed de deur open. Er stond een man voor de deur, die in de dagen ervoor al twee keer eerder had aangebeld. De man duwde aangeefster met beide handen tegen haar borst naar binnen. Hij duwde aangeefster vervolgens aan de kant en liep de woonkamer in. Haar kinderen en kleinkinderen zagen de man en hebben de politie gebeld. De man was tussen de 20 en 25 jaar, hij had een normaal postuur en een roodkleurige muts op zijn hoofd.14

Getuige [getuige 2] , dochter van aangeefster [slachtoffer 4] , heeft verklaard dat zij op 22 december 2017 samen met familie bij haar moeder op het adres [adres 4] was. Haar moeder had haar een paar dagen eerder al gebeld dat er een onbekende man haar woning was binnengedrongen. Op 22 december 2017 ging de deurbel en aangeefster zei: ‘Daar is die jongen weer’. Voordat [getuige 2] kon opstaan, stond de man al in de woonkamer. De man wilde weg, maar is door familie tegengehouden. [getuige 2] heeft verklaard dat de man tussen de 1,73 en 1,75 meter lang was en getint. Hij droeg een donkere jas en een Unox-muts. De familie heeft foto’s van de man gemaakt.15

Verdachte is op 22 december 2017 ter plaatse door de politie aangetroffen.16

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 5 tenlastegelegde.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 30 december 2017 te Arnhem [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar (stevig) bij haar keel/hals vast te pakken;

2.

hij op of omstreeks 30 december 2017 te Arnhem in de woning, [adres 2] bij een ander, te weten bij [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;

3.

hij op of omstreeks 30 december 2017 te Arnhem, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door haar woning binnen te gaan/dringen en (vervolgens) op onverhoedse wijze nagenoemde ontuchtige handelingen te

verrichten, [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer

ontuchtige handelingen, te weten het vastpakken van haar borsten en haar buik;

4.

hij op of omstreeks 30 december 2017 te Arnhem in de woning, [adres 3] bij een ander, te weten bij [slachtoffer 3] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen;

5.

hij op of omstreeks 22 december 2017 te Arnhem in de woning, [adres 4] bij een ander, te weten bij [slachtoffer 4] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Mishandeling.

Ten aanzien van feiten 2, 4 en 5:

telkens

In de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Ten aanzien van feit 3:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden geacht.

Met betrekking tot verdachte is een Pro Justitia rapportage opgemaakt door drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog, en dr. A.J.W.M. Trompenaars, psychiater, gedateerd van 4 mei 2018.

De rechtbank ontleent hieraan het volgende:

Verdachte is lijdende aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van schizofrenie. Of er daarnaast nog andere stoornissen zijn, bijvoorbeeld een stoornis in cannabisgebruik, is in het onderzoek onvoldoende duidelijk geworden. Ingeschat wordt dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde floride psychotisch was. Verdachte lijkt ten tijde van het tenlastegelegde psychotisch ontregeld te zijn geweest. Er was sprake van desoriëntatie van denken, verwarring, oninvoelbaar en onvoorspelbaar gedrag, gripverlies en impulsdoorbraken. Verdachte lijkt overgegaan te zijn tot het tenlastegelegde onder invloed van seksuele behoeften, stoornissen in de executieve functies, een verstoord realiteitscontact en overzichtsverlies. Ingeschat wordt dat de doorwerking van de stoornis maximaal is geweest, dat verdachte de controle op zijn gedrag is kwijtgeraakt en dat hij impulsief en zonder overzicht tot handelen is overgegaan. Gelet hierop adviseren de deskundigen de rechtbank om verdachte het tenlastegelegde niet toe te rekenen.

De rechtbank neemt bovengenoemde conclusie over en maakt die tot de hare. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank - met de officier van justitie en de verdediging - van oordeel dat aan verdachte de feiten, gelet op zijn stoornis ten tijde van de delicten, niet kunnen worden toegerekend. Verdachte is dan ook niet strafbaar, zodat de rechtbank verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging.

7a. Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. De hulp die verdachte behoeft, hoeft volgens de verdediging niet in een strafrechtelijk kader plaats te vinden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 22 mei 2018;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 16 mei 2018;

- een multidisciplinair rapport van drs. B.Y. van Toorn, psycholoog, en van dr. A.J.W.M. Trompenaars, psychiater, gedateerd 4 mei 2018.

Verdachte heeft zich onder invloed van een stoornis schuldig gemaakt aan mishandeling, aanranding en huisvredebreuk, meermalen gepleegd. Deze feiten hebben een forse impact gehad op de slachtoffers, getuige onder meer de ter terechtzitting namens [slachtoffer 3] voorgelezen slachtofferverklaring. De rechtbank acht dit ernstige feiten.

De deskundigen hebben geconcludeerd dat het recidiverisico als in onbekende mate als verhoogd moet worden ingeschat op basis van het progressieve karakter van de stoornis. De verwachting is dat verdachte in de toekomst alleen maar meer gedesoriënteerd kan raken, zeker indien hij drugs en/of alcohol zal gebruiken. Er worden op dit moment geen beschermende factoren geobjectiveerd. Verdachte is onvoldoende in staat om voor zichzelf en/of zijn omgeving te zorgen en kan niet voldoen aan sociaal-maatschappelijke eisen. Hierdoor loopt het risico op toekomstige ontsporingen en dus ook op recidive verder op. Om de kans op verdere gedragsproblemen/ontsporing en eventueel ook recidive terug te dringen heeft verdachte een langdurig behandeltraject nodig. Gedurende deze opname kan hij stabiliseren en zo nodig gedwongen langdurig ingesteld worden op antipsychotische medicatie. Tijdens de opname kunnen voorzieningen getroffen worden voor het toekomstige traject, onder meer begeleid wonen, instellen op chronische medicatie, vergroten ziektebesef en terugvalpreventieplan. De deskundigen adviseren verdachte een klinische behandeling op te leggen binnen het juridisch kader van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij beëindiging van de maatregel dient bezien te worden of door middel van een rechterlijke machtiging de overstap naar de BOPZ gemaakt moet worden.

De reclassering acht de kans op recidive en letselschade hoog. Verdachte heeft onvoldoende ziekte-inzicht en is geneigd zijn eigen vaardigheden te overschatten. Daarnaast kunnen drugs- en alcoholgebruik, in combinatie met de vastgestelde schizofrenie, het recidiverisico verhogen. Indien verdachte behandeling aanvaardt, medicatietrouw is en abstinent blijft van middelengebruik kan het recidiverisico worden gereduceerd. Geadviseerd wordt om de door het NIFP geadviseerde behandeling op te leggen, binnen het juridisch kader van een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis conform artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal, alles afwegende, het advies van de deskundigen volgen en de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar gelasten, nu de strafbare feiten wegens een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet aan verdachte kunnen worden toegerekend. Daarnaast is verdachte gevaarlijk voor zichzelf en voor de algemene veiligheid van personen. Uit voorgaande overwegingen blijkt dat verdachte psychiatrische hulp nodig heeft. Na de periode van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis zijn er, indien nodig, civielrechtelijke maatregelen om (eventuele verdere) gedwongen behandeling van verdachte te waarborgen.

7b. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 300,00.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis, en daarnaast de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht om de vordering aanzienlijk te matigen, omdat de schade buiten schuld van verdachte is toegebracht.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor toekenning van smartengeld is voldaan. Gelet op de aard en de ernst van verdachtes schadeveroorzakende gedragingen en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, getuige hetgeen in de vordering met bijlagen is vermeld, acht de rechtbank naar billijkheid het bedrag van € 300,00 aan smartengeld toewijsbaar. Hierbij heeft de rechtbank rekening gehouden met bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen. De rechtbank ziet eveneens aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen om het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij aan de Staat te voldoen. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 30 december 2017, zijnde de datum van het bewezenverklaarde feit.

Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 3 en 4 bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 800,00.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 dagen hechtenis, en daarnaast de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht om de vordering aanzienlijk te matigen, omdat de schade buiten schuld van verdachte is toegebracht.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor toekenning van smartengeld is voldaan. Gelet op de aard en de ernst van verdachtes schadeveroorzakende gedragingen en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, getuige hetgeen in de vordering met bijlagen is vermeld, acht de rechtbank naar billijkheid in elk geval een bedrag van € 300,00 aan smartengeld toewijsbaar. Hierbij heeft de rechtbank rekening gehouden met bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen. Wat betreft het meer of anders gevorderde aan immateriële schade acht de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht en zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering. De rechtbank ziet eveneens aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen om het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij aan de Staat te voldoen. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 30 december 2017, zijnde de datum van het bewezenverklaarde feit.

7c. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 05/840551-14 heeft de officier van justitie gevorderd om de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van 1 maand die door de Rechtbank Gelderland op 11 september 2015 voorwaardelijk is opgelegd, gelet op alle omstandigheden, af te wijzen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu de tenlastegelegde feiten verdachte niet kunnen worden toegerekend. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de vordering af te wijzen.

Beoordeling door de rechtbank

De bewezenverklaarde feiten zijn door verdachte begaan tijdens de proeftijd waarin hij liep. De rechtbank is van oordeel dat, nu veroordeelde de in het vonnis in de zaak met parketnummer 05/840551-14 opgelegde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, in beginsel tenuitvoerlegging dient te worden gelast van de niet ten uitvoer gelegde straf. Echter, in deze zaak acht de rechtbank dit niet opportuun nu de feiten niet aan veroordeelde kunnen worden toegerekend en aan hem daarom de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis is opgelegd. De rechtbank zal daarom de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 maand afwijzen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37, 57, 138, 300, en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor niet strafbaar;

 ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

 gelast dat verdachte wordt geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van 1 (één) jaar.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feiten 1 en 2)

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 300,00 (driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 6 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feiten 3 en 4)

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], van een bedrag van € 300,00 (driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 6 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

 wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, voorwaardelijk opgelegd door de rechtbank Gelderland op 11 september 2015, onder parketnummer 05/840551-14.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Steverink (voorzitter), mr. J.J.H. van Laethem en mr. M.A. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.J.A. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 juli 2018.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Oost-Nederland, Dienst regionale recherche ,opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL06002018015255, gesloten op 10 januari 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen van 3 juli 2018, PL0600-2017586061-6

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 28-29.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 40.

5 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] , p. 33-34.

6 Proces-verbaal van aanhouding van verdachte, p. 16-17.

7 Medische verklaring, p. 32.

8 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 45.

9 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 3] , p.

10 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , p. 53.

11 Proces-verbaal van aanhouding van verdachte, p. 16-17.

12 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 juli 2018.

13 Kennisgevingen van inbeslagneming, blz. 2 en blz. 5 en de foto’s blz. 4, 6 en 62

14 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] , p. 59-62.

15 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 66-67.

16 Proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer PL0600-2017586061-6 d.d. 3 juli 2018.