Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3164

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6462
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Participatiewet. De aanvraag om bijstand is afgewezen omdat uit de verstrekte gegevens en informatie niet aannemelijk is geworden dat eiser in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Volgens verweerder heeft eiser onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie in de periode voorafgaand aan de aanvraag. Nergens blijkt echter dat eiser aantoonbaar niet heeft voldaan aan zijn medewerkingsplicht. Eiser heeft telkens op de steeds verdergaande verzoeken om informatie van verweerder gereageerd en daartoe ook zoveel mogelijk de verzochte stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn verklaringen over zijn (financiële) situatie in de periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand. Als de (financiële) situatie van eiser desondanks naar de mening van verweerder onduidelijk bleef, had het op de weg van verweerder gelegen om door te gaan met het stellen van nadere vragen en het opvragen van aanvullende bewijsstukken. Door dit na te laten en in plaats hiervan het onderzoek te beëindigen en een besluit tot afwijzing te nemen, is dit aan de besluitvorming ten grondslag liggende onderzoek onzorgvuldig en ondeugdelijk verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/6462

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2018

in de zaak tussen

[woonplaats] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.T.W. Verhaagh),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, te Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om bijstand afgewezen en het verstrekte voorschot van € 100,- teruggevorderd.

Bij besluit van 29 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Naijen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser woont in bij zijn ouders die allebei een slechte gezondheid hebben. Zijn broer woont naast hen. Eiser ontving bijstand op grond van de Participatiewet (Pw). Bij besluit van 9 februari 2017 heeft verweerder de bijstand per 1 februari 2017 opgeschort en bij besluit van 20 februari 2017 heeft verweerder de bijstand per 1 februari 2017 ingetrokken vanwege schending van de inlichtingenverplichting als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kon worden beoordeeld. Het daartegen gerichte bezwaar is bij besluit van 12 april 2017 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddel ingediend. Op 17 maart 2017 heeft eiser opnieuw bijstand aangevraagd. Op 3 mei 2017 heeft verweerder eiser een voorschot van

€ 100,- toegekend. Bij brieven van 21 april 2017, 24 april 2017, 16 mei 2017 en 22 mei 2017 heeft verweerder eiser verzocht om de in die brieven genoemde aanvullende gegevens te verstrekken voor de beoordeling van de aanvraag. Eiser heeft op die brieven telkens gereageerd door bepaalde gegevens over te leggen en bepaalde informatie te verstrekken.

2.1.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 11 van de Pw. Volgens verweerder heeft eiser met de door hem verstrekte informatie en aangeleverde gegevens niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiser in gebreke is gebleven voldoende inzicht te geven in zijn financiële situatie in de periode voorafgaand aan de aanvraag en dat daardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Eiser heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. De daarover overgelegde verklaringen van eiser zijn niet objectief en verifieerbaar onderbouwd. Verweerder heeft in het bestreden besluit concreet toegelicht dat eiser in gebreke is gebleven voldoende inzicht te bieden in zijn financiële situatie met betrekking tot de volgende zes onderwerpen: de ING-creditcard van eiser, de betalingen van de autoverzekering en motorrijtuigenbelasting van de auto van eiser, de betalingen voor Flexwebhosting en de hieraan gekoppelde website ’mercatronix.com’, een storting van € 500,- op de bankrekening van eiser, een opname van € 4.000,- van de bankrekening van eiser en geen verrichte opnames voor levensonderhoud vanaf 1 oktober 2016 op de bankafschriften van eiser.

2.2.

Volgens verweerder zijn er ook geen dringende redenen in de zin van artikel 16 van de Pw om eiser alsnog bijstand te verlenen. Daarnaast heeft verweerder het verleende voorschot van € 100,- teruggevorderd op grond van artikel 58, tweede lid, sub d, van de Pw.

3. Eiser stelt in beroep dat hij alle gevraagde informatie en gegevens aan verweerder heeft verstrekt en voldoende heeft toegelicht. Hij vindt dat hij zijn financiële situatie voldoende inzichtelijk heeft gemaakt, zodat het recht op bijstand kan worden vastgesteld. Hij stelt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Uit het dossier blijkt op geen enkele manier dat hij inkomsten geniet of gebruik kan maken van andere voorliggende voorzieningen en dat getwijfeld kan worden aan zijn bijstandbehoevende omstandigheden. Bij gebreke van inkomsten is hij door zijn familie geholpen in zijn levensonderhoud en heeft hij ook eigen spaargeld ingezet dat onder de vermogensgrens lag. Eiser is in zijn aanvullend beroepschrift tot slot puntsgewijs ingegaan op de in het bestreden besluit genoemde zes onderwerpen over zijn financiële situatie.

4. De rechtbank overweegt dat in geval van een aanvraag om bijstand de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel loopt vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het primaire besluit op de aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 17 maart 2017 tot en met 30 mei 2017.

5. Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand.

Bij aanvragen om bijstand ligt het op de weg van de aanvrager om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor bijstand. Voor een correcte vaststelling van het recht op bijstand en voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. Daarom is van belang dat er duidelijkheid bestaat omtrent de financiële situatie van eiser. Eiser is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens aan verweerder over te leggen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is verweerder in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie van eiser over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.1

6. Gelet op het feit dat verweerder de bijstand van eiser eerder had ingetrokken omdat eiser had verzuimd zijn financiële situatie inzichtelijk te maken, heeft verweerder terecht aanleiding gezien eiser bij de onderhavige nieuwe bijstandsaanvraag te vragen waarvan hij de afgelopen periode heeft geleefd. Tevens was er aanleiding om hem inzicht te laten geven in zijn financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag. Daartoe heeft verweerder eiser verzocht verschillende nadere stukken aan te leveren en inlichtingen te verstrekken. Eiser heeft daaraan telkens tot op zekere hoogte ook voldaan. Tussen partijen is in geschil of de door eiser verstrekte informatie en gegevens voldoende inzicht bieden in zijn financiële situatie onmiddellijk voorafgaand aan de onderhavige bijstandsaanvraag en daarmee dus in zijn bijstandbehoevendheid tijdens de beoordelingsperiode.

7. De rechtbank stelt voorop dat verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt dat eiser in gebreke is gebleven voldoende inzicht te bieden in zijn financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag, waardoor de bijstandbehoevendheid en het recht op bijstand van eiser niet is vast te stellen, de onder 2.1. vermelde zes concrete argumenten (onderwerpen) heeft genoemd. Deze argumenten zal de rechtbank hierna bespreken.

8.1.

Niet in geschil is dat op de overgelegde bankafschriften van eiser over de periode

1 oktober 2016 tot 16 maart 2017 geen opnames te zien zijn voor levensonderhoud. Daartoe heeft eiser verklaard dat de boodschappen voor levensonderhoud door zijn ouders of door zijn broer plaatsvonden, omdat hijzelf het geld daarvoor niet had. Hij is geholpen in zijn levensonderhoud door zijn familie bij wie hij inwoont. Ter zitting heeft verweerder de aannemelijkheid van deze verklaring niet meer betwist en het argument dat eiser niet bijstandbehoevend is doordat hij onderhouden wordt door zijn ouders en broer laten vallen.

8.2.

Ter zitting heeft verweerder erkend dat het argument dat uit het verstrekte overzicht van de ING-creditcardafschriften niet blijkt welke uitgaven eiser met de creditcard heeft gefinancierd en met welk doel, niet relevant is voor het benodigde inzicht in de financiële situatie van eiser. Eiser heeft hierover verklaard dat het gaat om verschillende privé internetaankopen en de creditcardtransacties mede toegelicht met de bankafschriften van de lopende rekening waaraan de creditcardrekening is gekoppeld.

8.3.

Ten aanzien van de betalingen van de autoverzekering en motorrijtuigenbelasting van de auto van eiser, heeft eiser aangegeven dat deze door zijn ouders zijn voldaan. Eiser heeft geweigerd ter onderbouwing hiervan bankafschriften van zijn ouders over te leggen in verband met de privacy van zijn ouders. Hij heeft wel andere bewijsstukken van betaling overgelegd, waarbij de bankgegevens van de betaler en bepaalde verzekeringsgegevens zijn weggelakt. Het verwijt dat verweerder eiser hierover maakte, was dat eiser heeft nagelaten objectief en verifieerbaar aan te tonen van welke bankrekening en door wie de autoverzekering en motorrijtuigenbelasting van de auto van eiser zijn betaald. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven dat de relevantie hiervan is dat hij wil weten of de auto eigendom van eiser is en wat de waarde van de auto is in het kader van de vermogensvaststelling. Verweerder heeft vervolgens erkend dat het ging om een auto met geringe waarde, zodat de auto niet meetelt voor het vermogen van eiser en dus niet van invloed is op het recht op bijstand. Hiermee heeft verweerder erkend dat ook het argument over de auto en de betaling van de vaste lasten van de auto niet relevant is voor het vereiste inzicht in de financiële situatie van eiser ter beoordeling van de bijstandbehoevendheid van eiser in de beoordelingsperiode.

8.4.

Op 23 november 2016 is op de bankrekening van eiser een bedrag van € 500,- overgemaakt door zijn broer. Het verwijt dat verweerder eiser hierover maakt, is dat hij niet concreet en verifieerbaar heeft aangetoond hoe hij dit bedrag heeft besteed. Vaststaat dat eiser op dat moment nog bijstand ontving, zodat dit bedrag hoogstens is aan te merken als inkomsten die in mindering hadden moeten worden gebracht op de bijstand van eiser in de desbetreffende maand. Deze overschrijving is niet doorslaggevend voor de bepaling van het recht op bijstand in de beoordelingsperiode op basis van de onderhavige nieuwe bijstandsaanvraag en staat dus niet in de weg aan een beoordeling van de bijstandbehoevendheid van eiser. Ook dit argument houdt geen stand.

8.5.

Op 16 december 2016 is door eiser een bedrag van € 4.000,- overgeschreven van zijn spaarrekening naar zijn betaalrekening en op 19 december 2016 heeft eiser dit bedrag opgenomen. Over deze opname heeft eiser eerst verklaard dat het bedrag was bestemd voor een rollator en bloeddrukmeter voor zijn ouders en vervolgens heeft hij verklaard dat hij dit bedrag heeft gestort in de “huishoudpot” van het gezin (van eiser, zijn broer en ouders). Verweerder verwijt eiser dat hij over deze opname tegenstrijdig heeft verklaard, waardoor niet concreet en verifieerbaar is aangetoond wat de bestemming is geweest van dit bedrag van € 4.000,-. Hierdoor is volgens verweerder geen inzicht geboden in de financiële situatie van eiser. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van tegenstrijdige verklaringen over de besteding van dit bedrag. De verklaringen van eiser dat hij dit bedrag in de huishoudpot van het gezin heeft gestopt en een rollator en bloeddrukmeter voor zijn ouders heeft gekocht zijn allereerst niet onaannemelijk, omdat eiser bij zijn ouders inwoont en zij als gezin elkaar ondersteunen in moeilijke tijden. Daarnaast sluiten die verklaringen elkaar ook niet zonder meer uit, zodat zij naast elkaar kunnen bestaan. Verweerder had hierover uitsluitsel kunnen krijgen door hierover door te vragen. Verweerder heeft dat echter nagelaten. Dit betekent dat ook dit argument onvoldoende is uitgewerkt om het besluit te kunnen dragen.

8.6.

Dan blijft als laatste van de door verweerder genoemde argumenten over het argument inzake de betalingen van eiser voor Flexwebhosting en de hieraan gekoppelde website ’mercatronix.com’. Uit de overgelegde bankafschriften van eiser blijken betalingen van eiser aan Flexwebhosting voor de afname van een basispakket en de domeinnaam ’mercatronix.com’. In het betreden besluit is dit ook het uitgebreidst uitgewerkte argument van verweerder. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat dit eigenlijk het kernargument is voor de afwijzing. Bij verweerder bestaat het vermoeden dat voor en tijdens de beoordelingsperiode eiser via Flexwebhosting en de website’mercatronix.com’ inkomsten uit het bouwen en onderhouden van websites of uit vergelijkbare activiteiten heeft gehad en dit verzwijgt. Eiser heeft hierover verklaard dat hij voor sollicitatiedoeleinden een website had gebouwd onder die domeinnaam, dat hij geen inkomsten heeft gegenereerd met de website en dat de website daartoe ook niet was ingericht omdat er geen webshop was gekoppeld aan de website. Verder heeft hij verklaard dat hij de website en de daaraan gekoppelde twee e-mailadressen al een tijd niet meer gebruikt en dat de website is afgesloten (niet meer actief is). Ter onderbouwing van deze verklaringen heeft eiser op verzoek van verweerder verschillende stukken ingebracht. Volgens verweerder heeft eiser zijn verklaringen over Flexwebhosting en de website ’mercatronix.com’ niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Hierdoor is volgens verweerder onvoldoende inzicht geboden in wat eiser precies heeft gedaan en eventueel nog doet met Flexwebhosting en de website ’mercatronix.com’, zodat niet is uitgesloten dat eiser met deze activiteiten inkomsten heeft gegenereerd. Volgens verweerder ontbreekt in de door eiser verstrekte gegevens onder meer de verificatie over de inhoud van de website, over de vraag vanaf wanneer de website en de gekoppelde e-mailadressen niet meer in gebruik zijn en over de opheffing van de website. Eiser heeft aangegeven dat hij desgevraagd wel bewijsstukken heeft verstrekt over de inhoud en de opheffing van de website. In beroep is een printscreen van 19 januari 2018 van de website overgelegd, waaruit blijkt dat de domeinnaam inactief is. Aanvullend is op 28 mei 2018 een e-mailbericht van Flexwebhosting van 22 maart 2018 overgelegd, waarin aan eiser is bevestigd dat de domeinregistratie voor ’mercatronix.com’ is beëindigd. De rechtbank is met eiser van oordeel dat eiser met dit bewijs van opheffing van de website voldaan heeft aan het concrete verzoek van verweerder objectieve en verifieerbare gegevens over te leggen over de beëindiging van de website. Indien verweerder dit onvoldoende had geacht, dan had het op zijn weg gelegen om aan te geven waarom dit onvoldoende werd gevonden en wat er dan wel geproduceerd zou moeten worden.

9. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is verder het volgende gebleken. Omdat eiser bij zijn aanvraag onvoldoende gegevens had verstrekt over zijn financiële situatie in de periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand was verweerder niet in staat de bijstandbehoevendheid en het recht op bijstand van eiser te beoordelen. Verweerder heeft daarom aanleiding gezien om aanvullende gegevens en informatie van eiser te verzoeken. Daarop heeft eiser aanvullende gegevens en stukken overgelegd en hierover verklaringen afgelegd ter toelichting. Naar aanleiding van deze nadere informatie en stukken zijn er bij verweerder weer andere aanvullende vragen ontstaan over de (financiële) situatie van eiser. Verweerder heeft daarom aanleiding gezien om nieuwe aanvullende stukken en informatie van eiser te verzoeken ter verduidelijking van de nieuwe vraagtekens. Daarop heeft eiser weer gereageerd door overlegging van aanvullende stukken en verstrekking van aanvullende informatie daarover. Verweerder is op een gegeven moment gestopt met het opvragen van aanvullende gegevens en stukken van eiser en heeft het primaire afwijzende besluit genomen. Nergens blijkt echter dat eiser aantoonbaar niet heeft voldaan aan zijn medewerkingsplicht. Eiser heeft telkens op de steeds verdergaande verzoeken om informatie van verweerder gereageerd en daartoe ook zoveel mogelijk de verzochte stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn verklaringen over zijn (financiële) situatie in de periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand. Als de (financiële) situatie van eiser, onder meer met betrekking tot Flexwebhosting en de website ’mercatronix.com’, desondanks naar de mening van verweerder onduidelijk bleef, had het op de weg van verweerder gelegen om door te gaan met het stellen van nadere vragen en het opvragen van aanvullende bewijsstukken. Door dit na te laten en in plaats hiervan het onderzoek te beëindigen en een besluit tot afwijzing te nemen, is dit aan de besluitvorming ten grondslag liggende onderzoek onzorgvuldig en ondeugdelijk verricht. Dit brengt met zich mee dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Gelet hierop is het beroep gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

10. Omdat verweerder nog nader onderzoek zal moeten doen, kan de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien en zal zij verweerder opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

11. Nu de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 29 oktober 2017;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht groot € 46,- aan hem vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Siragedik, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 17 juli 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399.