Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3157

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-07-2018
Datum publicatie
16-08-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3712
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:1814, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Registratie arbeids- en rusttijden. Artikel 4:3 Arbeidstijdenwet (Atw).”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/3712

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], rechtsopvolger van

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. K. Vierhout),

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, Inspectie Leefomgeving en Transport, te 's-Gravenhage, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 35.200 wegens acht overtredingen van artikel 4:3, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet (hierna: de Atw).

Bij besluit van 12 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar van eiseres gegrond verklaard, in die zin dat de boete is verlaagd naar € 20.500. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2017. Namens eiseres zijn verschenen [eiseres] en [eiseres], bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Ulmer, werkzaam bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT).

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres exploiteert een transportbedrijf voor vervoer over de weg. Op 29 juni 2016 is de commanditaire vennootschap omgezet naar een besloten vennootschap. Op 12 november 2014 hebben toezichthouders van de ILT in het kantoor van het transportbedrijf een administratief onderzoek verricht. De onderzoeksbevindingen zijn vastgelegd in een op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt boeterapport van 12 januari 2015 (hierna: het boeterapport).

Volgens verweerder blijkt uit het boeterapport dat op verschillende data in de periode van 5 tot en met 24 juni 2014 met bepaalde voertuigen werkzaamheden zijn verricht, zonder dat de toezichthouders aan de hand van de bedrijfsadministratie konden vaststellen welke bestuurder deze werkzaamheden heeft verricht. Op basis van het boeterapport heeft verweerder het primaire besluit genomen. Verweerder heeft het primaire besluit in het bestreden besluit gehandhaafd, behoudens een verlaging van de aanvankelijk opgelegde boete.

2. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres op verschillende data in de hiervoor vermelde periode geen deugdelijke registratie van de rij- en rusttijden heeft bijgehouden. Eiseres is hiervoor als werkgever verantwoordelijk. Het niet voldoen aan deze eis levert volgens verweerder overtredingen op van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw.

3. Eiseres heeft betwist dat artikel 4:3, eerste lid, van de Atw is overtreden. Op hetgeen zij heeft aangevoerd zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.

4. Verweerder heeft de door eiseres aangeleverde digitale bestanden van de tachografen en de bestuurderskaarten ingelezen in de controleapplicatie van de ILT, genaamd DIANTA (Digitale en Analoge Tachograaf Analyse). Hieruit is naar voren gekomen dat op acht data met de voertuigen van eiseres is gereden en/of dat op die data is geladen en gelost, zonder dat een bestuurderskaart in de tachograaf aanwezig was.

Eiseres heeft ten aanzien van meerdere van de door verweerder genoemde overtredingen gesteld dat op de door verweerder genoemde data en tijdstippen niet met het betreffende voertuig is gereden en niet is geladen en gelost. Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres aan verweerder uitdraaien overgelegd van de applicatie TIS-Office.

Ter zitting is gebleken dat de uitdraaien die door eiseres zijn overgelegd op bestuurdersniveau zijn, en dat daarom uit die uitdraaien niet kan blijken dat de voertuigen op de door verweerder genoemde data en tijdstippen niet zijn gebruikt.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft onderbouwd dat op acht data met de voertuigen van eiseres is gereden en/of dat op die data is geladen en gelost, zonder dat een bestuurderskaart in de tachograaf aanwezig was. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat die uitkomst van het onderzoek van verweerder niet klopt.

5. In het boeterapport is vermeld dat overtreding 8 betrekking heeft op het voertuig met kenteken BZ-JL-96.

Eiseres heeft gesteld dat deze overtreding niet heeft plaatsgevonden omdat zij geen voertuig heeft met dat kenteken.

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken genoegzaam blijkt dat sprake is van een kennelijke misslag in het boeterapport, en dat voor eiseres van de aanvang af duidelijk moet zijn geweest dat overtreding 8 betrekking heeft op het voertuig met kenteken [kenteken]. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat in de uitdraai uit het DIANTA-systeem, die als bijlage 8 bij het boeterapport is gevoegd, het juiste kenteken is genoemd.

6. Eiseres heeft het volgende aangevoerd.

De wagens van eiseres rijden veelvuldig als charter voor de firma [bedrijf] uit [woonplaats] (hierna: [bedrijf]). Daar komt het wel eens voor dat de wagen niet direct geladen kan worden. In dat geval zet de chauffeur (van eiseres) zijn wagen op het (afgesloten) terrein van [bedrijf] en wordt deze op enig moment geladen door vrieshuispersoneel van [bedrijf]. Daarbij kan het voorkomen dat de wagen door personeel van [bedrijf] een stukje wordt verzet. Kennelijk gebeurt dat zonder bestuurderskaart.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat in de gevallen dat kan worden aangetoond dat er is gereden zonder bestuurderskaart dit niet aan haar kan worden verweten omdat zij op dat moment niet de werkgever was van de betreffende bestuurder, en er op dat moment is gereden op een afgesloten terrein van [bedrijf] en er daarom geen gebruik hoefde te worden gemaakt van een digitale tachograaf en/of een bestuurderskaart.

De rechtbank begrijpt hieruit dat eiseres zich op het standpunt stelt dat in de door verweerder geconstateerde acht gevallen dat zonder bestuurderskaart gebruik is gemaakt van een voertuig, geen sprake was van een overtreding door eiseres van de registratieverplichting.

7. Artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Atw, luidt als volgt:

“1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. werkgever:

1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;

2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°;

b. werknemer: de ander bedoeld onder a.

2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:

a. werkgever: degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten;

b. werknemer: de ander bedoeld onder a.”

Artikel 4:3, eerste lid, van de Atw, luidt als volgt:

“Een werkgever en een persoon als bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, voert een deugdelijke registratie terzake van de arbeids- en rusttijden welke het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen mogelijk maakt.”

8. Indien het standpunt van eiseres dat personeel van [bedrijf] op de betreffende momenten gebruik heeft gemaakt van haar voertuigen, juist is, dan geldt naar het oordeel van de rechtbank dat eiseres niet de werkgever van dat personeel was. Het personeel van [bedrijf] was immers niet krachtens arbeidsovereenkomst voor eiseres werkzaam, was niet aan eiseres ter beschikking gesteld, en verrichtte geen arbeid onder gezag van eiseres.

Voorts is gesteld noch gebleken dat eiseres ten opzichte van het personeel van [bedrijf] moet worden aangemerkt als een persoon als bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de Atw.

De rechtbank concludeert dat eiseres niet als werkgever, of persoon als hiervoor bedoeld, verplicht was om te registreren dat het personeel van [bedrijf] haar voertuigen gebruikte.

9. Uit de stellingen van verweerder volgt dat zij zich op het standpunt stelt dat geen sprake is van een deugdelijke registratie van arbeids- en rusttijden van de werknemers van eiseres, omdat eiseres niet heeft geregistreerd dat het personeel van [bedrijf] haar voertuigen op de betreffende momenten heeft gebruikt. Tijdens de controle op 12 november 2014 had eiseres gegevens moeten kunnen verstrekken waaruit blijkt dat personeel van [bedrijf] op de betreffende momenten haar voertuigen heeft gebruikt. Omdat eiseres die gegevens niet tijdens de controle kon verstrekken is niet voldaan aan artikel 4:3, eerste lid, van de Atw.

Uit de stellingen van eiseres volgt dat zij vindt dat zij niet verplicht was om tijdens de controle van 12 november 2014 de door verweerder verlangde gegevens te overleggen.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder niet en overweegt daartoe het volgende.

Het standpunt van verweerder komt erop neer dat eiseres tijdens de controle had moeten bewijzen, door aan te tonen dat personeel van [bedrijf] op de betreffende momenten haar voertuigen heeft gebruikt, dat geen overtredingen hebben plaatsgevonden van de regels over arbeids- en rusttijden die gelden voor de werknemers van eiseres.

De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke vergaande verplichting niet volgt uit artikel 4:3, eerste lid, van de Atw. Deze bepaling bevat immers een registratieverplichting en geen verplichting om bewijs te leveren dat arbeids- en rusttijden niet zijn overtreden.

Uit de zinsnede “welke het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen mogelijk maakt” volgt dat de registratie zodanig moet zijn dat toezicht op de naleving van de regelgeving mogelijk is. Verweerde heeft niet onderbouwd dat de verlangde gegevens nodig waren om het toezicht op de naleving mogelijk te maken. Met de door eiseres tijdens de controle op 12 november 2014 verstrekte gegevens heeft verweerder kunnen vaststellen dat op bepaalde momenten met de voertuigen van eiseres is gereden en/of dat die voertuigen zijn geladen en gelost, zonder dat een bestuurderskaart in de tachograaf was geplaatst. Verweerder heeft niet onderbouwd dat deze gegevens onvoldoende waren om eventuele overtredingen van de regels over arbeids- en rusttijden vast te stellen, of nader onderzoek naar eventuele overtredingen te kunnen doen. In dit kader merkt de rechtbank op dat niet uit te sluiten is dat verweerder bij het vaststellen van overtredingen van de regels over arbeids- en rusttijden kan werken met bewijsvermoedens en/of omkering van de bewijslast, hetgeen van belang kan zijn voor de vraag hoe ver de registratieverplichting van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw reikt teneinde te voldoen aan de eis dat de registratie het toezicht op de naleving mogelijk maakt.

10. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Omdat niet is komen vast te staan dat de overtredingen waarvoor de boete is opgelegd hebben plaatsgevonden zal de rechtbank, met toepassing van artikel 8:72a van de Awb, in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

11. De rechtbank merkt nog op dat het, gelet op de beslissing waartoe de rechtbank komt, bij nader inzien niet nodig was geweest om het onderzoek ter zitting van 31 oktober 2017 te schorsen teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen haar standpunt dat personeel van [bedrijf] op de betreffende momenten in de weer is geweest met haar voertuigen, nader te onderbouwen.

12. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres, die zijn begroot op € 1.002 aan kosten van rechtsbijstand in beroep, en € 501 aan kosten van rechtsbijstand in bezwaar. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken. Ook dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres van € 1.503;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 334 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.W. Bolzoni, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.