Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3131

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
05/880281-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens het klemrijden van een politieagente, waardoor zij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wegens het rijden zonder geldig rijbewijs en wegens het plegen van diefstallen. Ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2018/38 met annotatie van C.J. van Eekelen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/880281-17, 05/820059-17 en 05/740472-16

Datum uitspraak : 12 juli 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1969 te Reusel, wonende te [geboorteplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 juni 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

05/880281-17

1.

zij in of omstreeks de periode van 28 januari 2017 tot en met 29 januari 2017 in de gemeente Doetinchem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (inhoudende onder andere een rijbewijs en/of een of meer (bank)passen), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

zij op of omstreeks 29 januari 2017 in de gemeente Doetinchem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (240,00 Euro), in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

05/820059-17

Primair

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 november 2016 tot en met 26 november 2016 te Warnsveld en/of Elst en/of Didam en/of Westervoort, althans in Nederland, meermalen, althans éénmaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen de hierna te noemen goederen in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan rechthebbende(n), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte te weten:

- een hoeveelheid brandstof, 26 liter (ter waarde van 37,45 euro), in elk geval enig goed toebehorende aan Shell Warnsveld en/of [slachtoffer 2] (gevestigd aan Rijsstraatweg 123 te Warnsveld) en/of

- een hoeveelheid brandstof, 24 liter (ter waarde van 38,20 euro), in elk geval elk goed toebehorden aan Shell Kempke en/of [slachtoffer 3] (gevestigd aan A325 te Elst) en/of - een hoeveelheid brandstof, 21 liter (ter waarde van 31,37 euro), in elk geval enig goed toebehorende aan Shell Station Geulenkamp en/of [slachtoffer 2] (gevestigd aan A18 te Didam) en/of

- een hoeveelheid brandstof, 26 liter (ter waarde van 40,84 euro), in elk geval enig goed toebehorende aan BP station "Het Ambacht" en/of [slachtoffer 4] (gevestigd aan Het Ambacht 35 te Westervoort);

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 november 2016 tot en met 26 november 2016 te Warnsveld en/of te Elst en/of te Didam en/of te Westervoort, althans in Nederland, opzettelijk meermalen, althans éénmaal, hierna te noemen hoeveelheid liter benzine, in elk geval een hoeveelheid brandstof, geheel of ten dele toebehorende aan hierna te noemen rechthebbenden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en welke benzine verdachte bij een voor zelfbediening ingerichte benzinepompinstallatie, gelegen aan hierna te noemen locaties, had getankt, onder gehoudenheid die benzine te betalen en welke benzine verdachte aldus en in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, te weten:

- een hoeveelheid brandstof, 26 liter (ter waarde van 37,45 euro), in elk geval enig goed toebehorende aan Shell Warnsveld en/of [slachtoffer 2] (gevestigd aan Rijsstraatweg 123 te Warnsveld) en/of

- een hoeveelheid brandstof, 24 liter (ter waarde van 38,20 euro), in elk geval elk goed toebehorden aan Shell Kempke en/of [slachtoffer 3] (gevestigd aan A325 te Elst) en/of - een hoeveelheid brandstof, 21 liter (ter waarde van 31,37 euro), in elk geval enig goed toebehorende aan Shell Station Geulenkamp en/of [slachtoffer 2] (gevestigd aan A18 te Didam) en/of

- een hoeveelheid brandstof, 26 liter (ter waarde van 40,84 euro), in elk geval enig goed toebehorende aan BP station "Het Ambacht" en/of [slachtoffer 4] (gevestigd aan Het Ambacht 35 te Westervoort);

05/740472-16

1.

Primair

zij op of omstreeks 26 november 2016 te Westervoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 5] , (brigadier van politie)(tijdens de rechtmatige uitoefening van haar bediening) opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft –zij verdachte- -met de door haar -verdachte- bestuurde auto achteruit gereden (en daarbij naar links gestuurd), terwijl die [slachtoffer 5] voornoemd tussen het surveillancevoertuig en (links naast)het voertuig van verdachte stond, waardoor die [slachtoffer 5] klem/bekneld is geraakt tussen het door verdachte bestuurde voertuig en het surveillancevoertuig, , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

zij op of omstreeks 26 november 2016 te Westervoort aan [slachtoffer 5] , (brigadier van politie), (tijdens de rechtmatige uitoefening van haar bediening) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten langdurig rugletsel(lage rug) en/of letsel aan de linkerarm en linkerschouder (gedurende een periode van ruim een jaar, te weten 26 november 2016 tot (in ieder geval) 29 december 2017), heeft toegebracht immers heeft -zij verdachte- -met de door haar -verdachte- bestuurde auto achteruit gereden (en daarbij naar links gestuurd), terwijl die [slachtoffer 5] voornoemd tussen het surveillancevoertuig en (links naast)het voertuig van verdachte stond, waardoor die [slachtoffer 5] klem/bekneld is geraakt tussen het door verdachte bestuurde voertuig en het surveillancevoertuig;

Meer Subsidiair

zij op of omstreeks 26 november 2016 te Westervoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 5] , (brigadier van politie)(tijdens de rechtmatige uitoefening van haar bediening) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft -zij verdachte- -met de door haar -verdachte- bestuurde auto achteruit gereden (en daarbij naar links gestuurd), terwijl die [slachtoffer 5] voornoemd tussen het surveillancevoertuig en (links naast)het voertuig van verdachte stond, waardoor die [slachtoffer 5] klem/bekneld is geraakt tussen het door verdachte bestuurde voertuig en het surveillancevoertuig, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij op of omstreeks 26 november 2016 te Westervoort terwijl zij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op haar naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten rijbewijs B, ongeldig was verklaard(sedert 21 december 2010) en aan haar daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de openbare weg, de Zuidelijke Parallelweg, als bestuurder een motorrijtuig, (auto, merk Daewoo, type Matiz, kleur blauw, gekentekend [kenteken] ), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 05/880281-17 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft betoogd dat zij niet het oogmerk heeft gehad tot wederrechtelijke toe-eigening. Daartoe heeft verdachte aangevoerd dat aangever geld van haar had geleend en dat zij dit terug wilde hebben.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte op 28 januari 2017 bij hem in de woning was. De jas van aangever, met daarin zijn portemonnee, hing over een stoel in de woonkamer. Verdachte is op 29 januari 2017 omstreeks 00.30 uur vertrokken. Omstreeks 11.00 uur ontdekte aangever dat zijn portemonnee weg was. In zijn portemonnee zaten onder meer twee bankpassen. Via internetbankieren zag aangever dat op 29 januari 2017 omstreeks 00.55 uur een bedrag van € 240,- was gepind bij de ABN-AMRO bank aan de Dr. Bardetplaats te Doetinchem.2

De beelden van de camera bij de geldautomaat van de ABN-AMRO aan de Dr. Bardetplaats 1a te Doetinchem zijn opgevraagd en uitgekeken. Op de beelden van de pintransactie op 28 januari 2017 (de rechtbank begrijpt: 29 januari 2017) omstreeks 00.55 uur was een vrouw zichtbaar. Van deze beelden zijn prints gemaakt.3 Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben de vrouw op de prints herkend als zijnde verdachte.4

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat ze nog een bedrag van € 220,- van aangever tegoed had. Aangever had haar de bankpas en de pincode gegeven, maar hij had later de pas weer terug gepakt. Toen aangever naar het toilet was, heeft verdachte de pas gepakt. De pas zat in een portemonnee. De portemonnee heeft ze weggegooid in een prullenbak aan de Dr. Badetplaats te Doetinchem. Verdachte heeft een bedrag van € 240,- gepind.5

Uit voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte de portemonnee van aangever heeft meegenomen. De verklaring van verdachte ter terechtzitting, dat ze dacht dat ze alleen de bankpas had meegenomen, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank gaat uit van de verklaring die verdachte, een paar weken later, tegenover de politie heeft afgelegd, waarin ze onder meer gedetailleerd de plek heeft beschreven waar ze de portemonnee had weggegooid. Ook leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat verdachte een bedrag van

€ 240,- heeft gepind met de bankpas van aangever. Als er al sprake was van een uitstaande lening, zoals verdachte heeft betoogd, dan was dit niet de geëigende manier om het geldbedrag terug te krijgen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Ten aanzien van parketnummer 05/820059-17 6

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit is er sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] namens Shell Kempke,

p. 023-024;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] namens Shell Station Geulenkamp,

p. 027-028;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] namens BP Het Ambacht, p. 031-032;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] namens Shell Warnsveld, p. 035-036;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 juni 2018.

Ten aanzien van parketnummer 05/740472-16 7

Feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling. De officier van justitie heeft gesteld dat vrijspraak dient te volgen voor de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat onvoldoende onderzoek is gedaan om vast te kunnen stellen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft betoogd dat ze geen opzet heeft gehad op de dood van aangeefster [slachtoffer 5] dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 5] . Verdachte heeft aangevoerd dat ze aangeefster niet bij de auto heeft gezien.

Beoordeling door de rechtbank

Bewijsmiddelen

Aangeefster [slachtoffer 5] heeft bij de politie verklaard dat ze op 26 november 2016 met collega [verbalisant 3] belast was met de surveillancedienst in het gebied Rivierenland-Oost. In Westervoort zagen zij een personenauto (met kenteken [kenteken] ) zonder verlichting over de Rivierweg rijden. Verbalisanten zijn achter het voertuig aangereden om de bestuurder hierop aan te spreken. De bestuurder reageerde niet op het door verbalisanten gegeven stopteken. De bestuurder reed een parkeerplaats op en parkeerde het voertuig voorwaarts in een parkeervak. Aan de rechterzijde van het voertuig stond een personenauto geparkeerd. Verbalisant [verbalisant 3] parkeerde het dienstvoertuig aan de linkerkant van het betreffende voertuig. [slachtoffer 5] zag dat de bestuurder haar met grote ogen aankeek. [slachtoffer 5] is het dienstvoertuig uitgestapt en probeerde het portier aan de bestuurderskant van het voertuig te openen, maar op dat moment vergrendelde de bestuurder het portier. [slachtoffer 5] stond tussen beide voertuigen in en had haar hand op het portier van het voertuig. [slachtoffer 5] zag dat de bestuurder de versnelling van het voertuig in zijn achteruit zetten en ze zag en voelde dat het voertuig achteruit reed. Het voertuig draaide in haar richting. [slachtoffer 5] schreeuwde naar haar collega dat ze klem werd gereden. [slachtoffer 5] voelde dat ze steeds meer klem kwam te zitten tussen de voertuigen en dat de druk op haar lichaam steeds groter werd. [slachtoffer 5] voelde dat haar lichaam en haar dienstwapen in het dienstvoertuig werden gedrukt. [slachtoffer 5] zag vervolgens dat het voertuig van haar afreed. Het voertuig verliet het parkeervak in een S-bocht. Verbalisant [verbalisant 3] sloeg het raam aan de bestuurderszijde in en pakte de bestuurder vast. [slachtoffer 5] is naast haar collega gaan staan en pakte de bestuurder eveneens vast. De bestuurder gaf gas en het voertuig bewoog voorwaarts en daarop heeft [slachtoffer 5] de bestuurder losgelaten.8

Aangeefster [slachtoffer 5] had na het ongeval last van haar linkerarm en -schouder en van haar rug. Na onderzoek door de huisarts bleek de functie van de schouder beperkt. Er was sprake van tintelingen en [slachtoffer 5] gaf aan minder kracht te hebben in de linkerarm. Volgens Van den Hatert, arts en medisch adviseur, bevestigt deze informatie de klachten van linkerschouder en -arm in relatie tot het incident van 26 november 2016.9 Uit een rapportage d.d. 13 maart 2017 van fysiotherapeut ’t Hart volgt dat [slachtoffer 5] de eerste weken na het ongeval rust moest houden voor haar rug en geen huishoudelijke taken en werkzaamheden kon verrichten. Na twee maanden intensieve behandeling was er sprake van een geringe vooruitgang, dusdanig dat [slachtoffer 5] werd doorverwezen naar de huisarts voor nader onderzoek.10 Er werd een MRI-scan gemaakt van de rug waarop afwijkingen werden geconstateerd, die niet van traumatische origine waren. Van den Hatert stelde de diagnose posttraumatische rugklachten zonder onderliggend trauma gerelateerd substraat.11 In een aanvullend advies van 11 december 2017 beschreef Van den Hatert dat [slachtoffer 5] een revalidatie re-integratietraject heeft gevolgd dat wel leidde tot enige afname van de klachten, maar omdat deze instantie onvoldoende begeleiding kon bieden bij de arbeid re-integratie werd het traject voortgezet door Groot Klimmendaal. Sinds het dienstongeval is er sprake van volledig verzuim. Er is sprake van een beperking in de mobiliteit van lage rug en rechterheup. De beklemming van de heupregio onderbouwt het causaal verband tussen de rugklachten en het incident, aldus Van den Hatert.12

Getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard dat een politieauto achter een voertuig zonder verlichting aan reed. Op een parkeerterrein parkeerde het voertuig in een parkeervak. De politieauto parkeerde links van het voertuig. Beide agenten stapten uit. De agenten probeerden de deur van het voertuig te openen, maar dat lukte niet. Op het moment dat de politieagent met de zaklamp naar binnen scheen, reed het voertuig achteruit. Het voertuig maakte een bocht, waardoor de voorzijde van het voertuig in de richting van de politieauto kwam. Hierdoor werd de afstand tussen het voertuig en de politieauto kleiner. De politieagente stond hier tussen en ze riep: “ik zit klem”. Het voertuig reed nog verder achteruit. De politieagent rende naar de bestuurderskant van het voertuig en sloeg de ruit in. Hij trok aan de bestuurder. De bestuurder bleef gas geven en reed weg.13

Onderzoek naar het betrokken dienstvoertuig wees uit dat het voertuig een beschadiging had aan de rechterachterzijde, bestaande uit een kras en een deuk in de lengterichting van het voertuig. Ook was een donkerkleurige aftekening in deze beschadiging zichtbaar.14 Op de buitenzijde van het dienstwapen van aangeefster en aan de buitenzijde van de patroonhouder was een witkleurige stof aanwezig. Deze sporen pasten in het beeld van de beschadiging aan de rechterzijde van de politieauto, waarbij de ronde vorm van de houder overeenstemde met de ronde vorm van de schade.15

Er is onderzoek gedaan naar het betrokken voertuig, te weten een personenauto Daewoo Matiz met kenteken [kenteken] . Uit het systeem kwam naar voren dat er op 11 november 2016 een melding was geweest waarbij voornoemd voertuig, met verdachte als inzittende, betrokken was.16 Op 4 december 2016 werd verdachte in voornoemd voertuig aangetroffen.17

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat er iets achter haar reed. Ze parkeerde het voertuig en zag vervolgens een gezicht door het ruit. Ze schrok en deed de deuren op slot. De ruit van de auto werd ingeslagen en toen is ze achteruit gereden en weg gereden.18

Vaststelling op grond van de bewijsmiddelen

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 26 november 2016 reed aangeefster [slachtoffer 5] (brigadier van de politie), samen met haar collega, achter een door verdachte bestuurd voertuig aan. Op een parkeerterrein werden de voertuigen naast elkaar geparkeerd. [slachtoffer 5] en haar collega stapten het dienstvoertuig uit en probeerden het portier van het voertuig van verdachte te openen, maar dat lukte niet omdat verdachte het portier aan bestuurderszijde had vergrendeld. Vervolgens is verdachte met het voertuig achteruit gereden en draaide het voertuig tegelijkertijd in de richting van het dienstvoertuig, waar op dat moment aangeefster [slachtoffer 5] stond. Hierdoor raakte [slachtoffer 5] bekneld tussen het dienstvoertuig en het voertuig. Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer 5] letsel opgelopen.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of dit handelen van verdachte als poging tot doodslag dan wel (poging tot) zware mishandeling kan worden gekwalificeerd.

Vrijspraak van poging tot doodslag

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er in het dossier onvoldoende informatie voorhanden is op grond waarvan zij kan vaststellen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer, nu de medische informatie op dit punt te summier is. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Om de vraag te kunnen beantwoorden of het handelen van verdachte als (poging tot) zware mishandeling kan worden gekwalificeerd, gaat zij allereerst over tot bespreking van het letsel van het slachtoffer.

Letsel

Bij de beantwoording van de vraag of [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, stelt de rechtbank voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd, als dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, zijn belangrijke factoren de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Wat betreft het uitzicht op herstel geldt, ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heef plaatsgevonden, dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, maar ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Voorts kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen (vgl. ECLI:NL:HR:2018:1051).

Uit voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat aangeefster [slachtoffer 5] na het ongeval klachten had aan haar linkerarm en -schouder en aan haar rug. Met name het letsel aan de rug is langdurig, zo blijkt uit de rapportages die dateren van november en december 2017. Ter behandeling van de rugklachten heeft aangeefster fysiotherapie en een revalidatie re-integratietraject ondergaan. Gedurende die periode, zijnde ruim een jaar, heeft aangeefster haar werkzaamheden als brigadier van de politie niet kunnen hervatten. Een medische eindsituatie is er nog niet. Gelet op het hiervoor overwogene, is de rechtbank van oordeel dat het rugletsel dat [slachtoffer 5] heeft opgelopen, zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet oplevert.

Alvorens tot een bewezenverklaring van zware mishandeling te komen, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte hiertoe (voorwaardelijk) opzet heeft gehad.

Opzet

De rechtbank stelt voorop dat verdachte heeft verklaard dat zij aangeefster niet heeft gezien. Vol opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel acht de rechtbank daarom niet bewezen.

Voor opzet in de vorm van voorwaardelijk opzet acht de rechtbank wel voldoende bewijs voorhanden. Op het moment dat [slachtoffer 5] en haar collega het dienstvoertuig uit stapten en probeerden de deuren van het voertuig van verdachte te openen, heeft verdachte de portieren vergrendeld; een bewuste handeling van verdachte. Hoewel verdachte heeft verklaard dat ze aangeefster niet heeft gezien, heeft ze wel een gezicht door het ruit van het voertuig gezien. Door vervolgens de versnelling van het voertuig in zijn achteruit te zetten en daadwerkelijk achteruit te rijden, zonder zich er eerst van te vergewissen dat er iemand naast de auto stond, heeft verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij mensen zou kunnen aanrijden en dat deze mensen daarbij ernstig letsel zouden kunnen oplopen.

Gelet op het vorengaande acht de rechtbank het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit is er sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 februari 2018;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 juni 2018.

3 Bewezenverklaring

05/880281-17

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 28 januari 2017 tot en met 29 januari 2017 in de gemeente Doetinchem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (inhoudende onder andere een rijbewijs en/of een of meer (bank)passen), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

zij op of omstreeks 29 januari 2017 in de gemeente Doetinchem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (240,00 Euro), in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

05/820059-17

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

(primair)

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 november 2016 tot en met 26 november 2016 te Warnsveld en/of Elst en/of Didam en/of Westervoort, althans in Nederland, meermalen, althans éénmaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen de hierna te noemen goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan rechthebbende(n), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, te weten:

- een hoeveelheid brandstof, 26 liter (ter waarde van 37,45 euro), in elk geval enig goed, toebehorende aan Shell Warnsveld en/of [slachtoffer 2] (gevestigd aan Rijsstraatweg 123 te Warnsveld) en/of

- een hoeveelheid brandstof, 24 liter (ter waarde van 38,20 euro), in elk geval elk goed, toebehorende aan Shell Kempke en/of [slachtoffer 3] (gevestigd aan A325 te Elst) en/of

- een hoeveelheid brandstof, 21 liter (ter waarde van 31,37 euro), in elk geval enig goed, toebehorende aan Shell Station Geulenkamp en/of [slachtoffer 2] (gevestigd aan A18 te Didam) en/of

- een hoeveelheid brandstof, 26 liter (ter waarde van 40,84 euro), in elk geval enig goed, toebehorende aan BP station "Het Ambacht" en/of [slachtoffer 4] (gevestigd aan Het Ambacht 35 te Westervoort).

05/740472-16

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1.

(subsidiair)

zij op of omstreeks 26 november 2016 te Westervoort aan [slachtoffer 5] , (brigadier van politie), (tijdens de rechtmatige uitoefening van haar bediening) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten langdurig rugletsel (lage rug) en/of letsel aan de linkerarm en linkerschouder (gedurende een periode van ruim een jaar, te weten 26 november 2016 tot (in ieder geval) 29 december 2017), heeft toegebracht, immers heeft -zij verdachte- met de door haar -verdachte- bestuurde auto achteruit gereden (en daarbij naar links gestuurd), terwijl die [slachtoffer 5] voornoemd tussen het surveillancevoertuig en (links naast) het voertuig van verdachte stond, waardoor die [slachtoffer 5] klem/bekneld is geraakt tussen het door verdachte bestuurde voertuig en het surveillancevoertuig;

2.

zij op of omstreeks 26 november 2016 te Westervoort terwijl zij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op haar naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorie van motorrijtuigen, te weten rijbewijs B, ongeldig was verklaard (sedert 21 december 2010) en aan haar daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of

categorieën was afgegeven, op de openbare weg, de Zuidelijke Parallelweg, als bestuurder een motorrijtuig, (auto, merk Daewoo, type Matiz, kleur blauw, gekentekend [kenteken] ), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

05/880281-17

Ten aanzien feit 1:

Diefstal.

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

05/820059-17

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde:

Diefstal, meermalen gepleegd.

05/740472-16

Ten aanzien van feit 1, subsidiair:

Zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van art. 9 lid 2 WVW 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en tot oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaren.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verzocht aan haar geen gevangenisstraf op te leggen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft ook gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 18 mei 2018;

- een voorlichtingsrapportage van Tactus verslavingszorg, gedateerd 14 juni 2018.

Verdachte heeft met haar voertuig een politieagente klemgereden, die bezig was met haar werk en die verdachte wilde aanspreken op een aantal verkeersovertredingen die zij had begaan. De politieagente heeft daaraan zwaar lichamelijk letsel overgehouden. Uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring volgt dat het handelen van verdachte grote impact heeft gehad op het slachtoffer en haar gezin. Ruim anderhalf jaar na het incident ondervindt het slachtoffer nog steeds de nadelige gevolgen. Ze heeft dagelijks pijn in haar rug en ondergaat nog steeds fysiotherapie. Het is onduidelijk of het slachtoffer in de toekomst haar werkzaamheden volledig zal kunnen hervatten. Naast de impact op het slachtoffer, wekt het handelen van verdachte vrees op bij de collega’s van het slachtoffer. Dat verdachte dergelijke handelingen heeft verricht terwijl haar rijbewijs ongeldig was verklaard, rekent de rechtbank haar zwaar aan.

Verder heeft verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan diefstal.

De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk geweldsdelict is veroordeeld, maar dat verdachte zich wel veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan vermogens- en verkeersdelicten. Ook houdt de rechtbank op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening met het vonnis van de politierechter te Arnhem van 23 februari 2017.

De rechtbank houdt ook rekening met het door Tactus uitgebrachte reclasseringsadvies. Hieruit volgt dat verdachte in de periode van de ten laste gelegde feiten in de war was en dat haar stabiliteit was weggevallen. Ze was teruggevallen in alcoholgebruik en moest noodgedwongen haar woning verlaten. Verdachte lijkt moeite te hebben om haar traumatische verleden een plaats te geven en een behandeling hierop gericht is van belang. Verdachte staat daar ook open voor.. Sinds haar plaatsing bij Domus in Wehl begin 2017 lijkt de rust deels wedergekeerd. Ze heeft baat bij een beschermde woonvorm en haar middelengebruik lijkt enigszins onder controle. Geadviseerd wordt een voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandeling door IrisZorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang bij Domus en medewerking aan middelencontrole.

De rechtbank houdt in aanzienlijke mate rekening met het tijdsverloop. De feiten zijn gepleegd in de periode van 12 tot en met 26 november 2016 en van 28 tot en met 29 januari 2017. Pas op 28 juni 2018 heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden. De officier van justitie heeft voor deze vertraging geen (goede) redenen naar voren gebracht. De tijd tussen het plegen van de feiten (november 2016/januari 2017) en de behandeling ter zitting is niet gebruikt voor het opmaken van (bijvoorbeeld) een psychologische rapportage over verdachte. Gezien haar gemoedstoestand ten tijde van het plegen van het feit en haar traumatische verleden, zou een dergelijk rapportage van toegevoegde waarde kunnen zijn geweest. Verdachte is niet in voorlopige hechtenis genomen. De zaak van verdachte is, zo is de conclusie van de rechtbank, in afwachting van planning en behandeling op zitting, stilgelegd.

Bij de behandeling van de persoonlijke omstandigheden van verdachte is de persoonlijk begeleidster van verdachte, mevrouw De Ruiter, werkzaam bij de Domus in Wehl, als getuige gehoord. Zij heeft onder andere verklaard dat verdachte al jaren kampt met traumatische ervaringen uit haar verleden, die haar eind 2016, begin 2017 ernstig parten speelden. Verdachte kampt ook al jaren met een alcoholverslaving. Op dit moment gaat het wat beter, de verslaving lijkt onder controle en er kan (langzaam) aan een dagritme worden gewerkt. Een langdurige gevangenisstraf zal de trauma’s van verdachte doen herleven en mogelijk versterken. Wat tot nu toe tijdens het verblijf bij Domus in Wehl is opgebouwd, zal hierdoor ernstig worden verstoord, zo is de inschatting met de getuige.

Met name vanwege de ernst van de feiten acht de rechtbank een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De eis van de officier van justitie kan de rechtbank in dat licht ook zeker volgen. De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte, samen met het tijdverloop in de zaak, maken echter dat de rechtbank van deze eis zal afwijken. Het dossier bevat geen rapportages of informatie die een ander licht werpen op de verklaring van de persoonlijk begeleidster van verdachte. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht, en met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden de voorwaarden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd. Ook zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaren.

Beslag

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto (Daewoo Matiz met kenteken [kenteken] ) vatbaar is voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking tot welke (een deel van het) bewezenverklaarde is begaan.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van parketnummer 05/880281-17

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 240,- aan materiële schade.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg de bewezen verklaarde feiten schade heeft geleden, als na te melden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en in het geheel kan worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 29 januari 2017.

Ten aanzien van parketnummer 05/740472-16

De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en in het geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft aangevoerd dat het incident een grote impact heeft gehad op de benadeelde partij en dat ze na het incident een langdurig revalidatietraject heeft moeten ondergaan.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg het bewezen verklaarde feit schade heeft geleden, als na te melden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank naar billijkheid en gelet op schadevergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend een bedrag van € 3.000,= toewijzen en het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 26 november 2016.

8
8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 36f, 56, 57, 63, 302, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9, 176 en 179a van de Wegenverkeerswet.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit haar medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- haar medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk binnen 2 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij Tactus Reclassering Zutphen (telefoonnummer: 088-3822887) en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- indien de reclassering het nodig acht, zich nader diagnostisch laat onderzoeken en behandelen door IrisZorg of een soortgelijke zorgverlener, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de huisregels en de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de zorgverlener zullen worden gegeven, ook indien dit inhoudt dat zij dient mee te werken aan middelencontrole;

- gedurende de gehele proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, zal verblijven in de Domus te Wehl of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal conformeren aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, en waarbij veroordeelde zal deelnemen aan de dagbesteding, zulks ter beoordeling van de reclassering en de instelling;

- medewerking zal verlenen aan ademonderzoeken, urineonderzoeken en bloedonderzoeken, waarbij de controlemiddelen en de frequentie van de controles ter beoordeling van de reclassering zijn;

  • -

    geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en geeft opdracht de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

  • -

    beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het onder parketnummer 05/740472-16 onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren;

Beslag

verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een personenauto Daewoo Matiz met kenteken [kenteken] ;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (parketnummer 05/880281-17)

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], ten bedrage van € 240,- (tweehonderdveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 240,- (tweehonderdveertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 4 (vier) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (parketnummer 05/740472-16)

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 5], ten bedrage van € 3.000,- (drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 5] , een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 40 (veertig) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Klep (voorzitter), mr. F.M.A. ’t Hart en mr. C.E.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Blankenspoor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juli 2018.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017046510, gesloten op 27 februari 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] d.d. 30 januari 2017, p. 03-04.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari 2017, p. 12.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2017, p. 18.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 februari 2017, p. 29.

6 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] van de Landelijke Eenheid, dienst infrastructuur, geografische afdeling Noord-Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017013521, gesloten op 1 maart 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

7 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 6] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016580110, gesloten op 9 januari 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

8 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 5] d.d. 30 november 2016, p. 23-25.

9 Advies J.M. van den Hatert, arts-medisch adviseur, d.d. 29 december 2017.

10 Rapportage ongeval V. ’t Hart, Fysiotherapie Vitaal, d.d. 13 maart 2017.

11 Advies J.M. van den Hatert, arts-medisch adviseur, d.d. 21 november 2017.

12 Advies J.M. van den Hatert, arts-medisch adviseur, d.d. 11 december 2017.

13 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] d.d. 28 november 2017, p. 32-33.

14 Proces-verbaal technisch onderzoek Verkeers Ongevallen Analyse d.d. 30 november 2016, p. 3.

15 Proces-verbaal technisch onderzoek Verkeers Ongevallen Analyse d.d. 30 november 2016, p. 6.

16 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 december 2016, p. 43.

17 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 december 2016, p. 49.

18 Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 28 juni 2018.