Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3090

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
05/840219-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een man uit Doetinchem veroordeeld voor poging tot zware mishandeling. De man krijgt hiervoor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die hij al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank heeft daarbij de bijzondere voorwaarden opgelegd dat hij zich moet melden bij de reclassering, dat hij ambulant behandeld moet worden voor zijn drugsgebruik en dat hij beschermd/begeleid moet wonen. Tevens moet de man een schadevergoeding betalen aan het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840219-18

Datum uitspraak : 12 juli 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1992 te [geboorteplaats] (Somalië),

wonende te [adres]

thans gedetineerd te Vught PPC te Vught.

Raadsman: mr. J.H. Hofstede, advocaat te Doetinchem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 28 juni 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 maart 2018 te Doetinchem

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen opzettelijk die [slachtoffer] met een mes in diens hand en/of pols heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 17 maart 2018 te Doetinchem

[slachtoffer] heeft mishandeld door deze [slachtoffer] met een mes in zijn hand

en/of pols te snijden.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 17 maart 2018 was verdachte bij de woning van getuige [getuige] (verder: getuige). In de woning waren getuige en aangever [slachtoffer] (verder: aangever).2

Aangever heeft een scherpe snijwond aan zijn linkerhand opgelopen.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, poging zware mishandeling.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Het subsidiair ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend bewezen worden.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever is vanuit de woning van de getuige naar buiten gelopen. Aangever heeft verklaard dat verdachte op hem af kwam lopen en uit zijn jaszak een mes trok. Verdachte liep op aangever af en aangever deed zijn armen omhoog om zijn gezicht te beschermen.4 Verdachte haalde uit met het mes en aangever voelde dat het mes in zijn linker hand sneed.5

Getuige zag dat verdachte naar aangever rende en dat aangever zijn handen omhoog deed. Aangever werd geraakt door iets. Daarna bleek dat het om een mes ging.6

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de verklaringen van aangever en de getuige dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Uit de verklaringen van aangever en de getuige blijkt dat aangever zijn armen omhoog heeft gedaan om zijn gezicht te beschermen op het moment dat verdachte op hem af kwam met een mes. Verdachte heeft aangever met het mes gesneden aan de binnenzijde van onderkant van zijn hand. Verdachte heeft dus gericht op het bovenste gedeelte van het lichaam van aangever. Door met een mes in richting het bovenste gedeelte van het lichaam van aangever een snijdende beweging te maken en daarbij de aan de binnenzijde van onderkant van de hand van aangever te raken, is naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ontstaan. Door op deze wijze te handelen, heeft verdachte deze kans ook bewust aanvaard. Dat het ernstigere gevolg is uitgebleven maakt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat sprake is van poging tot zware mishandeling.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 17 maart 2018 te Doetinchem,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen opzettelijk die [slachtoffer] met een mes in diens hand en/of pols heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

“Poging tot zware mishandeling”

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen waarvan 78 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden meldplicht bij reclassering Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering te Arnhem, ambulante behandeling bij Inforsa gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt en begeleid of beschermd wonen bij Domus Plus van Leger des Heils in Lunteren.

De officier van justitie heeft tevens geëist dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn nu ernstig rekening moet worden gehouden dat verdachte een soortgelijk misdrijf zal begaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 25 mei 2018;

- een voorlichtingsrapportage van GGZ ERW Novadic-Kentron Den Bosch, gedateerd 15 juni 2018.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging zware mishandeling door met een mes aan de binnenzijde van onderkant van de hand van aangever te snijden. Aangever heeft geluk gehad dat het mes niet een centimeter lager terecht is gekomen anders had het letsel vele malen ernstiger kunnen zijn. Aangever dacht dat er mogelijk een slagader geraakt was en heeft daar angst door ondervonden. Ook heeft hij veel pijn gehad aan de wond. De rechtbank vindt dit een ernstig feit.

Uit de rapportage van de reclassering blijkt dat er sprake is van een psychotische stoornis en verslaving. Verdachte is dakloos, heeft geen dagbesteding en voelt zich erg eenzaam. Dit maakt dat de kans op herhaling hoog wordt ingeschat.

Door medicatiegebruik en doordat verdachte in voorlopige hechtenis abstinent is van het gebruik van verdovende middelen, gaat het nu goed met verdachte. De reclassering adviseert daarom dat verdachte naast de meldplicht ook een ambulante behandeling bij Inforsa voor zijn middelengebruik moet volgen. Daarnaast adviseert de reclassering dat verdachte bij Domus Plus in Lunteren zal verblijven voor beschermd of begeleid wonen. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis, met de geadviseerde bijzondere voorwaarden, passend en geboden zijn om recidive in de toekomst te voorkomen. De geëiste voorwaardelijke gevangenisstraf is gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS aan de hoge kant, maar de rechtbank vindt het van belang dat verdachte zijn medicatie blijft slikken en een zinvolle dagbesteding krijgt en dat verdachte daarbij vanuit detentie direct hulp en ondersteuning krijgt. Verdachte heeft aangegeven mee te willen werken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

Gelet op de bevindingen van de reclassering, zoals hiervoor besproken, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Gelet op de duur van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank de voorlopige hechtenis opheffen met ingang van de dag waarop deze straf gelijk is aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het primair bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 900,-.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank ten aanzien van de materiele schade gebruik maakt van de schattingsbevoegdheid. Ten aanzien de gevorderde immateriële schade kan worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de vordering ten aanzien van het immateriële deel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde materiele schade van oordeel dat de vordering niet is onderbouwd met enige bewijsstukken. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan derhalve zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is naar het oordeel van de rechtbank op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank acht het bedrag van € 800,- passend gelet op de aangevoerde jurisprudentie met een soortgelijke casus uit de ANWB Smartengeldgids nummer 1255 (bijlage 1-D) en zal de vordering tot dit bedrag toe wijzen.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar conform de landelijke oriëntatiepunten niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 17 maart 2017.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45 en 302 het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 210 (tweehonderdentien) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 92 (tweeënnegentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering: Utrechtsestraat 47, 6811 LT Arnhem, telefoonnummer: 026-4430146. De uitvoering van de meldplichten lijkt praktisch onuitvoerbaar wegens de taalbarrière. De reclassering dient toezicht te houden op de bijzondere voorwaarden en onderhoudt contact met behandelaren en (woon)begeleiders. Er vindt geen frequent contact plaats tussen betrokkene en de toezichthouder. De toezichthouder kan wel huisbezoeken afleggen;

- gedurende de proeftijd zal verblijven bij Domus Plus, Leger des Heils te Lunteren of een andere instelling voor beschermd of begeleid wonen, of een soortgelijke instelling te bepalen door de reclassering. Het verblijf start direct nadat het vonnis onherroepelijk is. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

 Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

 Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 800,- (achthonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 800,- (achthonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 16 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.N. Ritzer (voorzitter),

mr. W.L.F. Prisse en mr. Y.H.M. Marijs, rechters,

in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juli 2018.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant E. van Eerden van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018116440, gesloten op 20 maart 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld en een geneeskundige verklaring van [slachtoffer] . De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 5, proces-verbaal van verhoor van getuige M.M. Farah, p. 13 en verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 juni 2018.

3 Fotoreportage van verwonding aangever, p. 30-31 en geneeskundige verklaring van [slachtoffer] .

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 5.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 6.

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige M.M. Farah, p. 14.