Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:3060

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
05/881825-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 21-jarige Poolse man veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar voor zijn aandeel in een poging doodslag en een poging tot een zware mishandeling in een café in Tiel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/881825-17

Datum uitspraak : 10 juli 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , Z.v.w.o.v.p.

thans gedetineerd te P.I. HvB Grave (Unit A + B) te Grave

raadsman: mr. P.A.M. Verkuijlen, advocaat te Sint-Oedenrode.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juni 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 20 augustus 2017 te Tiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven (met kracht) met een mes/zwaard, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans éénmaal in het (boven)been, (ter hoogte van de slagader), althans in het lichaam van die [slachtoffer 1] , heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 20 augustus 2017 te Tiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een slagaderlijke bloeding, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] gereanimeerd moest worden, heeft toegebracht, door (met kracht) met een mes/zwaard, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans éénmaal in het (boven)been, althans in het lichaam van die [slachtoffer 1] , te steken en/of prikken en/of snijden;

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 20 augustus 2017 te Tiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door die [slachtoffer 1] met een mes/zwaard, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans éénmaal in het (boven)been, althans in het lichaam, te steken en/of prikken en/of snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

Primair

hij op of omstreeks 20 augustus 2017 te Tiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door die [slachtoffer 2] met een mes/zwaard, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans éénmaal in de (onder)arm te steken en/of prikken en/of snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 20 augustus 2017 te Tiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door door die [slachtoffer 2] met een mes/zwaard, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans éénmaal in de (onder)arm te steken en/of prikken en/of snijden;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het (impliciet) primair tenlastegelegde, te weten de poging tot moord en dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot doodslag. Verder heeft de officier van justitie ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen, maar dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling

In het door hem ter zitting overgelegde en voorgedragen schriftelijk requisitoir heeft hij de door hem gebezigde bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan integraal dient te worden vrijgesproken aangezien uit de beschikbare bewijsmiddelen niet zonder twijfel is gebleken dat verdachte de steekwond bij aangever [slachtoffer 1] heeft toegebracht.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld en dat verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde poging tot moord. Voorts heeft de raadsman betoogd dat geen sprake was van opzet, ook niet in de voorwaardelijke variant, om aangever [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake was van een ernstige verwonding en dat ook de wijze waarop die verwonding is toegebracht niet gekwalificeerd kan worden als een poging om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Voorts is, uit de wijze waarop die verwonding werd toegebracht, ook niet van een daartoe strekkend opzet gebleken, aldus de raadsman.

De verdediging heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van een - aan het proces-verbaal gehechte – pleitnotitie.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten

Vaststaat dat op 20 augustus 2017 tussen 04:55 uur en 05:10 uur aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gewond zijn geraakt naar aanleiding van een ruzie tussen meerdere personen, op de openbare weg nabij het Poolse café ‘Bar Rodon’, gevestigd aan de Korte Nieuwsteeg 6 in Tiel. Twee van deze personen zijn korte tijd weggeweest en kwamen later, gewapend weer terug. Één van de slachtoffers werd in zijn been geraakt en liep een snijwond op met een lengte van 15 cm en 14,3 cm diep, te weten aangever [slachtoffer 1] (feit 1), en de ander had een snijwond aan zijn arm, te weten [slachtoffer 2] (feit 2).

Partiële vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van kalm beraad en rustig overleg voorafgaand aan het incident, zodat verdachte van de (impliciet) primair tenlastegelegde voorbedachte raad moet worden vrijgesproken.

De eerste vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet is of het verdachte is die deze verwondingen heeft toegebracht. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Feit 1 primair

Ten overstaan van de politie heeft verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht.2 Ter terechtzitting heeft verdachte ontkend dat hij de persoon is geweest die de steekwond bij [slachtoffer 1] heeft toegebracht.

Uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt, zakelijk weergegeven, dat hij in de avond/nacht van 19 op 20 augustus 2017 met vrienden, waaronder [slachtoffer 2] uit was in een café, bekend staand als de Poolse bar in Tiel. Binnen was een opstootje en een manspersoon werd de bar uitgezet. Aangever is mee naar buiten gelopen en is buiten blijven staan. Aangever zag toen na 10 of 15 minuten dat er twee mannen aan kwamen rennen. De eerste man was de man die eerder uit de bar was gezet. Hij zag dat die man hem in zijn been stak. De tweede man droeg een half gezichtsmasker met daarop de afbeelding van een skelet hoofd.3 Aangever kan zich het gezicht van zijn aanvaller nog goed herinneren; dat is gedetailleerd bij hem blijven hangen en hij herkent de dader ook die hem zo bewerkt heeft.4 Aangever heeft op facebook degene gevonden die hem neergestoken heeft. Dat is [verdachte] , zijnde verdachte. Aangever is ervan overtuigd dat dit degene is die hem heeft neergestoken.5

Aangever heeft aan de hand van twee foto’s nog verklaard dat op foto 1 de man staat die hij later heeft gezien met het halve gezichtsmasker met de afbeelding van een skeletgezicht en dat op foto 2 de man staat die hem gestoken heeft.6

In de letselbeschrijving, opgemaakt door forensisch arts J. Hoefnagel, is onder meer beschreven dat de snijwond, met een lengte van 15 cm, met zekerheid is aangebracht door een hard, spits en scherp voorwerp. Gezien de diepte van de wond (14,3 cm vanaf de huid tot aan het botfragment) moet het voorwerp ook ongeveer dezelfde lengte gehad hebben. Aangezien er een botfragment is afgebroken of afgesneden, moet het voorwerp met grote kracht in het been zijn gestoken. Het letsel is in beginsel dodelijk geweest; het bloedverlies was dusdanig dat er sprake is geweest van een diep comateuze toestand; zonder behandeling zou aangever met zekerheid zijn overleden. Daarnaast was risico op schade aan diverse organen, zoals hersenen, nieren en lever en spieren aanwezig en had het onderbeen kunnen afsterven, waardoor amputatie noodzakelijk zou zijn geweest.7

Camerabeelden

Naast de hierboven beschreven verklaringen van aangever en de letselbeschrijving is nog het volgende van belang voor het bewijs.

In deze zaak zijn bewegende beeldopnames gemaakt van het steekincident. Bij de beoordeling van de – al dan niet – betrokkenheid van verdachte bij dit feit zijn de herkenningen gedaan door de verschillende getuigen op basis van dit beeldmateriaal van doorslaggevend belang.

De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan. De rechtbank dient te beoordelen of de herkenningen voldoende betrouwbaar zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

De rechtbank heeft bij de beoordeling de volgende uitgangspunten gehanteerd. De herkenning van een persoon op bewegend beeld kan plaatsvinden, grof gezegd, op basis van diens gezicht, kleding en accessoires en/of postuur, houding en manier van bewegen. Hiervan heeft de gezichtsherkenning onmiskenbaar de hoogste diagnostische waarde. Het gezicht is immers uit zijn aard uniek en de meeste mensen zijn uitstekend in staat gezichten te herkennen.

De rechtbank heeft de volgende elementen in haar beoordeling betrokken. In de eerste plaats heeft zij beoordeeld aan de hand van het bekijken van de bewegende beelden, of de beelden voldoende duidelijk en helder zijn om een gezichtsherkenning op te kunnen baseren, of er met andere woorden voldoende gezichtskenmerken te zien zijn om een herkenning mogelijk te maken. Daarmee nauw in verband staat een tweede beoordelingselement, namelijk hoe goed de herkenner de verdachte kent. Hoe beter men de verdachte (visueel) kent, hoe minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de visuele kennis waardevoller is als deze is ontstaan uit ontmoetingen in levenden lijve dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is. Tevens zijn de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang. Een derde beoordelingselement is het aantal in aanmerking komende herkenningen, die onafhankelijk van elkaar zijn gedaan. Hoe meer dat er zijn, hoe hoger de bewijskracht.

Ten slotte heeft de rechtbank nog gekeken of er feiten en omstandigheden zijn die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar zouden (kunnen) maken. In het geval dat er andere bewijsmiddelen dan herkenningen in het dossier aanwezig zijn die de betrokkenheid van verdachte bij het ten last gelegde kunnen ondersteunen, zijn deze - uiteraard - in de beoordeling betrokken.

Van de steekpartij zijn bewegende beelden gemaakt. In het proces-verbaal van bevindingen die de camerabeelden van het incident beschrijft, staat dat te zien is dat medeverdachte

[medeverdachte] (verdachte 1) om 04:16:53 uur in een rechte lijn hard op [slachtoffer 1] afrent met een zwaard/mes boven zijn hoofd. [medeverdachte] valt vervolgens [slachtoffer 1] aan en beiden komen vervolgens ten val. Drie seconden later om 04:16:56 uur is te zien dat verdachte (verdachte 2) op volle snelheid op medeverdachte [medeverdachte] en [slachtoffer 1] , die op dat moment op de grond liggen, afrent en dat verdachte met een wapen dat hij in zijn hand heeft, een stekende dan wel slaande beweging maakt naar [slachtoffer 1] . Te zien is dat verdachte dit met zijn rechterarm doet en dat hij een wapen/voorwerp in zijn hand heeft. Verbalisant schat dit voorwerp op 20 à 30 cm. lang.8

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] is, zakelijk weergegeven, gerelateerd dat aan hem de camerabeelden zijn getoond van de steekpartij in de Korte Nieuwsteeg in Tiel. Op de beelden is een jongen te zien in een zwarte jas met rechts achterop een klein wit teken. De jongen met deze zwarte jas, welke een lang zwart voorwerp in zijn handen heeft, herkent verbalisant als zijnde [verdachte] . Verbalisant heeft tijdens zijn werkzaamheden meerdere malen met [verdachte] te maken gehad. [verdachte] heeft voor ongeveer een jaar hiervoor twee personen mishandeld met een hamer tijdens Appelpop. [verdachte] trekt veel op met andere Poolse mensen die in Tiel wonen en verder zien ze [verdachte] veelvuldig door Tiel rijden in verschillende auto’s voorzien van Poolse kentekenplaten.9

In het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] is, zakelijk weergegeven, gerelateerd dat zij in het begin van de camerabeelden [verdachte] als tweede persoon naar buiten ziet komen lopen uit het café. Zij herkent [verdachte] aan zijn kalende ronde hoofd en zijn lengte; [verdachte] is de kleinste van de groep mensen. Ook komt [verdachte] met zijn gezicht goed in beeld en daardoor weet verbalisant voor 100% zeker dat die persoon [verdachte] is. [verdachte] draagt een zwarte jas. Zij heeft [verdachte] veelvuldig gezien en gesproken tijdens haar werkzaamheden als politieagent in Tiel. [verdachte] rijdt veel rond in diverse Poolse voertuigen; hierdoor valt hij vaak op en wordt hij veel gecontroleerd. Ook heeft hij tijdens het evenement ‘Appelpop’ op mensen in geslagen met een hamer. Verbalisant ziet op het moment van het daadwerkelijke incident [verdachte] in beeld komen. Ze ziet dat hij een lang zwart voorwerp in zijn handen heeft. Ze ziet dat [verdachte] op zijn zwarte jas een wit tekentje achterop zijn schouder heeft zitten. Ze ziet dat de haar eveneens ambtshalve bekende [medeverdachte] het slachtoffer aanvalt met het samoeraizwaard en dat het slachtoffer daarbij komt te vallen. Dan ziet ze dat [verdachte] erbij komt en ziet ze dat hij stekende bewegingen maakt in de richting van het slachtoffer die inmiddels op de grond ligt.10

Ter terechtzitting zijn de camerabeelden bekeken. Verdachte heeft gesteld dat hij daar die avond bij de incidenten betrokken was en op de beelden te zien is. Hij stelt echter dat hij de persoon is die op de beelden te zien is die om 4.16:01 uur een sigaret opsteekt. Deze man wordt door de politie aangemerkt als verdachte 3, waarbij wordt opgemerkt dat deze lijkt op verdachte 211. De rechtbank stelt echter vast dat de rokende man een smaller gezicht heeft dan verdachte. Verdachte valt juist op door zijn ronde wangen. Verdachte is duidelijk niet “verdachte 3”.

Gelet op het voorgaande in samenhang bezien acht de rechtbank bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij het geweld tegen [slachtoffer 1] .

Alternatief scenario

De rechtbank is van oordeel dat het alternatieve scenario dat door de verdediging is geschetst, inhoudende dat niet de als verdachte aangeduide persoon de snijwond bij [slachtoffer 1] heeft toegebracht, maar degene die met hem op de grond ligt, te weten medeverdachte [medeverdachte] of een andere derde persoon, niet aannemelijk noch geloofwaardig is geworden en is van oordeel dat dit scenario geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen die zich in het strafdossier bevinden.

De vervolgvraag is of de samenwerking tussen de verdachten voldoende intensief is geweest om te kunnen oordelen dat zij het feit in zijn geheel samen hebben gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag positief dient te worden beantwoord en overweegt daartoe het volgende.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van medeplegen sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. In beginsel is sprake van medeplegen indien de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is. Daarbij kan mede in aanmerking worden genomen de intensiteit van de samenwerking de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict, alsmede het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De rechtbank acht in het onderhavige geval sprake van een dergelijke samenwerking.

Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden volgt onder meer dat:

- er een conflict plaatsvindt tussen verdachte en een ander persoon;

- medeverdachte [medeverdachte] iets in het oor fluistert van verdachte en dat beiden wegrennen;

- verdachte daarop terug komt met een wapen in zijn hand, dat hij een dreigende houding

aanneemt en dat hij met dit wapen op een fiets slaat;

- [medeverdachte] terug komt met een lang voorwerp in zijn hand en dat hij daarmee meerdere

dreigende bewegingen maakt richting het slachtoffer;

- verdachte met het wapen op de onderarm van aangever [slachtoffer 2] slaat;

- [medeverdachte] dreigend met een lang voorwerp boven zijn hoofd voor [slachtoffer 2] staat;

- [medeverdachte] , verdachte en een derde persoon weg de steeg inlopen;

- [medeverdachte] terug probeert te lopen naar het café, maar dat verdachte hem mee trekt en dat ze

samen verder van het café aflopen;

- [medeverdachte] in één rechte lijn hard op [slachtoffer 1] afloopt met zijn wapen dreigend boven zijn

hoofd;

- [medeverdachte] vervolgens [slachtoffer 1] aanvalt en dat beiden ten val komen;

- verdachte op [medeverdachte] en [slachtoffer 1] afrent, die op dat moment op de grond liggen, en dat

verdachte met een wapen, dat hij in zijn hand heeft, een hakkende beweging maakt naar

[slachtoffer 1] ;

- [medeverdachte] , verdachte en een derde persoon de steeg inlopen, weg van het café.

De rechtbank is, gelet op wat hiervoor is overwogen, van oordeel dat de handelingen die de verdachte heeft verricht, gericht zijn geweest op een samenwerking met de medeverdachte bij de bewezenverklaarde poging doodslag. Derhalve is sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte bij de poging doodslag.

Opzet

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat geen sprake zou zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin. Vast is komen te staan dat verdachte het slachtoffer, terwijl deze op de grond lag, met grote kracht tot op het bot met een scherp omvangrijk voorwerp in het bovenbeen, ter hoogte van de slagader, heeft geslagen. Naar het oordeel van de rechtbank dient het met grote kracht tot op het bot slaan met een omvangrijk scherp voorwerp in het bovenbeen, ter hoogte van de slagader, te worden gekwalificeerd als poging tot doodslag. Het iemand met grote kracht tot op het bot met een scherp en omvangrijk voorwerp in het bovenbeen, ter hoogte van de slagader, te slaan/snijden, wordt naar de uiterlijke verschijningsvorm gezien als te zijn gericht op het toebrengen van een zodanige verwonding dat de dood het gevolg is. Het slachtoffer is ook daadwerkelijk bijna komen te overlijden. Enkel door adequaat medisch ingrijpen is dit ternauwernood voorkomen.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat sprake is van opzet op de dood van aangever.

De rechtbank is op grond van bovenvermelde van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met zijn mededader schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde poging doodslag van aangever [slachtoffer 1] .

Feit 2 primair

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit op de bewezenverklaarde wijze heeft begaan en baseert zich hierbij op de redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de volgende bewijsmiddelen.

Aangever [slachtoffer 2] heeft, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij die bewuste avond voordat zijn vriend [slachtoffer 1] was neergestoken, twee snijwonden in zijn arm heeft opgelopen. Één snijwond heeft aangever opgelopen bij het eerste incident; de eerste klap. De tweede snijwond heeft aangever opgelopen tijdens het tweede incident op het moment dat hij probeerde tussen de aanvallers en [slachtoffer 1] te komen en een van de aanvallers hem ook aanviel met een mes.12

In het proces-verbaal van bevindingen staat onder meer, zakelijk weergegeven, gerelateerd dat op de camerabeelden te zien is dat aangever, zijn vriend [slachtoffer 1] en [naam] ruzie hebben met verdachte en met medeverdachte [medeverdachte] en een derde persoon. Te zien is dat verdachte en [medeverdachte] iets later terugkomen met wapens in hun handen. Verdachte maakt een opgefokte indruk en [medeverdachte] beweegt vervolgens zijn wapen dreigend omhoog en naar voren in de richting van [slachtoffer 1] . Om 04:16:20 uur is te zien dat aangever [slachtoffer 2] ook bij deze groep komt staan. [medeverdachte] brengt daarop zijn wapen dreigend omhoog en naar voren in de richting van aangever [slachtoffer 2] . Te zien is dat verdachte hierop direct met zijn rechterarm, waarin een wapen te zien is, omhoog beweegt en met kracht uithaalt naar [slachtoffer 2] . Te zien is dat [slachtoffer 2] op zijn linker onderarm wordt geraakt en dat hij meerdere stappen achteruit zet. Om 04:16:30 uur is te zien dat [slachtoffer 2] zijn linkerhand omhoog brengt en met zijn gezicht naar zijn arm kijkt.13

De rechtbank acht aldus bewezen dat verdachte zich jegens aangever schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat geen sprake zou zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin. Vast is komen te staan dat verdachte het slachtoffer met kracht met een scherp voorwerp op zijn onderarm heeft geslagen. Naar het oordeel van de rechtbank dient het met kracht met een scherp voorwerp/mes in de onderarm slaan, te worden gekwalificeerd als poging tot zware mishandeling. Door aldus te handelen wordt de aanmerkelijke kans in het leven geroepen en aanvaard dat het slachtoffer ernstige verwondingen en aldus zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat sprake is van opzet in voorwaardelijke zin, gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 20 augustus 2017 te Tiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven (met kracht) met een mes/zwaard, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans éénmaal in het (boven)been, (ter hoogte van de slagader), althans in het lichaam van die [slachtoffer 1] , heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

Primair

hij op of omstreeks 20 augustus 2017 te Tiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door die [slachtoffer 2] met een mes/zwaard, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans éénmaal in de (onder)arm te steken en/of prikken en/of snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 primair:

poging tot doodslag in vereniging gepleegd;

ten aanzien van feit 2 primair:

poging tot zware mishandeling.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat opgemerkt dat, als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, te weten dat hij jong was op het moment van het incident en dat hij hier alleen in Nederland was zonder zijn familie en zonder enige sociale structuur. De raadsman heeft bepleit om aan verdachte een straf op te leggen conform de LOVS-richtlijnen ten aanzien van een poging tot zware mishandeling, te weten een gevangenisstraf voor de maximale duur van één jaar, waarvan een substantieel deel voorwaardelijk opgelegd moet worden gelet op de leeftijd van verdachte.

Gelet op hetgeen de raadsman bewezen acht en gelet op het feit dat verdachte al vijf maanden in voorarrest heeft gezeten, verzoekt de raadsman om opheffing van de voorlopige hechtenis zodat verdachte zijn veroordeling in vrijheid kan afwachten. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen onder een aantal bijzondere voorwaarden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 16 mei 2018;

- een voorlichtingsrapportage van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gedateerd 3 mei 2018.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door aangever [slachtoffer 1]

opzettelijk met een mes/zwaard/scherp voorwerp in het bovenbeen ter hoogte van zijn slagader

te slaan en dus te snijden. Dat aangever [slachtoffer 1] niet is overleden aan de gevolgen van het

bewezenverklaarde handelen, is een geluk dat buiten de invloedsfeer van verdachte lag en in

ieder geval niet aan hem te danken is. Het had veel slechter met [slachtoffer 1] kunnen aflopen. Dat

blijkt ook uit de medische verklaring waarin te lezen is dat [slachtoffer 1] een slagaderlijke bloeding

heeft opgelopen in zijn bovenbeen en dat hij als gevolg daarvan in een diep comateuze toestand

is geraakt. Hij heeft een levensreddende operatie moeten ondergaan waarbij gevreesd werd dat

zijn been zou moeten worden geamputeerd. De arts beschrijft dat er, mede door fors

bloedverlies een levensbedreigende situatie is ontstaan waarop reanimatie is gestart, gevolgd

door een tweede operatie op dezelfde dag. [slachtoffer 1] heeft een verminderd gevoel in een groot

deel van de huid van zijn been.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging om aangever [slachtoffer 2] zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen door hem met hetzelfde mes/zwaard/scherp voorwerp in zijn

arm te slaan. Verdachte had hierbij belangrijke pezen en/of spieren kunnen doorsnijden met

ernstige gevolgen. Het is niet aan verdachte te danken dat het slachtoffer er relatief goed vanaf is

gekomen.

Deze gewelddadige actie van verdachte heeft grote impact gehad op met name aangever

[slachtoffer 1] , die nog steeds met de (traumatische) gevolgen daarvan wordt geconfronteerd en naar

het zich laat aanzien voor de rest van zijn leven gevolgen daarvan zal blijven ondervinden.

Naast het forse lichamelijke letsel dat hij heeft opgelopen, leert de ervaring dat slachtoffers van

geweldsmisdrijven daarvan ook nog langere tijd psychisch nadelige gevolgen kunnen

ondervinden. Dit soort delicten, waarbij conflicten beslecht worden met excessief geweld

veroorzaken ook in de samenleving gevoelens van onveiligheid en onmacht.

Op feiten als de onderhavige kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging acht geslagen op het advies van de reclassering waaruit is gebleken dat de consult psychiater geen aanleiding zag om psychische- of persoonlijkheidsproblematiek te veronderstellen. Aangezien er geen indicatie aanwezig is voor het inzetten van begeleiding/behandeling en verdachte zelf heeft aangegeven dat hij geen noemenswaardige problemen ondervindt in zijn leven, is de reclassering van mening dat toezicht op bijzondere voorwaarden en directe interventies/behandelingen niet geïndiceerd zijn.

De rechtbank laat ten nadele van verdachte meewegen dat verdachte eerder wegens soortgelijke strafbare (gewelds) feiten met politie en/of justitie in aanraking is geweest en weegt tevens ten nadele mee dat verdachte (ook ter terechtzitting) geen openheid van zaken heeft willen geven over zijn rol in het geheel.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting.

Alles afwegend zal de rechtbank op grond van wat hiervoor is overwogen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar opleggen, met aftrek van de tijd in voorarrest en in verzekering doorgebracht, zoals door de officier van justitie geëist. De rechtbank overweegt dat deze straf recht doet aan de ernst van de feiten en de overige omstandigheden van het geval.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 21.075,--.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot het gevorderde bedrag. De officier van justitie vordert daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, alsmede toewijzing van de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden aangezien op het voegingsformulier niet vermeld is dat deze vordering (ook) geldt in de onderhavige strafzaak. De raadsman heeft verder aangevoerd dat, mocht de rechtbank oordelen dat dit voegingsformulier wel geldt in deze strafzaak, de vordering te laat is ingediend, namelijk na het requisitoir van de officier van justitie. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, mocht de rechtbank deze weg niet volgen, de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden nu deze niet eenvoudig van aard is en de behandeling van de vordering aldus een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Uiterst subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de schadepost ten aanzien van de broek toewijsbaar is, maar dat uit het dossier niet op te maken is dat de schoenen, het hempje, de trui en de boxershort van aangever beschadigd zijn. Ten aanzien van het gederfde loon heeft de raadsman opgemerkt dat deze kosten eveneens niet toewijsbaar zijn aangezien zich in het dossier geen civielrechtelijk bewijs bevindt dat aangever drie weken niet heeft kunnen werken.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman opgemerkt dat deze post ook afgewezen moet worden aangezien niet duidelijk is of sprake is van een eindsituatie voor zowel de lichamelijke als de fysieke klachten en dat eveneens niet duidelijk is of aangever in behandeling is voor zijn psychische klachten. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat immateriële schade wel op zijn plaats is, verzoekt de raadsman de rechtbank in overweging te nemen slechts een deel van de gevorderde immateriële schade toe te wijzen en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel op het voegingsformulier niet is vermeld (door medewerkers van het openbaar ministerie) dat deze vordering ook geldt in de onderhavige strafzaak, zonneklaar is dat het slachtoffer de vordering heeft bedoeld in te dienen in de zaak van degene die hem deze schade heeft toegebracht. , Dit is kennelijk door het openbaar ministerie ook zo begrepen nu zij het slachtoffer ook over de zitting van verdachte heeft ingelicht en hiervoor heeft opgeroepen. Het ontbreken van het parketnummer van deze zaak op het voegingsformulier doet hier niet aan af.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 6.075,-- schade heeft geleden, bestaande uit € 1.075,00 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen. Met betrekking tot de materiële schade merkt de rechtbank het volgende op. De rechtbank gaat er zonder meer vanuit dat de kleding van het slachtoffer onbruikbaar is geraakt door het misdrijf. Ook acht zij de schade ten gevolge van gederfde inkomsten alleszins aannemelijk.

Met betrekking tot immateriële schade zoals bestaand op dit moment, maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

De vordering dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2017.

De rechtbank zal op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen, dat verdachte de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot moord heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 6.075,-- (zesduizend vijfenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2017, en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voornoemd een bedrag te betalen van € 6.075,-- (zesduizend vijfenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2017, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 75 dagen vervangende hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 wijst het verzoek tot opheffing c.q. schorsing van het bevel voorlopige hechtenis af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. Gielissen (voorzitter), mr. C.J.M. van Apeldoorn en mr. H.C. Leemreize, rechters, in tegenwoordigheid van E.T. Vriezekolk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 juli 2018.

Mr. M.F. Gielissen en mr. H.C. Leemreize zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant van de politie Oost Nederland, districtsrecherche Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 20180313.0935.1434, gesloten op 15 maart 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. .

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , pag. 44-46.

4 Proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 1] , pag. 62.

5 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , pag. 44 en 49.

6 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 1] , pag. 56.

7 Letselrapportage, pag. 64j – 64w.

8 Proces-verbaal van bevindingen betreffende het uitlezen van de camerabeelden, pag. 145-155.

9 Proces-verbaal van bevindingen inzake de herkenning van A.A. [verdachte] , pag. 156.

10 Proces-verbaal van bevindingen inzake de herkenning van A.A. [verdachte] , pag. 161.

11 Proces-verbaal pag. 174.

12 Proces-verbaal van aangifte door M. [slachtoffer 2] , pag. 66.

13 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 152.