Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2968

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
05-07-2018
Zaaknummer
05/980543-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor verduistering en witwassen van een bedrag van 19,5 miljoen euro van de Belastingdienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/980543-14

Datum uitspraak : 5 juli 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het functioneel parket

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1959 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

raadsman: mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 2 oktober 2014, 22 september 2016, 30 maart 2017, 23 november 2017, 20 juni 2018 en 21 juni 2018

1 De inhoud van de tenlastelegging

Nadat ter terechtzitting van 30 maart 2017 de tenlastelegging op grond van artikel 314a van het Wetboek van Strafrecht is aangepast en ter terechtzitting van 20 juni 2018 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 mei 2014

tot en met 1 juli 2014 in de gemeente [naam 7] , althans in Nederland, tezamen en

in vereniging met [medeverdachte] , die toen werkzaam was als ambtenaar van de Belastingdienst en die opzettelijk geld of geldwaardig papier,

dat hij in zijn bediening onder zich had, heeft verduisterd of heeft toegelaten

dat het door een ander weggenomen of verduisterd werd,

door het doen van een (onverschuldigde) betaling, van een geldbedrag van

EUR19.500.000, althans van enig geldbedrag ten gunste van [naam BV 1]

en/of [naam BV 2] ;

Althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 mei 2014 tot en met 1 juli 2014 in de gemeente [naam 7] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een geldbedrag van EUR19.500.000, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan de Belastingdienst, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk geldbedrag, althans welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als belastingambtenaar, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 mei 2014 tot en met 1 juli 2014 in de gemeente [naam 7] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een geldbedrag van EUR19.500.000, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de belastingdienst, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geldbedrag, althans welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEEST SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 mei 2014 tot en met 1 juli 2014 in de gemeente [naam 7] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de Belastingdienst heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van EUR19.500.000, althans van enig geldbedrag, in elk geval van enig goed,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) met voren omschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - valselijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

in het belastingsysteem VBN (belastingsysteem dat wordt gebruikt om aanslagen en verminderingen Vennootschapsbelasting te verwerken) een bezwaarscherm aangemaakt met betrekking tot het boekjaar 2012 voor [naam BV 1] ., en als datum binnenkomst van het bezwaarschrift 26 mei 2014 opgevoerd, met code 040 (ambtshalve bezwaar), en/of vervolgens de elementen van de aanslag veranderd door de opdrachtcode 51 (herziening definitief geregeld jaar) in te voeren en bij verrekende dividendbelasting en/of kansspelbelasting EUR19.500.000 ingevuld, hetgeen geleid heeft tot betaling van EUR19.500.000,

waardoor de Belastingdienst werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 mei 2014 tot en met 1 juli 2014, in de gemeente [naam 7] , althans in Nederland en/of Turkije en/of [land] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van EUR19.500.000, althans enig geldbedrag, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp, te weten een geldbedrag van EUR19.500.000, althans enig geldbedrag, was

en/of

(een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van EUR19.500.000, althans enig geldbedrag, voorhanden heeft gehad,

door – zakelijk omschreven onder meer -:

- op of omstreeks 17 juni 2014 in de gemeente [naam 7] , althans in Nederland

en/of in Turkije,

a. op rekening [rekeningnummer 1] , welke rekening gehouden

wordt bij de [bank 1] (Turkije) en/of

b. op rekening [rekeningnummer 2] , welke rekening gehouden

wordt bij de [bank 2] (Turkije),

43, althans een aantal (spoed)overboekingen te laten plaatsvinden / te

doen laten plaatsvinden, waarbij:

ad a. in totaal op voornoemde rekening bij de [bank 1] een bedrag van

EUR10.167.769, althans enig geldbedrag werd bijgeschreven en/of

ad b. in totaal op voornoemde rekening bij de [bank 2] een bedrag van

EUR9.229.800,50, althans enig geldbedrag werd bijgeschreven,

waardoor (telkens) de herkomst van die EUR10.167.769, althans van enig

geldbedrag en/of van die EUR9.229.800,50, althans van enig geldbedrag werd verhuld en/of werd verborgen en/of

werd verhuld wie de rechthebbende is/was van die EUR10.167.769, althans van enig geldbedrag en/of van die EUR9.229.800,50, althans van enig geldbedrag en/of

- op of omstreeks 17 juni 2014 in de gemeente [naam 7] , althans in Nederland

vanaf de [bank 3] rekening ten name van [naam BV 1] , met

rekeningnummer [rekeningnummer 3] , een geldbedrag van EU110.000,

althans enig geldbedrag over te boeken / te (doen) laten overboeken op

rekeningnummer [rekeningnummer 4] te name van [naam 1]

, waardoor de herkomst van die EUR110.000, althans van enig

geldbedrag werd verhuld en/of werd verborgen en/of

werd verhuld wie de rechthebbende is/was van die EUR110.000, althans

van enig geldbedrag en/of

- op of omstreeks 23 juni 2014 in Turkije vanaf rekening [rekeningnummer 2]

, welke rekening gehouden wordt bij de [bank 2]

(Turkije) EUR38.000, althans enig geldbedrag,

contant op te nemen en/of (een deel van) dat opgenomen geld om te

zetten in Turkse Lira’s en/of (een deel van) dat opgenomen geld om te

zetten in goud,

waardoor de herkomst van die EUR38.000, althans van enig geldbedrag

werd verhuld en/of werd verborgen en/of

werd verhuld wie de rechthebbende is/was van die EUR38.000, althans van

enig geldbedrag en/of

- op of omstreeks 24 juni 2014 in Turkije vanaf rekening [rekeningnummer 2]

, welke rekening gehouden wordt bij de [bank 2]

(Turkije) EUR1.300.000 contant op te nemen

en/of (een deel van) dat opgenomen geld om te zetten in Turkse Lira’s en

of (een deel van) dat opgenomen geld om te zetten in goud,

waardoor de herkomst van die EUR1.300.000, althans van enig geldbedrag

werd verhuld en/of werd verborgen en/of

werd verhuld wie de rechthebbende is/was van die EUR1.300.000, althans

van enig geldbedrag,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit het misdrijf;

3.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 mei 2014 tot en met 1 juli 2014 in de gemeente [naam 7] , althans in Nederland en/of Turkije en/of [land] ,

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, te weten [medeverdachte] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] en/of één of meer anderen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, bestaande uit:

- het tezamen en in vereniging plegen van verduistering door een

ambtenaar, strafbaar gesteld in artikel 359 Wetboek van Strafrecht en/of

- het tezamen en in vereniging plegen van verduistering in dienst betrekking,

strafbaar gesteld in artikel 322 Wetboek van Strafrecht en/of

- het tezamen en in vereniging plegen van verduistering, strafbaar gesteld in

artikel 321 Wetboek van Strafrecht en/of

- het tezamen en in vereniging plegen van oplichting, strafbaar gesteld in

artikel 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht en/of

- het tezamen en in vereniging plegen van witwassen, strafbaar gesteld in

artikel 420bis Wetboek van Strafrecht.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 27 mei 2014 heeft [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), als ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst te [naam 7] , tijdens zijn werk een zogenaamd bezwaarscherm, ter afhandeling van een bezwaarschrift, aangemaakt met betrekking tot het boekjaar 2012 voor [naam 5] (hierna [naam 5] ). Als datum van binnenkomst van het bezwaarschrift was 26 mei 2014 ingevoerd. Het betrof een ambtshalve bezwaar. [medeverdachte] heeft vervolgens in het veld ‘verrekende dividendbelasting en/of kansspelbelasting’ een bedrag van € 19.500.000,- ingevoerd.2 Hierdoor ontving [naam 5] een bedrag van € 19.500.000,- aan terug te geven dividendbelasting van de Belastingdienst. Dit bedrag is op 17 juni 2014 om 7.52 uur gestort op de rekening van [naam 6] (hierna: [naam 6] ).3 De terug te geven dividendbelasting voor [naam 5] over 2012 was in werkelijkheid nihil.4

Diezelfde dag is, nadat dit bedrag op de rekening van [naam 6] was binnengekomen, om 9.08 uur een bedrag van € 110.000,- van de bankrekening van [naam 6] overgeboekt naar de bankrekening van [naam 1] . Daarna is, ook op dezelfde dag tussen 9.13 en 10.07 uur, door middel van 41 spoedoverboekingen een bedrag van € 19.398.000,- overgeboekt naar twee bankrekeningnummers in Turkije op naam van [naam 2] . Naar rekening [rekeningnummer 1] , die gehouden wordt bij de [bank 1] (Turkije) werd een bedrag overgeboekt van in totaal € 10.168.000,-. Naar rekening [rekeningnummer 2] , die gehouden wordt bij de [bank 2] (Turkije) werd een bedrag overgeboekt van in totaal € 9.230.000,-. Na aftrek van de voor iedere boeking in rekening gebrachte kosten werd op de [bank 1] een bedrag ontvangen van € 10.167.769,- en op de [bank 2] een bedrag van
€ 9.229.800,50.5

Op 23 en 24 juni 2014 zijn vervolgens vanaf de rekening van de [bank 2] contante opnames gedaan van respectievelijk € 38.000,- en € 1.300.000,-. Op 25 juni 2018 is een bedrag van

€ 1.000.000,- in goud omgezet.6

[naam 5] is enig aandeelhouder en bestuurder van [naam 6] en [naam 7] . (hierna [naam 7] ). [naam 1] is een handelsnaam van [naam 7] . Enig aandeelhouder en bestuurder van [naam 5] is [naam 8] Enig aandeelhouder en bestuurder van [naam 8] is [verdachte] (verdachte).7

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft ter terechtzitting de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een beroep gedaan op de uitspraak van het EHRM in de zaak Vidgen tegen Nederland en betoogd dat de verklaringen die medeverdachte [medeverdachte] heeft afgelegd van het bewijs moeten worden uitgesloten. Volgens de raadsman heeft hij het ondervragingsrecht dat hem op grond van het EVRM toekomt, niet adequaat kunnen uitoefenen. [medeverdachte] heeft zich als getuige op zijn verschoningsrecht beroepen. Daarnaast is door de Turkse autoriteiten niet op juiste wijze uitvoering gegeven aan het rechtshulpverzoek om getuige [naam 2] en anderen, onder wie Turkse bankmedewerkers te horen. Bij die verhoren is de verdediging immers niet aanwezig geweest.

Het stellen van de vraag aan [medeverdachte] , die ter terechtzitting als getuige is gehoord, of hij in zijn eigen strafzaak de waarheid heeft verteld, kan niet als voldoende compensatie worden gezien. Of de inbreuk op het ondervragingsrecht gevolgen moet hebben voor het gebruik van de verklaringen voor het bewijs, dient te worden bezien aan de hand van de ‘sole or decisive’-rule. Volgens de raadsman zijn er buiten de verklaring van [medeverdachte] geen andere voor verdachte belastende verklaringen afgelegd. De verklaring van [medeverdachte] heeft hij niet op betrouwbaarheid kunnen toetsen, aldus de raadsman. Voor enkele kwesties is onvoldoende steunbewijs in het dossier aanwezig. De raadsman meent dat om die reden de verklaringen van [medeverdachte] van het bewijs moeten worden uitgesloten.

De raadsman heeft verder betoogd dat [medeverdachte] verdachte gedurende meerdere jaren heeft lastig gevallen met plannen om op illegale wijze geld van zijn werkgever afhandig te maken. Verdachte is daar steeds niet op ingegaan. [medeverdachte] is dus blijven steken in een poging tot uitlokking wat betreft het medeplegen van fraude c.q. het oplichten van de Belastingdienst. Volgens de raadsman zijn de verklaringen van [medeverdachte] ook niet betrouwbaar. Zijn verklaringen vinden geen steun in de in het onderzoek naar voren gekomen gegevens of in objectieve feitelijke gegevens. Ook zijn de verklaringen van [medeverdachte] op cruciale punten niet consistent en heeft hij een motief om te verklaren zoals hij heeft gedaan. De raadsman meent dat de verklaringen van [medeverdachte] ook daarom terzijde moeten worden geschoven.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman verder naar voren gebracht dat, los van de verklaring van [medeverdachte] , niet blijkt van een taakverdeling. Datzelfde geldt voor de vermeende rol van verdachte bij de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict. Verdachte was op de belangrijke momenten niet aanwezig. De raadsman concludeert dat voor geen van de ten laste gelegde medepleegvarianten voldoende wettig en overtuigend bewijs is.

Wat betreft feit 2 heeft de raadsman betoogd dat met betrekking tot de aan de banken in Turkije overgemaakte bedragen geen sprake is van verhullen en/of verbergen. De bedragen zijn eenvoudig te traceren. Datzelfde geldt voor het bedrag van € 110.000,- dat is overgeschreven op de rekening van [naam 1] . Wel zijn de opnames van € 38.000,- en € 1.300.000,- verborgen. Er is daarbij echter geen sprake van medeplegen en verdachte heeft hierop geen invloed gehad, zodat verdachte ook van feit 2 dient te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsman betoogd dat niet valt in te zien hoe verdachte als deelnemer kan hebben bijgedragen aan het oogmerk van de organisatie, zonder dat hij betrokken was bij de aan de organisatie toegeschreven strafbare feiten.

Beoordeling door de rechtbank

“Vidgen”-verweer

De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen die [medeverdachte] heeft afgelegd van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat hij het ondervragingsrecht dat hem op grond van het EVRM toekomt, niet adequaat heeft kunnen uitoefenen.

Op grond van art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM heeft de verdediging het recht op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding daadwerkelijk te (doen) ondervragen. Of in het concrete geval zo een ondervragingsmogelijkheid bestaat, is mede afhankelijk van de omstandigheden waaronder en de wijze waarop de ondervraging van de getuige plaatsvindt. In het algemeen geldt dat de verdediging een zodanige mogelijkheid tot het (doen) stellen van vragen aan de getuige moet worden geboden dat zij daarmee in staat is de oprechtheid en de geloofwaardigheid van een door de getuige afgelegde verklaring – daaronder begrepen een verklaring die eerder tijdens het vooronderzoek en buiten de aanwezigheid van de verdediging is afgelegd – te toetsen en aan te vechten. Waar het gaat om de effectiviteit van de ondervragingsmogelijkheid, komt mede betekenis toe aan het bestaan en het toepassen van wettelijke voorschriften en procedures die beogen te bevorderen dat de getuige de gestelde vragen (naar waarheid) beantwoordt, waaronder de voorschriften betreffende de verplichting om bij het verhoor te verschijnen en (de mogelijkheid van) het beëdigen dan wel aanmanen van de getuige.

In de situatie dat de getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoont en de getuige dientengevolge weigert antwoord te geven op de vragen die de verdediging hem stelt of doet stellen, ontbreekt een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging (vgl. HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145).

De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van een effectieve ondervragingsmogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte] zowel bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting van 20 juni 2018 is gehoord als getuige in de zaak van verdachte en dat hij zich hoofdzakelijk heeft beroepen op zijn verschoningsrecht. Dit staat echter niet in de weg aan het gebruik van zijn verklaringen voor het bewijs. Uit de navolgende overwegingen met betrekking tot het bewijs volgt namelijk dat de betrokkenheid van verdachte niet in beslissende mate op de verklaringen van [medeverdachte] is gebaseerd, maar in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dat dit steunbewijs betrekking heeft op onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte] die door de verdachte zijn betwist.

Gelet hierop verwerpt de rechtbank het verweer.

Ten aanzien van feit 1

Medeverdachte [medeverdachte] heeft het volgende verklaard.

Hij was uit onvrede over zijn werkomstandigheden op het idee gekomen om de Belastingdienst op te lichten, maar kon het geld niet op zijn eigen rekening laten storten, omdat dat een particuliere rekening is en de bank dan zou gaan “fluiten”. Hij had een rekening van een bedrijf nodig. Hij is in mei 2014 naar verdachte gegaan. Hij wist dat verdachte beschikte over een banknummer voor teruggaven. Hij heeft verdachte van zijn idee verteld en precies uitgelegd hoe hij het wilde doen, inclusief het bedrag. Verdachte zei dat hij mee zou doen. [medeverdachte] had met verdachte afgesproken dat ze alle twee de helft zouden krijgen.8 Hij had verdachte gevraagd waar het geld heen moest. Verdachte gaf aan naar [naam 5] .

Het gesprek met verdachte was bij café [naam 9] . Er was nog een gozer, die heette [naam 10] (de rechtbank begrijpt [naam 2] ), die was er door verdachte bij gehaald. [naam 10] moest van verdachte zorgen voor het verdwijnen van het geld. Het geld moest in drieën worden gedeeld. [naam 10] zou ervoor zorgen dat het in Turkije kwam. Verdachte had gezegd dat [naam 10] dat wel wist te regelen.9

[medeverdachte] is op 28 mei 2014 bij verdachte langsgegaan om te zeggen dat het was gelukt.10

De verklaring van [medeverdachte] wordt ondersteund door de volgende bewijsmiddelen.

Uit een telefoongesprek tussen verdachte en de Rabobank (mevrouw [naam 11] ) op 28 mei 2014 blijkt dat verdachte vragen heeft over de overboekingslimiet op de bankrekening. Hij vraagt de bankmedewerkster bij wie hij moet zijn voor een pasje waarmee hij bijvoorbeeld
€ 60.000,- of € 100.000,- kan overmaken. De bankmedewerkster zegt dat ze moet kijken welke limiet is ingesteld en vraagt over welke rekening hij het dan heeft, [naam 6] of [naam 7] . Verdachte zegt dat het niet uitmaakt, allebei of [naam 5] . De bankmedewerkster legt uit hoe verdachte de limiet kan wijzigen naar maximaal 5 ton. Verdachte vraagt vervolgens hoeveel keer hij 5 ton kan overmaken. De bankmedewerkster zegt dat per keer 5 ton kan worden overgemaakt. Verdachte zegt dat hij genoeg weet en bedankt de bankmedewerkster.11

Dit gesprek met de Rabobank heeft plaatsgevonden één dag nadat [medeverdachte] de negatieve aanslag voor [naam 5] in het systeem van de Belastingdienst heeft gemuteerd en op de dag die door [medeverdachte] wordt genoemd als de dag dat hij tegen verdachte heeft gezegd dat het “was gelukt”.

Op 3 juni 2014 wordt de Rabobank gebeld door verdachtes schoonzus [naam 12] die zegt namens Grieks restaurant [naam 13] te bellen. [naam 12] zegt dat verdachte de limiet voor overboeken wil verhogen naar 1 of 2 miljoen. De bankmedewerkster helpt in dit gesprek [naam 12] om de limiet te verhogen naar het maximumbedrag van € 500.000,-. [naam 12] vraagt hierna ook nog hoe vaak een overboeking van € 500.000,- kan worden gedaan.12

[naam 14] , de echtgenote van verdachte en zus van [naam 12] , heeft verklaard dat zij niet gelooft dat [naam 12] uit zichzelf zou vragen hoe de limiet moet worden verhoogd. Zij deed dit in opdracht van verdachte. Verdachte had eerder tegen [naam 14] gezegd dat zij het niet goed had gedaan toen zijzelf aan de medewerkster van de Rabobank had gevraagd hoe de limiet te verhogen.13 Ook dit gesprek is gevoerd ruim vóór het moment dat het bedrag is bijgeschreven op de rekening van [naam 6] .

Verdachte heeft verklaard dat hij uitgebreid met zijn schoonzus over limieten heeft gesproken en dat hij meent dat zij naar de bank heeft gebeld om de limiet op te hogen.14 De reden zou zijn dat verdachte de belangen behartigde van zijn overleden broer en daarvoor panden van zijn broer moest verkopen. De opbrengsten van die panden zouden via de bankrekeningen van verdachte lopen.

De rechtbank acht die verklaring niet geloofwaardig. De politie heeft een gesprek gevoerd met een aantal betrokkenen bij de erfenis van verdachtes broer, waaronder diens weduwe. Uit dat gesprek bleek dat verdachte weliswaar vier panden van zijn broer zou verkopen, maar dat met de opbrengst de hypotheek op die vier panden, die tussen de € 800.000,- en € 900.000,- bedraagt, zou worden afgelost. In de panden zat geen overwaarde. Met verdachte waren geen afspraken gemaakt om de opbrengst via zijn bankrekening te laten lopen. Verdachte kende de financiële situatie van de familie en wist van de hypothecaire schuld. Hij was namelijk aanwezig toen dit alles werd besproken.15 Daar komt bij dat bij de verkoop van onroerend goed de opbrengst via de notaris loopt. Verdachte wist dit, want bij de verkoop van zijn pand [adres 2] is de opbrengst via de notaris gegaan.16

De rechtbank wijst het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om stukken omtrent de erfenis van de broer van verdachte aan het dossier toe te voegen af. De verdediging heeft hiervoor vier jaar de tijd gehad en er is geen begin van onderbouwing door de verdediging aangeleverd, inhoudende dat verdachte daadwerkelijk met deze erfenis en de afwikkeling daarvan bezig zou zijn, en dat daarmee grote geldbedragen zijn gemoeid.

Zoals eerder vastgesteld is op 17 juni 2014 om 7.52 uur het bedrag van € 19.500.000,- op de rekening van [naam 6] gestort, en wordt op diezelfde dag om 9.08 uur een bedrag van € 110.000,- overgeboekt naar een andere rekening van een bedrijf van verdachte, namelijk van [naam 7] . Vijf minuten later is begonnen met het doorsluizen van het geld naar Turkije. Voor dat doorsluizen zijn 54 minutenlang handelingen uitgevoerd vanaf de bankrekening van [naam 6] .

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij op vrijdagavond of zaterdag direct na zijn bezoek aan Turkije, nog naar verdachte is gegaan. Hij heeft daar met verdachte gesproken en die was verbaasd dat hij weer terug was. Hij heeft verdachte verteld wat er gebeurd was. Verdachte vroeg hem waar het geld was en [medeverdachte] zei dat het dáár was. Hij bedoelde daarmee de bank in Turkije. Verdachte reageerde in de zin van: dus het is niet teruggekomen. Daarna heeft [medeverdachte] geen contact meer gehad met verdachte.17 De rechtbank constateert dat in deze verklaring met vrijdagavond 20 juni 2014 wordt bedoeld en de zaterdag 21 juni 2014.

Op 21 juni 2014 heeft verdachte zijn boekhouder gebeld en de voicemail ingesproken dat hij een probleem had, zo is verklaard door getuige [naam 15] , vestigingsdirecteur bij [naam 16] . Op 24 juni 2014 sprak [naam 15] verdachte. Verdachte zei dat hij op vrijdag 20 juni 2014 de bijschrijving van 19,5 miljoen had geconstateerd bij het internetbankieren. Verdachte zei dat zijn zwager het geld had overgeboekt naar een Turkse rekening.18

Volgens verdachte heeft hij op 20 juni 2014 van zijn echtgenote gehoord dat het bedrag van

€ 19.500.000,- op zijn rekening stond. Die verklaring is echter niet geloofwaardig, nu uit de inloggegevens van de Rabobank blijkt dat er tussen 17 juni 2014 en 24 juni 2014 niet is ingelogd op de rekening van [naam 6] .19 Bovendien heeft de echtgenote van verdachte verklaard op 20 juni 2014 nog niet van dat bedrag op de hoogte te zijn geweest. Zij hoorde er pas van nadat de Rabobank hen had gebeld.20 Getuige [naam 17] heeft verklaard dat de Rabobank pas op 23 juni 2014 verdachte heeft gebeld, maar hem niet kon bereiken. Wel werd [naam 14] bereikt en gevraagd naar verdachte. Uiteindelijk heeft [naam 17] verdachte pas op 24 juni 2014 te spreken gekregen.21

Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat verdachte niet door het bekijken van zijn bankrekening op de hoogte is geraakt van het overgeboekte bedrag van 19,5 miljoen euro en het doorboeken van het geld naar Turkije. Hij heeft immers zelf op 21 juni 2014 zijn boekhouder gebeld met de mededeling dat hij een probleem had, terwijl er toen, sinds het overboeken van het geld naar Turkije, niet op de rekening was ingelogd. Dit komt overeen met de verklaring van [medeverdachte] , dat hij op 20 of 21 juni bij verdachte is geweest om te vertellen wat er met het geld in Turkije is gebeurd. Volgens de rechtbank is dat het moment geweest dat verdachte heeft besloten om contact op te nemen met zijn boekhouder, omdat hij een probleem had.

Bovenstaande gebeurtenissen en het tijdspad waarin zij hebben plaatsgevonden komen in grote lijnen overeen met de verklaring van [medeverdachte] . De rechtbank acht diens verklaring dan ook geloofwaardig.

De rechtbank dient te beoordelen hoe het handelen van verdachte dient te worden gekwalificeerd. Zij overweegt daartoe als volgt.

Van verduistering in de zin van artikel 359 van het Wetboek van Strafrecht is sprake bij onttrekking van gelden aan de bestemming van die gelden. Het hoeft daarbij niet te gaan om wederrechtelijke toe-eigening.

De rechtbank overweegt op grond van de vaststaande feiten en de bewijsmiddelen dat [medeverdachte] een geldbedrag van € 19.500.000,-, dat hij als ambtenaar van de Belastingdienst onder zich had, en dat toebehoorde aan die Belastingdienst, heeft onttrokken aan de bestemming van dat geld. Gelden die aan de Belastingdienst toebehoren zijn immers bestemd voor de Nederlandse Staat, of voor betaling aan (rechts)personen die op grond van een teruggave of anderszins recht hebben op die gelden. [medeverdachte] heeft ervoor gezorgd dat een negatieve aanslag werd opgelegd aan [naam 5] en dat het bedrag van € 19.500.000,- werd gestort op de rekening van [naam 6] . [medeverdachte] had door zijn functie toegang tot het systeem en kon ook op grond van zijn functie bewerkstelligen dat een negatieve aanslag zou worden opgelegd, waarna een uitbetaling zou volgen. Daarmee is sprake van het ‘in zijn bediening onder zich hebben’ zoals bedoeld in artikel 359 Sr.

Verdachte is door [medeverdachte] betrokken in zijn plan, heeft met [medeverdachte] de methode besproken, heeft [naam 2] erbij gehaald en heeft zijn ondernemingen en bankrekeningen ter beschikking gesteld om het geld uiteindelijk naar Turkije weg te sluizen. Er was dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] , verdachte en een of meer anderen bij het plegen van het feit.

De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van het primair ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 2

[medeverdachte] heeft verklaard dat [naam 2] er door verdachte bij is gehaald en dat deze zou zorgen voor het verdwijnen van het geld. [naam 2] zou regelen dat het geld in Turkije kwam.22

[naam 2] is naar aanleiding van een rechtshulpverzoek in Turkije gehoord. Hij heeft met betrekking tot het overgeboekte bedrag verklaard dat het bedrag van € 19.500.000,- geld betreft dat verdachte, zijn zwager, heeft ontvangen uit de verkoop van onroerende goederen van zijn broer. [naam 2] had een vordering op verdachte in verband met (contant) door hem aan verdachte geleend geld tot een bedrag van € 9.400.000,-. Daarnaast zou [naam 2] nog € 10.000.000,- van verdachte krijgen om te investeren. Verdachte heeft daarom € 19.400.000,- overgemaakt op Turkse bankrekeningen (proces-verbaal van verhoor [naam 2] d.d. 6 augustus 2015). De rechtbank vindt de door [naam 2] afgelegde verklaring niet geloofwaardig. De verklaring vindt geen steun in de rest van het dossier en is niet met stukken onderbouwd. Er is geen begin van aannemelijkheid dat [naam 2] en verdachte samen zaken zouden gaan doen in Turkije.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich dan ook samen met anderen schuldig gemaakt aan witwassen van geldbedragen. Verdachte heeft van tevoren al met [medeverdachte] en [naam 2] besproken dat het geld van de Belastingdienst naar Turkije zou worden weggesluisd.

Nadat het geld op de rekening van [naam 6] was binnengekomen, is het binnen een uur in 41 delen naar twee rekeningen in Turkije overgemaakt. Daarna zou het geld worden verdeeld.

Gelet op de werkwijze van verdachte en zijn medeverdachten, waarbij:

  • -

    verdachte betrokken was bij het plan om het geld weg te sluizen naar Turkije;

  • -

    hij daartoe zijn ondernemingen en de bankrekeningen daarvoor ter beschikking heeft gesteld;

  • -

    vanaf de bankrekening van verdachtes onderneming een bedrag van € 10.167.769,- is bijgeboekt op de rekening van [naam 2] bij de [bank 1] ;

  • -

    vanaf de bankrekening van verdachtes onderneming een bedrag van € 9.229.800,50 is bijgeboekt op de rekening van [naam 2] bij de [bank 2] ;

  • -

    een bedrag van € 110.000,- is bijgeboekt op de rekening van [naam 1] / [naam 7] ;

  • -

    het de bedoeling was het geld na het wegsluizen naar Turkije te verdelen,

is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, zodat medeplegen van witwassen kan worden bewezen.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de in Turkije van de rekening van [naam 2] opgenomen bedragen van € 38.000,- en € 1.300.000,- euro heeft witgewassen. Niet is gebleken dat verdachte wetenschap had van die opnames.

Ten aanzien van feit 3:

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte feit 3 heeft gepleegd.

Onder een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht wordt verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen verdachte en ten minste één andere persoon. Een criminele organisatie kan een los verband zijn van reeds lang met elkaar samenwerkende personen die telkens hetzelfde type misdrijven plegen, maar ook een zeer gestructureerde, maar relatief kort geleden gevormde groep van personen die het plegen van uiteenlopende misdrijven tot doel hebben.

In deze zaak ontbreekt zowel de duurzaamheid als de structuur. Feitelijk was er slechts sprake van één feitencomplex, gepleegd door een gelegenheidsformatie die tamelijk ongestructureerd te werk ging.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 mei 2014 tot en met 1 juli 2014 in de gemeente [naam 7] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , die toen werkzaam was als ambtenaar van de Belastingdienst, en die opzettelijk geld of geldwaardig papier, dat die [medeverdachte] hij in zijn bediening onder zich had, heeft verduisterd of heeft toegelaten dat het door een ander weggenomen of verduisterd werd, door het doen van een (onverschuldigde) betaling, van een geldbedrag van EUR 19.500.000, althans van enig geldbedrag ten gunste van [naam BV 1] en/of [naam BV 2] ;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 mei 2014 tot en met 1 juli 2014, in de gemeente [naam 7] , althans in Nederland en/of Turkije en/of [land], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van EUR 19.500.000, althans enig geldbedrag, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp, te weten een geldbedrag van EUR 19.500.000, althans enig geldbedrag, was en/of (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van EUR 19.500.000, althans enig geldbedrag, voorhanden heeft gehad,

door – zakelijk omschreven onder meer –:

- op of omstreeks 17 juni 2014 in de gemeente [naam 7] , althans in Nederland en/of in Turkije,

a. op rekening [rekeningnummer 1] , welke rekening gehouden wordt bij de
[bank 1] (Turkije) en/of

b. op rekening [rekeningnummer 2] , welke rekening gehouden wordt bij de
[bank 2] (Turkije),

43, althans een aantal (spoed)overboekingen te laten plaatsvinden / te doen laten plaatsvinden,
waarbij:

ad a. in totaal op voornoemde rekening bij de [bank 1] een bedrag van EUR 10.167.769,
althans enig geldbedrag werd bijgeschreven en/of

ad b. in totaal op voornoemde rekening bij de [bank 2] een bedrag van EUR 9.229.800,50, althans
enig geldbedrag werd bijgeschreven,

waardoor (telkens) de herkomst van die EUR 10.167.769, althans van enig geldbedrag en/of van die EUR 9.229.800,50, althans van enig geldbedrag werd verhuld en/of werd verborgen en/of werd verhuld wie de rechthebbende is/was van die EUR 10.167.769, althans van enig geldbedrag en/of van die EUR 9.229.800,50, althans van enig geldbedrag en/of

- op of omstreeks 17 juni 2014 in de gemeente [naam 7] , althans in Nederland vanaf de Rabo

Bank rekening ten name van [naam BV 1], met rekeningnummer

NL20RABO0375418601, een geldbedrag van EU 110.000, althans enig geldbedrag over te

boeken / te (doen) laten overboeken op rekeningnummer [rekeningnummer 4] ten name

van [naam 1] , waardoor de herkomst van die EUR 110.000, althans van enig

geldbedrag werd verhuld en/of werd verborgen en/of werd verhuld wie de rechthebbende

is/was van die EUR110.000, althans van enig geldbedrag en/of

- op of omstreeks 23 juni 2014 in Turkije vanaf rekening TR970006400000214550001508,

welke rekening gehouden wordt bij de [bank 2]

(Turkije) EUR38.000, althans enig geldbedrag, contant op te nemen en/of (een deel van) dat

opgenomen geld om te zetten in Turkse Lira’s en/of (een deel van) dat opgenomen geld om te

zetten in goud, waardoor de herkomst van die EUR38.000, althans van enig geldbedrag

werd verhuld en/of werd verborgen en/of werd verhuld wie de rechthebbende is/was van die

EUR38.000, althans van enig geldbedrag en/of

- op of omstreeks 24 juni 2014 in Turkije vanaf rekening TR970006400000214550001508,

welke rekening gehouden wordt bij de [bank 2]

(Turkije) EUR1.300.000 contant op te nemen en/of (een deel van) dat opgenomen geld om te

zetten in Turkse Lira’s en of (een deel van) dat opgenomen geld om te zetten in goud,

waardoor de herkomst van die EUR1.300.000, althans van enig geldbedrag werd verhuld en/of

werd verborgen en/of werd verhuld wie de rechthebbende is/was van die EUR1.300.000,

althans van enig geldbedrag,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit het misdrijf.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair:

Medeplegen van als ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduisteren;

Feit 2:

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de redelijke termijn is overschrijden met ongeveer twee jaren, althans met in ieder geval meer dan twaalf maanden. De lange duur van de overschrijding is niet aan de verdediging te wijten. Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, dient dit te leiden tot een strafvermindering met meer dan 10%. De raadsman heeft verder verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft naar voren gebracht dat verdachte zijn panden heeft moeten verkopen. Hij huurt nu de panden, waarvan de huur hoog is. Op de panden van verdachte in [land] ligt beslag. Het gaat financieel niet goed met verdachte en door deze strafzaak is de familie uit elkaar gevallen.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan verduistering van 19,5 miljoen euro van de Belastingdienst. Samen met een van de medeverdachten heeft hij plannen gesmeed om een groot bedrag geld van de Belastingdienst over te laten maken op het rekeningnummer van één van zijn bedrijven. Deze medeverdachte was werkzaam bij de Belastingdienst en kon vanuit zijn functie beschikken over het geld van de Belastingdienst. Nadat het geld op de rekening van één van de bedrijven van verdachte was gestort, hebben verdachte en zijn mededaders het geld direct weggesluisd naar twee rekeningnummers van een zwager van verdachte in Turkije. Ook is een bedrag overgeboekt naar een ander bedrijf van verdachte. De Nederlandse Staat is in een langdurige civiele procedure verwikkeld om het geld waarop beslag is gelegd in Turkije terug te krijgen. Het is nog maar de vraag of dit geld ooit weer terugkomt bij de Belastingdienst.

Verdachte en zijn mededaders handelden puur uit financieel gewin. Door hun handelen hebben zij op grove wijze misbruik gemaakt van de positie die de medeverdachte bij de Belastingdienst had. Zij hebben het adequaat functioneren van de Belastingdienst schade toegebracht. Daarbij is niet alleen de Belastingdienst financieel benadeeld, maar ook de Nederlandse Staat en daarmee alle belastingplichtigen. Aan de Belastingdienst is ook imagoschade toegebracht. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat medewerkers van een overheidsinstantie zorgvuldig en integer handelen. Verdachte en zijn mededaders hebben door hun handelen het vertrouwen dat burgers in de Belastingdienst hebben beschaamd.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 18 mei 2018 blijkt, dat verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft. De rechtbank zal gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening houden met het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 22 januari 2016.

De rechtbank zal verder rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de overschrijding echter grotendeels is te wijten aan de verdediging. De raadsman heeft immers steeds verzocht om nader onderzoek. De rechtbank merkt daarbij op dat bij pleidooi op geen enkele wijze is ingegaan op informatie verkregen uit de rechtshulpverzoeken. De laatste zeven maanden van de ontstane vertraging zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aan de verdediging toe te rekenen. Daarmee houdt de rechtbank in het bijzonder rekening.

Rekening houdend met de aard en de ernst van de feiten en mede in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf passend is. Gezien de hoogte van het verduisterde bedrag zal dit een gevangenisstraf van aanzienlijke duur zijn. De rechtbank vindt een gevangenisstraf van 48 maanden recht doen aan de ernst van de feiten. Rekening houdend met het feit dat de overschrijding van de redelijke termijn grotendeels aan verdachte kan worden toegerekend, zal de rechtbank 2 maanden in mindering brengen, waardoor de gevangenisstraf zal worden bepaald op 46 maanden. Dat is een hogere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank vindt in de vordering van de officier van justitie de ernst van de feiten en de rol die verdachte daarin heeft gespeeld onvoldoende tot uitdrukking gebracht.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57, 63, 359 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 3 ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 (zesenveertig) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw (voorzitter), mr. J.M. Klep en mr. S.H. Keijzer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen en mr. C.C.M. Althoff, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 juli 2018.

Mr. Baauw is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam 18] van de FIOD opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 54955, opgemaakt op 18 november 2014 (onderzoek [naam 19] ) en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , p. 2124-2125; Proces-verbaal Beschrijving processen, p. 427; Uitdraai Vermindering Definitieve aanslag, p. 706.

3 BOB-009, p. 673 t/m 683, D-002, rekeningafschriften Rabobank, p. 2232 t/m 2235.

4 D-013, samenvatting bij aangifte vennootschapsbelasting 2012, p. 2328.

5 Emailbericht van Belastingdienst met uitdraai gegevens, p. 680-681, 683; rekeningafschriften Rabobank, p. 2232 t/m 2235.

6 Proces-verbaal informatie rijksadvocaat, p. 447

7 Uittreksels handelsregister Kamer van Koophandel, p. 2486, 2487, 2490-2491, 2495-2496 en 2498-2499.

8 Processen-verbaal van verhoor [medeverdachte] , p. 2131, 2136, 2156.

9 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , p. 2136-2137

10 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , p. 2131.

11 Proces-verbaal Gesprekken Rabobank, p. 272; Proces-verbaal telefoongesprekken, p. 116-117.

12 Proces-verbaal telefoongesprekken, p. 121-124;

13 Proces-verbaal van verhoor D. [naam 12] , p. 2101.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 2068

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 333.

16 Nota van afrekening, p. 2461-2470

17 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , p. 2138.

18 G-002-1, proces-verbaal van verhoor [naam 15] , p. 2180-2181.

19 Proces-verbaal inloggegevens Rabobank, p. 451.

20 Proces-verbaal van verhoor D. [naam 12] , p. 2103.

21 Proces-verbaal van verhoor [naam 20] , p. 2185.

22 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte] , p. 2136.