Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2914

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 142
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Participatiewet. Intrekking en (mede)terugvordering in verband met gezamenlijke huishouding. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat eisers in periode 1 een gezamenlijke huishouding voerden. Aangezien eiser niet betwist in periode 1 over middelen te hebben beschikt en dit niet heeft gemeld heeft verweerder de bijstand over periode 1 terecht ingetrokken. Over periode 2 heeft verweerder de verkeerde wettelijke maatstaf gehanteerd, aangezien eisers op 14 september 2014 zijn getrouwd. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb en heeft over periode 2 geoordeeld dat is voldaan aan het criterium duurzaam gescheiden leven. Verweerder heeft de over periode 2 aan eiser verstrekte bijstand terecht van zowel eiser als eiseres teruggevorderd. Omdat verweerder echter niet aannemelijk heeft gemaakt dat eisers in periode 1 een gezamenlijke huishouding voerden, kan verweerder over periode 1 de aan eiser verstrekte bijstand niet van eiseres terugvorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: 18/142 en 18/143

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2018

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats 1] , eiser,

[eiseres] , te [woonplaats 2] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.E.J. Janzing),

tezamen te noemend: eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen te Wijchen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder de bijstand van eiser vanaf 14 maart 2011 ingetrokken.

Bij besluit van 25 april 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 14 maart 2011 tot en met 31 augustus 2016 tot een bedrag van € 70.379,07 van eiser teruggevorderd. Bij dit besluit heeft verweerder dit bedrag mede van eiseres teruggevorderd.

Bij afzonderlijke besluiten van 29 november 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de door eisers afzonderlijk gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen de bestreden besluiten hebben eisers afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep van eiser is geregistreerd onder nummer 18/142 en het beroep van eiseres is geregistreerd onder nummer 18/143.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 19 juni 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Puin.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1.

Eiser ontving sinds 14 maart 2011 bijstand, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser en eiseres hadden een relatie en zijn op 14 september 2014 in Las Vegas met elkaar getrouwd. Eiseres woont op het adres [adres 1] in [woonplaats 2] . Eiser stond in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een gegevensuitwisseling door de politie Limburg, alsmede een anonieme melding op 4 augustus 2015, is het Instituut Bijzonder Onderzoek (IBO) een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan eiser verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 januari 2017. Deze bevindingen zijn voor verweerder aanleiding geweest om de bij het procesverloop genoemde besluiten te nemen.

2. Aan de besluitvorming heeft verweerder primair ten grondslag gelegd dat eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet aan verweerder te melden dat hij een gezamenlijke huishouding voert met eiseres. Als gevolg hiervan heeft verweerder aan eiser ten onrechte bijstand verstrekt. Gelet daarop is de bijstand van eiser ingetrokken en zijn de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van eiser teruggevorderd en mede van eiseres teruggevorderd. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet aan verweerder te melden dat hij over middelen afkomstig uit handelsactiviteiten heeft beschikt.

3. Eisers kunnen zich niet verenigen met de bestreden besluiten. Volgens eisers voeren zij geen gezamenlijke huishouding. Eisers betwisten niet dat er sprake is van wederzijdse zorg, maar wel dat er sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf.

Intrekking

4. De rechtbank stelt vast dat de beoordelingsperiode voor de intrekking van de bijstand loopt van 14 maart 2011 (ingangsdatum intrekking) tot en met 20 april 2017 (datum primaire besluit I). Aangezien eiser echter ter zitting heeft aangegeven dat hij niet betwist dat hij geen recht heeft op bijstand na 31 augustus 2016 zal de rechtbank zich bij de beoordeling beperken tot de periode van 14 maart 2011 tot en met 31 augustus 2016.

5. De rechtbank overweegt dat er sprake is van een voor eiser belastend besluit. Daarom ligt het op de weg van verweerder de nodige feiten te verzamelen op basis waarvan aannemelijk is dat eiser heeft nagelaten aan verweerder relevante informatie over zijn leefsituatie te verstrekken.

6. De rechtbank ziet aanleiding de periode waarover de bijstand van eiser is ingetrokken te verdelen in twee stukken, te weten de periode van 14 maart 2011 tot 14 september 2014 en de periode van 14 september 2014 tot en met 31 augustus 2016. In de eerste periode waren eisers nog niet met elkaar getrouwd. In de tweede periode wel.

De periode van 14 maart 2011 tot 14 september 2014

7.1.

In de Pw worden mensen die niet met elkaar zijn getrouwd toch beschouwd als getrouwd als zij een gezamenlijke huishouding voeren. Er is sprake van een gezamenlijke huishouding als twee mensen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en laten zien dat ze voor elkaar zorgen door bijvoorbeeld mee te betalen aan de kosten van de huishouding of samen het werk te doen dat in de huishouding gedaan moet worden. Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft is bepalend waar hij het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven heeft, anders gezegd: waar hij feitelijk woont. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

7.2.

Niet in geschil is dat eisers in de periode van 14 maart 2011 tot 14 september 2014 er blijk van hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Het geschil spitst zich daarom toe op de vraag of is voldaan aan het criterium van het gezamenlijk hoofdverblijf. Eisers stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen in de brp ingeschreven. Dat neemt echter niet weg dat eiseres hun hoofdverblijf toch in dezelfde woning kunnen hebben. Verweerder zal dus aannemelijk moeten maken dat beiden feitelijk op hetzelfde adres wonen.

7.3.

Volgens verweerder had eiser in de betreffende periode zijn hoofdverblijf op het adres van eiseres in Wijchen. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op de getuigenverklaringen van buurtbewoners A.N.G.J. Jansen en J.M.F. van Gemert en het feit dat advertenties van eiser op Marktplaats in de periode van 28 oktober 2012 tot en 14 maart 2015 waren gelinkt aan de postcode van de [adres 1] en eiser, gelet op de verklaring van de verhuurder van de kamer op het brp-adres van eiser [naam 1] , zeer waarschijnlijk niet woonde op het uitkeringsadres.

7.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in de periode van 14 maart 2011 tot 14 september 2014 zijn hoofdverblijf had aan de [adres 1] in [woonplaats 2] .

De twee buurtbewoners [naam 2] en [naam 3] hebben ieder afzonderlijk verklaard dat eiser ongeveer 5 tot 6 jaar geleden bij eiseres is komen wonen. Zoals de getuigen het zien wonen er aan de [adres 1] drie personen: eiser, eiseres en de zoon van eiseres. Uit deze verklaringen blijkt echter niet waarop de buurtbewoners hun conclusies hebben gebaseerd. De verklaring van de bewoner [naam 4] dat hij eiser nog wel eens sprak, eiser de honden uitlaat, komt en gaat en een sleutel heeft van de woning, is niet voldoende concreet en specifiek om te leiden tot de conclusie dat eiser daar zijn hoofdverblijf had. Ook de verklaring van [naam 3] dat eiser zich destijds heeft voorgesteld en rijdt in een Audi station en een Volkswagen Caddy is niet toereikend. Uit de verklaringen blijkt niet wanneer en hoe vaak de buurtbewoners eiser hebben gezien. Evenmin blijkt uit de verklaringen waarop deze getuigen hun wetenschap baseren. Eiser heeft aangevoerd dat hij regelmatig in de woning van eiseres was en daar ook wel overnachtte, zodat aannemelijk is dat de buurtbewoners hem regelmatig hebben gezien en ook zijn auto hebben gezien. Dit betekent echter nog niet dat hij daar zijn hoofdverblijf had. Hoewel voormelde verklaringen een indicatie geven van de indruk die eiser op buurtbewoners heeft gemaakt, bieden zij geen toereikende onderbouwing van het standpunt van verweerder

Ook de omstandigheden dat de advertenties van eiser op Marktplaats in de betreffende periode waren gelinkt aan de postcode van de [adres 1] en [naam 1] heeft verklaard dat eiser niet op het uitkeringsadres woonde, zijn onvoldoende om aan te nemen dat eiser daar zijn hoofdverblijf had. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het weliswaar van belang is om te weten waar eiser niet woonde, maar dat dit niet het standpunt rechtvaardigt dat eiser dus zijn hoofdverblijf had aan de [adres 1] in [woonplaats 1] . Daarbij komt dat eiser heeft verklaard dat hij de computer en het IP adres van eiseres gebruikte voor zijn handelsactiviteiten. Dit kan worden verklaard doordat eiser zeer regelmatig bij eiseres over de vloer kwam.

De beroepsgrond slaagt.

8. Niet in geschil is dat eiser in de betreffende periode over middelen heeft beschikt als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Pw, en dat eiser hiervan geen mededeling heeft gedaan aan verweerder. Gelet op het verhandelde ter zitting betwist eiser niet dat hij als gevolg daarvan over de periode van 14 maart 2011 tot 14 september 2014 ten onrechte bijstand heeft ontvangen en verweerder daarom gehouden was om de bijstand over die periode in te trekken.

De periode van 14 september 2014 tot en met 31 augustus 2016

9.1.

Zoals onder 1.1 al is vastgesteld zijn eisers op 14 september 2014 in Las Vegas met elkaar getrouwd. Volgens de Wet conflictenrecht huwelijk en artikel 10:31, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek wordt een buitenlands huwelijk erkend als het als rechtsgeldig wordt beschouwd volgens het recht van de staat waar het huwelijk is voltrokken. Rechtsgeldigheid volgens de betreffende staat betekent dat ook informele (Las Vegas) en religieuze huwelijken kunnen worden erkend. De erkenning geschiedt van rechtswege en er is dus geen beslissing of registratie voor nodig.

Ter zitting heeft eiser verklaard dat het niet de bedoeling van eisers was om officieel in het huwelijk te treden, maar dat enkele jaren later bleek dat hun huwelijk wel degelijk een rechtsgeldig huwelijk betrof. Aangezien eiseres sinds januari 2017 een nieuwe relatie had, is medio 2017 op verzoek van eisers hun huwelijk bij rechterlijke uitspraak ontbonden. Hiermee staat vast dat eisers van 14 september 2014 tot medio 2017 gehuwd waren.

Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de vanaf 14 september 2014 aan eiser verstrekte bijstand is dan ook niet de vraag aan de orde of eisers een gezamenlijke huishouding voerden, maar de vraag of eiser in deze periode als ongehuwd kan worden aangemerkt omdat hij en eiseres duurzaam gescheiden leefden in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Pw. Verweerder heeft door toetsing aan het criterium gezamenlijke huishouding een onjuiste wettelijke maatstaf aangelegd. Het besluit tot intrekking van de bijstand van eiser, voor zover deze ziet op de periode na 14 september 2014, berust daarmee op een onjuiste grondslag. De rechtbank ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren, nu niet aannemelijk is dat eiser door het gebrek in de motivering van het besluit is benadeeld, en zal voor de periode van 14 september 2014 tot en met 31 augustus 2016 beoordelen of is voldaan aan het criterium duurzaam gescheiden leven.

9.2.

Als mensen met elkaar trouwen wordt ervan uitgegaan dat het ook de bedoeling is om samen te leven en voor elkaar te zorgen. Het is echter mogelijk dat getrouwde mensen duurzaam gescheiden leven van elkaar. Dit is een uitzondering op de regel. Duurzaam gescheiden leven wil zeggen: getrouwde mensen leiden beiden hun eigen leven alsof ze niet met elkaar getrouwd zijn. Beiden, of in ieder geval één van hen, moeten daarbij ook de bedoeling hebben dat dit zo blijft. Het wordt niet zomaar aangenomen dat mensen die met elkaar getrouwd zijn duurzaam gescheiden leven van elkaar. Dit moet duidelijk zijn op basis van feiten en omstandigheden. Degene die zegt duurzaam gescheiden te leven moet dat ook aannemelijk maken. De vraag of er eisers hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben is voor het oordeel of er sprake is van (niet) duurzaam scheiden leven niet van belang.

9.3.

In de procedure en ter zitting is het volgende naar voren gekomen. Op 18 oktober 2014 hebben eisers gezamenlijk een huwelijksfeest gehouden. Tijdens de doorzoeking van de woning van eiseres aan de [adres 1] op 22 september 2016 zijn er diverse goederen van eiser aangetroffen. Eiser heeft ter zitting ook verklaard dat hij in de betreffende periode twee tot drie nachten per week in de woning van eiseres verbleef. Zowel eiser als eiseres hebben verklaard dat zij diverse malen samen op vakantie zijn geweest, eiser de honden van eiseres verzorgde als eiseres moest werken en eiser rekeningen en boodschappen betaalde voor eiseres. De rechtbank stelt, kort samengevat, vast dat eiser en eiseres intensieve en frequente contacten met elkaar onderhielden

9.4.

Uit 9.2 en 9.3 volgt dat eiser in de periode van 14 september 2014 tot en met 31 augustus 2016 niet duurzaam gescheiden leefde van eiseres. Dit betekent dat eiser niet kan worden aangemerkt als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Pw en dus niet kan worden beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand. Eiser had dan ook geen recht op bijstand als alleenstaande. Verweerder heeft derhalve terecht, zij het op verkeerde grondslag, de bijstand van eiser over de periode van 14 september 2014 tot en met 31 augustus 2016 ingetrokken.

Terugvordering

10. Verweerder heeft de aan eiser verstrekte bijstand die over de periode van 14 maart 2011 tot en met 31 augustus 2016 aan eiser is uitbetaald teruggevorderd. Dit is een bedrag van € 70.379,07. Verweerder heeft dit bedrag mede van eiseres teruggevorderd.

11. Als het recht op bijstand wordt ingetrokken, is verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 58, eerste lid, van de Pw, verplicht de te veel betaalde bijstand van de belanghebbende terug te vorderen. Omdat verweerder het recht op bijstand terecht heeft ingetrokken, heeft verweerder terecht de over de periode van 14 maart 2011 tot en met 31 augustus 2016 verstrekte bijstand van eiser teruggevorderd.

12. Verweerder is tevens bevoegd om de gemaakte kosten van de over de periode van 14 september 2014 tot en met 31 augustus 2016 ten onrechte aan eiser verstrekte bijstand mede van eiseres terug te vorderen. Aangezien eisers op 14 september 2014 met elkaar in het huwelijk zijn getreden heeft verweerder eiseres terecht aangemerkt als de persoon met wiens middelen in de betreffende periode bij de verlening van bijstand aan eiser rekening had moeten worden gehouden. Hieruit volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de Pw. Omdat verweerder echter niet aannemelijk heeft gemaakt dat eisers in de periode van 14 maart 2011 tot 14 september 2014 een gezamenlijke huishouding voerden, kan verweerder over die periode de aan eiser verstrekte bijstand niet van eiseres terugvorderen.

18/142

13. Het beroep is ongegrond.

14. Omdat in het bestreden besluit een onjuiste wettelijke maatstaf is gehanteerd, ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten in beroep. Deze kosten bestaan uit de kosten van rechtsbijstand. De kosten worden door de rechtbank begroot op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank zal tevens bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoedt.

18/143

15. Gelet op wat hiervoor onder 12 is overwogen is het beroep van eiseres gegrond. In aanmerking genomen dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, komt het bestreden besluit geheel voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken. De rechtbank heeft onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen discussie tussen partijen zal opleveren, ziet de rechtbank af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschillenbeslechting. Verweerder wordt opgedragen binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak.

16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank zal tevens bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoedt.

Beslissing

18/142

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag € 1.002,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden.

18/143

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak
een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen, met inachtneming van deze
uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, mr. S.W. van Osch - Leysma en mr. J.W.A. Fleuren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 3 juli 2018

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.