Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2913

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
03-07-2018
Zaaknummer
314535 / HA ZA 17-29 / 17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding tegen certificeringsbedrijf wegens onverzekerd zijn van de saneerder. Geen relativiteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/584
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: 314535 / HA ZA 17-29 / 17

Vonnis van 21 maart 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam] MONTAGE B.V.

gevestigd te Barneveld

eiseres

advocaat: mr. J.S. Wurfbain te Ede

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NORMEC CERTIFICATION B.V.

tot 15 maart 2017 genaamd EERLAND CERTIFICATION B.V.

gevestigd te Geldermalsen

gedaagde

advocaat: mr. P.J. de Jong Schouwenburg te Amsterdam

Partijen zullen hierna [naam] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 april 2017

- het proces-verbaal van comparitie van 22 november 2017.

1.2

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[naam] houdt zich bedrijfsmatig bezig met het vervaardigen, renoveren, monteren en vervangen van dakbedekkingen. [gedaagde] is een bedrijf dat bevoegd is tot het certificeren van producten, processen en systemen en daartoe certificatieovereenkomsten sluit met en certificaten afgeeft aan derden. [gedaagde] heeft op 1 mei 2014 aan AMF Solutions B.V. (hierna: AMF) een zogenaamd procescertificaat asbestverwijdering verstrekt (hierna ook het asbestcertificaat of simpelweg het certificaat te noemen).

2.2

[naam] heeft in het najaar van 2014 in opdracht van [naam V.O.F.] de daken van een aantal aan [naam V.O.F.] toebehorende loodsen vervangen. Die werkzaamheden hielden onder meer in het verwijderen en afvoeren van asbesthoudende golfplaten. [naam] heeft die laatste werkzaamheden in onderaanneming uitbesteed aan AMF.

2.3

Na de afronding van de werkzaamheden aan de daken door AMF is door (een huurder van) [naam V.O.F.] geconstateerd dat er asbestrestanten in de loodsen aanwezig waren. [naam V.O.F.] heeft [naam] daarop aangesproken. [naam V.O.F.] heeft daarna een derde ingeschakeld voor de asbestsanering van de loodsen. De huurders van de loodsen hebben deze enige tijd niet kunnen gebruiken en hebben [naam V.O.F.] voor de door hen geleden schade aansprakelijk gesteld.

2.4

[naam V.O.F.] heeft [naam] voor de door haar geleden schade aansprakelijk gesteld en [naam] op haar beurt AMF. Dat heeft onder meer geleid tot twee procedures bij deze rechtbank. In de zaak van [naam V.O.F.] tegen [naam] met nummer 281065 (hoofdzaak) heeft deze rechtbank bij vonnis van 25 januari 2017 onder meer voor recht verklaard dat [naam] tegenover [naam V.O.F.] toerekenbaar is tekortgeschoten en [naam] veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 543.790,18. In de zaak van [naam] tegen AMF met nummer 288277 (vrijwaring) heeft de rechtbank bij vonnis van 25 januari 2017 AMF veroordeeld aan [naam] te betalen al hetgeen waartoe [naam] in de hoofdzaak jegens [naam V.O.F.] is veroordeeld.

3 Het geschil en de vordering

3.1

Volgens Van den Haar heeft [gedaagde] ten onrechte een certificaat verstrekt aan AMF, nu is gebleken dat AMF niet verzekerd is tegen aansprakelijkheid. Gebleken is dat er ten tijde van de in het kader van de certificering te houden audits een offerte aanwezig was voor het sluiten van een schadeverzekering voor asbest. [gedaagde] heeft echter verzuimd te controleren of de verzekering daadwerkelijk is afgesloten. Nu [gedaagde] zonder afdoende voorafgaande controle AMF een certificaat heeft verstrekt terwijl AMF niet deugdelijk was verzekerd voor asbestschade en het toepasselijke op de wet gebaseerde certificatieschema een toetsing aan dat vereiste wel voorschreef, heeft [gedaagde] gehandeld in strijd met haar wettelijke (zorg)plicht, aldus [naam]. Die geschonden norm strekt ook tot bescherming van (verhaal van) een hoofdaannemer als [naam], zo stelt zij. Schending van die norm levert dus een onrechtmatige daad op jegens [naam].

3.2

Nu nog niet duidelijk is, aldus [naam], of AMF voldoende verhaal zal bieden, is de hoogte van de door [naam] te lijden schade nog niet bekend. Zij vordert daarom dat de rechtbank voor recht verklaart dat [gedaagde] jegens haar aansprakelijk is voor de door haar te lijden schade als gevolg van het onrechtmatige handelen van [gedaagde] jegens haar, welke schade in een afzonderlijke procedure nader zal moeten worden opgemaakt bij staat, met de veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure en de nakosten.

3.3

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met de veroordeling van [naam] in de kosten van de procedure en de nakosten. Volgens [gedaagde] heeft primair te gelden dat zij geen wettelijke (zorg)plicht heeft geschonden of onrechtmatige daad heeft begaan. Zo er al een verplichting bestaat voor [gedaagde] om te controleren of er daadwerkelijk een aansprakelijkheidsverzekering is afgesloten, dan strekt die norm niet tot bescherming tegen de schade zoals [naam] die heeft geleden, aldus [gedaagde]. Subsidiair betoogt [gedaagde] dat het causale verband ontbreekt tussen haar handelen of nalaten en de door [naam] gestelde schade. Meer subsidiair bestrijdt [gedaagde] dat er enige door haar te vergoeden schade is, nog meer subsidiair beroept [gedaagde] zich op eigen schuld van [naam].

4 De beoordeling

4.1

Ten tijde van het verstrekken van het asbestcertificaat door [gedaagde] aan AMF was het op artikel 4.27 van de Arbeidsomstandighedenregeling gebaseerde Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Procescertificaat Asbestverwijdering SC 530: 2011, versie 02 (Staatscourant 2011 nr. 22513) daarop van toepassing. Dit bepaalt in Deel II “Normen” onder 7.4 “Aansprakelijkheidsverzekering” dat het bedrijf voor haar dienstverlening adequaat verzekerd dient te zijn. In Deel I “Algemene bepalingen” is onder “Werkveldspecifieke kenmerken” onder meer het volgende opgenomen:

Om het maatschappelijk belang - veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid - te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de kwaliteit/veiligheid bij de verwijdering van asbest, asbesthoudende producten en asbestbesmet materiaal of asbestbesmette constructieonderdelen voorafgaand aan sloop, renovatie of onderhoud in bouwwerken en objecten en na een incident met als resultaat een locatie, waar de aanwezigheid van asbest voldoet aan het wettelijk vastgelegde acceptatieniveau.

4.2

Het belang waarvan [naam] in deze procedure de bescherming inroept betreft niet dat van veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid maar dat van gevrijwaard te blijven van insolventierisico’s van een onderaannemer. [naam] doet uitdrukkelijk een beroep op schending door [gedaagde] van de onder 7.4 van het certificatieschema genoemde verzekeringsplicht. Die verzekeringsplicht strekt, gelet op de onder 4.1 weergeven passage, uitsluitend ter bescherming van veiligheids- en gezondheidsrisico’s als in de algemene bepalingen van het certificatieschema bedoeld. Op een andere verzekeringsplicht dan de hier genoemde doet [naam] geen beroep.

4.3

[naam] kan daarom aan het certificatieschema geen bescherming ontlenen ten behoeve van het door haar gestelde belang. Daarbij kan in het midden blijven of een aansprakelijkheidsverzekering als in het certificatieschema bedoeld dergelijke zuiver economische schade zou hebben gedekt.

4.4

De vordering dient reeds daarom te worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [naam] in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1

wijst de vordering af;

5.2

veroordeelt [naam] in de kosten van de procedure, tot dit vonnis aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 618,- voor griffierecht en op € 904,- voor kosten van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (tarief II, 2 punten), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis, voor zover dan niet aan deze veroordeling zal zijn voldaan;

5.3

veroordeelt [naam] in de nakosten, begroot op € 131,- aan salaris advocaat zonder betekening van dit vonnis en € 199,- aan salaris advocaat onder de voorwaarde dat [naam] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden;

5.4

verklaart de gegeven veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht, mr. S.J. Peerdeman en mr. J.M.J.M. Doon en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2018.