Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2907

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-07-2018
Datum publicatie
03-07-2018
Zaaknummer
05/760093-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer veroordeelt een 23-jarige militair tot 38 uren werkstraf voor twee mishandelingen, gepleegd in dezelfde nacht. Vrijspraak voor de primair en subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling en poging tot zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/760093-17

Datum uitspraak : 2 juli 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres]

raadsman: mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 juni 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 7 mei 2017, te Calfven, in de gemeente Woensdrecht, althans in Nederland, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur van het handwortelbeentje (OS Scaphoideum) aan de linkerhand en/of een hersenschudding, heeft toegebracht

door toen aldaar voornoemde [slachtoffer 1] (met kracht) vast te

pakken/grijpen en/of (met kracht) een of meer malen tegen het hoofd te

stompen en/of te slaan en/of (nadat voornoemde [slachtoffer 1] ten val was gekomen

en/althans op de grond was gelegen) een of meer malen op/tegen het hoofd te

trappen of te schoppen ;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 7 mei 2017, te Calfven, in de gemeente Woensdrecht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voornoemde [slachtoffer 1] heeft vastgepakt/vastgegrepen en/of een of meer malen (met kracht) tegen/op het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of (nadat die [slachtoffer 1] ten val was gekomen en/althans op de grond was gelegen) een of meer malen tegen/op het hoofd heeft getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 7 mei 2017, te Calfven, in de gemeente Woensdrecht, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door toen aldaar voornoemde [slachtoffer 1] , (met kracht) vast te pakken/grijpen en/of (met kracht) een of meer malen tegen het hoofd te stompen en/of te slaan en/of (nadat voornoemde [slachtoffer 1] ten val was gekomen en/althans op de grond was gelegen) een of meer malen op/tegen het hoofd te trappen of te schoppen terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur van het handwortelbeentje (OS Scaphoideum), althans enig letsel en/of pijn, ten gevolge heeft gehad ;

2.

hij op of omstreeks 7 mei 2017, te Calfven, in de gemeente Woensdrecht, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] te stompen en/of te slaan.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 7 mei 2017 raakten verdachte en [slachtoffer 1] (aangever) met elkaar in een conflict in Calfven, gemeente Woensdrecht. Op een zeker moment heeft verdachte aangever op de grond geduwd en hem, terwijl hij op de grond lag, tegen de zij geschopt.2 Ook heeft hij aangever tegen het lichaam geslagen.3 Aangever heeft als gevolg van dit geweld pijn aan zijn heup overgehouden.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde. Hiertoe heeft zij naar voren gebracht dat zij onder meer bewezen acht dat verdachte aangever tegen het hoofd heeft geschopt. Dit heeft aangever immers verklaard en daarnaast vindt dit bevestiging in de letselverklaring van aangever. Met dit schoppen heeft verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Daarnaast stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de fractuur van het handwortelbeentje die aangever als gevolg van het voorval heeft opgelopen kwalificeert als zwaar lichamelijk letsel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gepleit voor vrijspraak van verdachte voor het primair en het subsidiair ten laste gelegde. Volgens de verdediging was er geen sprake van zwaar lichamelijk letsel bij aangever, in het bijzonder gelet op de relatief korte duur van het herstel. Daarnaast stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op zwaar lichamelijk letsel. Alleen het slaan en schoppen tegen het lichaam kan volgens de verdediging bewezen worden, en hiermee heeft verdachte niet de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel op zou lopen. Voor wat betreft het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de militaire kamer.

Beoordeling door de militaire kamer

Geweldshandelingen

Allereerst dient de militaire kamer te beoordelen welke ten laste gelegde geweldshandelingen bewezen kunnen worden. Aan verdachte is onder andere ten laste gelegd dat hij aangever tegen het hoofd heeft geschopt en geslagen, zoals verklaard door aangever. Verdachte heeft ontkend deze geweldshandeling uit te hebben gevoerd. Er zijn daarnaast geen getuigen van de daadwerkelijke geweldshandelingen jegens aangever. Uit de medische informatie van aangever en de waarnemingen die verbalisanten vlak na het feit hebben gedaan, volgt dat aangever bloeduitstortingen en rode plekken op zijn hoofd had. Ook had aangever een fractuur van het handwortelbeentje opgelopen. Aangever heeft verklaard dat hij ook een lichte hersenschudding had opgelopen, maar dit wordt niet bevestigd door het aanvraagformulier medische informatie in het dossier of door het medische document dat als bijlage bij de vordering benadeelde partij van aangever is gevoegd. De militaire kamer concludeert dat het schoppen en slaan tegen het hoofd van aangever noch wordt bevestigd noch wordt uitgesloten door de medische informatie. De verwondingen die aangever aan zijn hoofd heeft opgelopen zouden het gevolg kunnen zijn van schoppen of slaan tegen het hoofd, maar het is ook mogelijk dat aangever met zijn hoofd op de grond is gekomen ten gevolge van de duw door verdachte. Gelet op deze omstandigheden heeft de militaire kamer onvoldoende de overtuiging dat verdachte aangever tegen het hoofd heeft geschopt en geslagen. Van dit deel van de tenlastelegging zal de militaire kamer verdachte dan ook vrijspreken. Zoals hiervoor vastgesteld, kan wel bewezen worden verklaard dat verdachte aangever tegen het lichaam heeft geslagen, en daarnaast tegen het lichaam heeft geschopt terwijl aangever op de grond lag.

Zwaar lichamelijk letsel

Vervolgens dient de militaire kamer te beoordelen of aangever door de geweldshandelingen van verdachte zwaar lichamelijk letsel in de vorm van een hersenschudding en een fractuur van het handwortelbeentje heeft opgelopen, zoals primair ten laste is gelegd. Zoals de militaire kamer hiervoor heeft overwogen kan op basis van de medische informatie in het dossier geen hersenschudding bij aangever worden vastgesteld, waardoor de militaire kamer niet de overtuiging heeft dat aangever dit letsel heeft opgelopen. Voor wat betreft de fractuur van het handwortelbeentje overweegt de militaire kamer dat niet kan worden vastgesteld dat dit letsel in causaal verband staat tot het schoppen en slaan tegen het lichaam van aangever. Niet valt uit te sluiten dat het een gevolg is geweest van de duw door verdachte, waarbij aangever zijn val dan heeft proberen op te vangen met zijn handen. Deze duw is echter niet ten laste gelegd. De militaire kamer heeft daarom niet de overtuiging dat dit letsel het gevolg is geweest van het bewezenverklaarde handelen. Ten overvloede overweegt de militaire kamer nog dat een fractuur van het handwortelbeentje fors letsel is, maar naar gewoon spraakgebruik van onvoldoende gewicht om als zwaar lichamelijk letsel te kunnen worden betiteld.

Nu aangever geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het handelen van verdachte, moet verdachte voor het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Opzet

Voor het subsidiair ten laste gelegde dient de militaire kamer de vraag te beantwoorden of verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Hiertoe overweegt de militaire kamer allereerst dat niet is gebleken van boos opzet bij verdachte. Vervolgens dient de militaire kamer de vraag te beantwoorden of er sprake is van voorwaardelijk opzet. Hiervoor is noodzakelijk dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De militaire kamer overweegt dat het slaan en schoppen tegen iemands lichaam, ook als diegene op de grond ligt, niet zonder meer een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert. Dit zou anders kunnen zijn als is gebleken dat dit met veel kracht en/of met (ver)zwaar(d) schoeisel is gegaan. Dit kan de militaire kamer op basis van de bewijsmiddelen echter niet vaststellen. Gelet hierop ontbreekt ook het voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel, en dient verdachte ook voor het subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

De militaire kamer oordeelt dat er wel voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling, nu aangever pijn heeft overgehouden aan het slaan en schoppen tegen zijn lichaam. Uit de verklaring van aangever blijkt niet dat hij pijn of letsel heeft als gevolg van het vastpakken door verdachte, waardoor dit deel van de tenlastelegging niet als mishandeling kan worden gekwalificeerd.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , p.35;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 juni 2018.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde onder 1, en het ten laste gelegde onder 2 heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 7 mei 2017, te Calfven, in de gemeente Woensdrecht, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door toen aldaar voornoemde [slachtoffer 1] , (met kracht) vast te pakken/grijpen en/of (met kracht) een of meer malen tegen

het hoofd te stompen en/of te slaan en/of (nadat voornoemde [slachtoffer 1] ten val

was gekomen en/althans op de grond was gelegen) een of meer malen op/tegen het

hoofd te trappen of te schoppen terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur van het handwortelbeentje (OS Scaphoideum), althans enig letsel en/of pijn, ten gevolge heeft gehad.

2.

hij op of omstreeks 7 mei 2017, te Calfven, in de gemeente Woensdrecht, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] te stompen en/of te slaan.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2, telkens:

mishandeling

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde en het onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een militaire detentie voor de duur van 6 weken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een geldboete op te leggen. Hierbij heeft de verdediging verwezen naar het advies van de reclassering, en daarnaast naar voren gebracht dat de VGB (verklaring van geen bezwaar) door deze straf waarschijnlijk niet zal worden ingetrokken waardoor verdachte zijn baan kan behouden.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 26 april 2018;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 25 mei 2018.

De militaire kamer heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft in één nacht twee jongens op straat mishandeld. Vooraf had er al een conflict tussen hen plaatsgevonden in een café waar ze alle drie waren. Toen verdachte onderweg naar huis was en de twee jongens zag fietsen wilde hij verhaal halen. Omdat zij niet stopten heeft hij een van de jongens vastgepakt. Uiteindelijk resulteerde dit erin dat hij een van de jongens twee stompen heeft gegeven, en de ander meermalen op de grond heeft geduwd en vervolgens heeft geslagen en geschopt. Dit zijn ernstige feiten. Beide slachtoffers hebben hierdoor letsel opgelopen, en zijn daarnaast erg van de mishandeling geschrokken. Een van de slachtoffers, [slachtoffer 1] , heeft in zijn vordering tot schadevergoeding opgeschreven dat hij zich nog lange tijd angstig heeft gevoeld en door het voorval veel alerter is op straat.

Verdachte heeft verklaard dat hij eerder die avond in het café door de jongens was uitgedaagd, en dat zij hem ook hadden proberen op te wachten. Hij wilde hier alleen maar met hen over in gesprek gaan toen hij hen toevallig tegen kwam, en de mishandeling had niet hoeven te gebeuren als zij hiertoe bereid waren geweest. De militaire kamer kan niet uitsluiten dat verdachte inderdaad eerder die avond door de slachtoffers is uitgedaagd. Dat verandert echter niets aan het feit dat verdachte geen enkel recht had om tot deze mishandelingen over te gaan. Toen bleek dat de slachtoffers niet met hem wilden praten, had hij gewoon weg moeten gaan in plaats van hen vast te pakken. Door te verklaren dat de mishandeling niet had hoeven te gebeuren als de jongens hadden geluisterd legt verdachte de schuld buiten zichzelf neer, terwijl hij juist degene is die tijdens het voorval telkens het initiatief heeft genomen tot de geweldplegingen, en de slachtoffers alleen maar bij hem weg probeerde te komen. De militaire kamer neemt verdachte dit zeer kwalijk.

Een geldboete zoals voorgesteld door de verdediging en de reclassering doet naar het oordeel van de militaire kamer geen recht aan de ernst van de feiten. De militaire kamer zal wel een straf opleggen die waarschijnlijk niet zal leiden tot intrekking van de VGB van verdachte, zodat verdachte zijn baan mogelijkerwijs kan behouden.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 ten laste gelegde. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.474,56.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot betaling van het bedrag van € 1.474,56 toe te wijzen, met hierbij de wettelijke rente vanaf 7 mei 2017, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 24 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht het materiële deel van de schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren, omdat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Volgens de verdediging zijn er te veel elementen van de vordering onduidelijk. Voorts heeft de verdediging verzocht de immateriële schadevergoeding te matigen, onder meer omdat er in deze zaak ook sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij.

Beoordeling door de militaire kamer

De benadeelde partij heeft € 474,56 aan schade gevorderd ten behoeve van misgelopen arbeidsinkomsten, omdat hij door de fractuur van zijn handwortelbeentje een aantal maanden niet kon werken. De militaire kamer heeft eerder al overwogen dat niet is bewezen dat deze fractuur een gevolg is van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Gelet hierop betreft het gevorderde bedrag geen rechtstreekse schade. De vordering zal voor wat betreft dit deel daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Wat betreft de vordering tot immateriële schadevergoeding van € 1.000,- overweegt de militaire kamer dat het gevorderde schadebedrag voor matiging in aanmerking komt. Daarbij is aansluiting gezocht bij toegekende schadevergoedingen in min of meer vergelijkbare zaken. Hierbij overweegt de militaire kamer nog dat verdachte voor een deel van de geweldshandelingen is vrijgesproken, en de fractuur aan het handwortelbeentje niet als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde wordt gezien. De schade die de benadeelde partij als gevolg van dit letsel heeft geleden is daarom niet vatbaar voor toewijzing. De militaire kamer zal volstaan met vergoeding van een bedrag van € 250,- wegens immateriële schade. De benadeelde partij zal in het overige deel van zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De militaire kamer:

 Spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een taakstraf gedurende 38 (achtendertig) uren, met het bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 19 (negentien) dagen;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 250,- (tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 250,- (tweehonderdvijftig euro) met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 5 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.B.J. Driessen (voorzitter), en mr. V.P. van Deventer, rechters, alsmede Kolonel mr. H.C.M. Snellen, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juli 2018.

Mr. J.B.J Driessen en mr. V.P. van Deventer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door wachtmeester [verbalisant 1] en wachtmeester 1e klasse [verbalisant 2] van de Koninklijke Marechaussee, district Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27YS/17-001929, gesloten op 30 juni 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 1] , p.32, en verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 18 juni 2018.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p.65, en verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 18 juni 2018.

4 Schriftelijk bescheid in de vorm van een aanvraagformulier medische informatie [slachtoffer 1] , p.56, en proces-verbaal van bevindingen, p.65.